De filosofie achter gebiedsontwikkeling
Door: ir. drs. Daniel Lobregt
Een pleidooi voor pragmatisme
‘Pragmatisme’, een van de vele stromingen in de filosofie, laat zich samenvatten met de stelling: ‘thruth is what works’. Bij Nederlandse filosofen is het pragmatisme nooit erg aangeslagen en wordt het afgedaan als een typisch Amerikaanse reactie op de idealistische Duitse filosofie uit de twintigste eeuw. Sinds de crisis in de vastgoedsector (2007) is het pragmatisme wel gemeengoed geworden in de wereld die ‘gebiedsontwikkeling’ heet. Dat is verrassend want gebiedsontwikkeling is per traditie idealistisch. Ontwerpparadigma’s veranderen met de loop der jaren, maar iedere gebiedsontwikkelaar -stedenbouwer, planoloog, bestuurder of projectontwikkelaar- heeft zijn diepere idealen. Puur pragmatisch gemotiveerde gebiedsontwikkeling lijkt nauwelijks denkbaar.

Er is geen aanleiding om aan te nemen dat gebiedsontwikkelaars de diepere idealen sinds de crisis hebben afgeschud, maar er is simpelweg minder budget voor beschikbaar. Op alle schaalniveaus wordt er pragmatischer dan ooit naar nieuwe en lopende plannen gekeken. De sociale woningbouw is een duidelijk voorbeeld. Dertig procent sociale woningbouw was jarenlang een sociaal filantropisch ideaal dat nauwelijks ter discussie stond, totdat de crisis uitbrak. Lees verder >>
Bron: Royal Haskoning, 7 september 2011
Voor een pdf van de volledige publicatie: De filosofie achter gebiedsontwikkeling
Voor het downloaden van bovenstaande publicatie dient u het eerst op te slaan.
Op het eerste gezicht is de stedenbouw een uitstekend voorbeeld van de onderzoeksscholen zoals die door Lakatos geduid zijn. Er worden principes vastgesteld: estetisch, demografisch of anderszins, en deze principes krijgen doorwerking in de realisatie van nieuwbouwwijken. Iets als een ´sluitende grondexploitatie´ lijkt geen plaats te hebben in een stedenbouwkundige onderzoeksschool.
Zo hebben we de stempelbouw van de babyboom, de bloemkoolwijken uit de jaren ´70, vinex wijken uit de jaren ´80 en combinaties daarvan nu. Het lijkt niet dat het verdienmodel ooit leidend is geweest in deze onderzoeksscholen. Is het niet zo dat de ontwikkelaars en overheden voor het eerst nu, sinds de werelddominantie van controllers en accountants, weer de tucht van de markt voelen?
Dit is echter al eerder gebeurd. Het probleem van de menselijke beschouwing is het heden nemen als maat der dingen. Gechargeerd wil ik stellen dat sinds de woningwet, of de aanloop daarnaartoe, de utopie maatgevend is. De invulling van de utopie is daarbij iets wat contingent is. Is socialisme de mode dan is het gelijkheid wat de klok slaat, heeft de esthetiek het primaat, dan krijg je tuindorpen. Maar ook het economisme (economische haalbaarheid als leidend principe) heeft school gemaakt. De economie toetert altijd al een partij mee in het stedenbouwkundige palet. Alleen is dat een beetje een bijrol geweest de laatste 100 jaar.
Als je in de gelukkige omstandigheid verkeert in Amsterdam te wonen is de uitwerking van de onderzoeksscholen overal zichtbaar. Er zijn periodes van geleide groei (grachtengordel), brute marktwerking (Oud Zuid), socialistische stedenbouw (Westelijke tuinsteden), maakbaarheid (Bijlmer). De utopische stedenbouw van de vorige eeuw maakte vervolgens een harde landing in verschillende crises volgend op de Vinex. Sindsdien zijn we, alweer!, gedoemd de zaak dicht te rekenen.
Waar er een heen- en-weer te bespeuren valt in paradigma´s, lijkt de juridificering niet-cyclisch. Komt er een tijd dat we zeggen: minder regels? Het lijkt mij sterk. Ook al lijkt de politiek vanuit Den Haag hierop te koersen, zijn er vooral nieuwe regels om de regeldruk te verminderen. Voor de filosoof zijn dit soort paradoxen uitermate vruchtbaar en fascinerend. Voor de juridische burger echter niet. Zoals elk organisme streeft naar bestendiging en groei, doet ook elke sector dat. Zo ook de juristerij. Er wordt daardoor alleen maar meer beleid gemaakt. En beleid staat creativiteit in de weg. Een teveel aan regels werkt contraprocuctief.
Ergo: de dwang tot markconformiteit is niet nieuw en is misschien ook wel gunstig op den duur. De drang tot regelgeving is verstikkend en lijkt onomkeerbaar. Dat is een grote uitdaging waartegen bouwers en ontwikkelaars ophikken. Helemaal nieuw is dit natuurlijk ook niet. “The first thing we do, let's kill all the lawyers.” (Henry VI)
Ik denk dat het pragmatisme, althans zoals dat in de Amerikaanse filosofie is neergezet door Dewey en James, gebiedsontwikkeling veel te bieden heeft. Het grootste gedeelte van het artikel van Lobregt (bahalve de laatste alinea) hierboven brengt in ieder geval een veelgehoorde misvatting over het pragmatisme naar voren, kort gezegd: dat het geen ideaal nastreeft en dat alles relatief is ('as long as it works, it's true'). Echter, het pragmatisme kwam op in een tijd dat religie nog erg centraal stond in de maatschappij en dus als algemeen normenstelsel gold voor het menselijk handelen (zie de inleiding van Menand in zijn bundel over pragmatisme). Pragmatisten stelden dat ons handelen veelal in het verlengde ligt van de manier waarop we de wereld om ons heen begrijpen. Kennis over ons vak bepaald dus ook ons handelen daarin. En wie werkt in gebiedsontwikkeling weet dat "integraal en multisciplinair" werken nog lang geen gemeengoed is. Wat ontbreekt is een reflexief vermogen bij de mensen die zich met gebiedsontwikkeling bezig willen houden. De neiging om n.a.v. de crisis terug te schieten in de eigen koker of 'core business' moet worden tegengegaan, want de wereld (en zeker die van gebiedsontwikkeling) is niet mono-disciplinair en gericht op 1 type product. Waar we aan moeten bouwen zijn kritische maar vooruitstrevende perspectieven van op ons vakgebied, gebaseerd op feiten en niet op utopische idealen. Dat is pragmatisme zoals het bedoeld is.