Verslagen
Naar reacties
11 november 2011

Coalitieplanologie in de praktijk

Symposium naar aanleiding van het tienjarig bestaan van adviesbureau Investeren in Ruimte

Door: Ariënne Mak

De verschuiving van toelatingsplanologie naar ontwikkelingsplanologie krijgt steeds mee gestalte in de praktijk, aldus Guus van de Hoef (directeur van Investeren in Ruimte). In plaats van top-down planning door de overheid, geven coalities van marktpartijen, belanghebbenden en overheden steeds vaker samen vorm aan hun ambities. De maatschappelijk geëngageerde bedrijfsvoering van het theater Zuidplein, de locatie van deze middag, is hier een mooi voorbeeld van.

Uit de discussie over coalitieplanologie in zowel het stedelijke als het landelijke gebied, is een drietal conclusies te trekken. In de eerste plaats geldt zowel stedelijk als landelijk dat er goedkoper en efficiënter gewerkt moet worden. Vooral de proceskosten, die in tijden van grote welvaart uit de pan zijn gerezen, vormen hierbij een aandachtspunt. Het is dan ook van belang om de samenwerking tussen partijen te stroomlijnen, zodat de proceskosten bij coalitieplanologie niet juist nog verder omhoog gaan. “Het eindspel blijft een gevecht,” stelde Friso de Zeeuw (praktijkhoogleraar Gebiedsontwikkeling TU Delft, directeur Nieuwe Markten Bouwfonds Ontwikkeling), “maar we kunnen het procedureel eindspel wel wat eenvoudiger maken.” Overheidsmaatregelen die dit stimuleren, zoals de Crisis- en herstelwet en de algemene herziening van het omgevingsrecht, vindt hij dan ook een goede zaak.

De tweede conclusie is dat er weliswaar meer aandacht is voor zelfrealisatie, eindgebruikers en burgerinitiatief, maar dat vakmanschap en ondernemerschap in gebiedsontwikkeling onverminderd belangrijk blijven. De Zeeuw ziet coalitieplanologie als een aanvulling op het bestaande instrumentarium, maar er zijn ook nog enkele grotere opgaven. “Gebiedsontwikkeling is een moeilijk vak; onder meer door het grote aantal RO-procedures is het technocratisch geworden. Verstand van de technische kant is dus noodzakelijk om resultaat te kunnen boeken,” aldus Wienke Bodewes (voorzitter Neprom, CEO Amvest). “Naast kennis van de technische kant, zijn ondernemerschap, passie en visie nodig.”

De derde oproep die klonk, was om de discussie over het landelijke gebied te verbreden. Ben Lichtenberg (voorzitter LTO Noord Gelderland, directeur Kobra Agricola Group) vroeg om meer erkenning voor de diverse functies van het landelijke gebied. “Het is geen decor, maar voor 90% het resultaat van economische processen.” Volgens Lichtenberg dient het buitengebied als bedrijventerrein te worden beschouwd, en tegelijkertijd levert het een bijdrage aan natuurbeheer. Toch is er bij de overheid niet het besef van urgentie, dat er wel is als het gaat om ‘reguliere’ bedrijventerreinen. “Het buitengebied is slachtoffer van een te conserverend beleid,” stelde Lichtenberg. De Zeeuw is van mening dat provincies meer van hun beleid voor het landelijk gebied kunnen maken. De verwarring over het landelijke gebied is volgens De Zeeuw nog veel groter dan die in het stedelijke gebied, onder meer doordat op de EHS te rigoureus wordt bezuinigd. . De discussie riep dan ook veel vragen op. Welke ontwikkelingen zijn wél toegestaan? Wat doen we met vrijkomende boerenbedrijven? Bestaat er behoefte aan ruilverkaveling 2.0? En tenslotte: hoe kunnen we de overgang tussen stad en land beter en geleidelijker vormgeven? Lees verder

Voor een pdf van de volledige publicatie: Coalitieplanologie in de praktijk - 2011.11.12
Voor het downloaden van bovenstaande publicatie dient u het eerst op te slaan.

Symposium Investeren in Ruimte, 25 oktober 2011, Theater Zuidplein, Rotterdam

Zie ook: De Coalitie Manager