platform voor kennis, nieuws en debat
platform voor kennis, nieuws en debat
Verslag

Bouwstenen uit de recente geschiedenis van de stedelijke ontwikkeling

Bouwstenen uit de recente geschiedenis van de stedelijke ontwikkeling

Bouwstenen uit de recente geschiedenis van de stedelijke ontwikkeling

8 apr 2016 - Op 10 maart vindt de boekpresentatie plaats van “Bouwstenen uit de recente geschiedenis van de stedelijke ontwikkeling”, geschreven door Ton van der Pennen.

Lessen: 

  • Het zelf regelen en beheren van de eigen woonsituatie mag niet worden opgedrongen, maar er moet ruimte worden geboden aan personen die tijd en moeite over hebben.
  • Bij zelfbouw is er regulering nodig tegen verdringing, zodat er geen segregatie ontstaat.
  • Bewoners moeten een centrale betekenis krijgen bij besluitvorming en planning
  • Hoofdpunten bij een (zoveel mogelijk) integrale wijkaanpak:
  1. Stuur de burger niet van het kastje naar de muur 
  2. Creëer draagvlak en begrip voor elkaar 
  3. Verricht geen dubbel werk
  4. Maak de consequenties voor anderen overzichtelijk
  5. Blijf niet achter de vergader-, overleg- en tekentafels zitten, neem waar wat zich in de alledaagsheid afspeelt.
  6. Geef bewoners een centrale betekenis bij besluitvorming en planning
  7. Ga meer uit van de zelfredzaamheid en de zelfstandigheid van de burger 
  8. Vind gerichte oplossingen voor lokale problemen

De middag wordt geopend en geleid door Marja Elsinga, hoogleraar Housing Institutions and Governance aan de TU Delft. 

Elsinga loopt kort door de drie hoofdfases van de stedelijke ontwikkelingen na de tweede wereldoorlog; de wederopbouw, de stadsvernieuwing en de Vinex. Daarbij licht ze de steeds veranderende eisen uit en stelt hierbij de vraag, wat is woonkwaliteit? Het antwoord staat niet vast, want het verandert door de tijd. Als voorbeeld noemt de hoogleraar een driekamerappartementje dat nu gezien wordt als geschikt voor twee personen, maar vroeger een ruim huis was waar een geheel gezin of zelfs familie leefde. 

Naast het begrip woonkwaliteit verandert ook de rol van de betrokken partijen. Waar vroeger de burger een grotere rol in nam, is deze na de tweede wereldoorlog overgenomen door de overheid. Met het afbrokkelen van de verzorgingsstaat en de opkomst van de participatiesamenleving schuift de overheid nu weer de verantwoordelijkheid richting de burger. Die krijgt daardoor weer een grotere rol in de maatschappij en het wonen.

Foto 1
de zaal

Op zoek naar balans

Na het aanstippen van deze punten is het tijd voor de eerste spreker op het programma. Hugo Priemus, de godfather van de volkshuisvesting, en volgens eigen zeggen al 50 jaar op ontdekkingsreis. Hij is emeritus hoogleraar systeeminnovatie ruimtelijke ontwikkeling aan de TU Delft en heeft decennia ervaring bij onderzoek binnen de volkshuisvesting. 

Ook Priemus grijpt in zijn verhaal terug op de hoofdfases van de stedelijke ontwikkelingen. Beginnend bij de wederopbouw waar de overheid de hoofdrol speelde in de ontwikkelingen. In de volgende fase, de stadsvernieuwing met haar groeikernen buiten de stad, verschoof die hoofdrol van overheid richting de corporaties. De problemen met de groeikernen, en dan vooral die buiten de randstad, was dat het werk niet het wonen volgde. Het openbaar vervoer werd niet op tijd meegenomen in de groeikernen waardoor autogebruik de standaard was en wat leidde tot veel forenzen. Er werd vooral geïnvesteerd buiten de steden, wat een merkbaar effect had binnen de steden. 

Priemus gebruikt dit gegeven om de slag naar de huidige tijd te maken, want de focus ligt inmiddels weer op de steden. Tegenwoordig draait het niet om kernen maar om netwerken en dan voornamelijk stedelijke netwerken. Deze zijn aan het groeien en dat maakt de opgave binnen de stad complexer. Het natuurlijk netwerk is hier helaas weer sluitpost. De grote vraag is nu hoe al die netwerken kunnen worden verbonden en versterkt. Als laatste gaat Priemus in op de huidige positie van de stad. Waar vroeger de steden armer waren dan het gemiddelde in Nederland, is dat nu omgedraaid, de steden zijn welvarender dan het gemiddelde. De betaalbaarheid van de stad staat onder druk. De stad deelt zich, de armen worden verdrongen. Waar vroeger werk en commercie het wonen verdrong is ook dat nu omgedraaid. Winkelstraten en kantoorpanden staan leeg, en de vraag naar woningen in de stad is groot. Er moet weer een nieuw evenwicht ontstaan. 

De tweede spreker is Adri Duivesteijn, een van de voorvechters van het vraaggestuurd bouwen. Met als belangrijkste punt, het particulier opdrachtgeverschap.

Foto 2
Ton van der Pennen

(C)PO weer centraal

Duivesteijn begint met het punt waarop de samenleving aan het veranderen is; van verzorgingsstaat naar participatiesamenleving. De zelforganisatie van de burger staat centraal.Toch blijft de overheid verantwoordelijk voor de volkshuisvesting, zij het op een andere manier dan vroeger; minder actief en meer faciliterend. 

“Het woonstelsel moet weer voor de burgers werken.” 

Tegenwoordig is zelf doen juist normaal, en volgens Duivesteijn wordt het potentieel van zelfkracht in de sociale sector nu onbenut gelaten. Als voorbeeld noemt hij de Gouden Bocht in Amsterdam. Die was wel gepland door de overheid maar is toch organisch gegroeid. Het woonstelsel moet weer voor de burgers werken. Door (collectief) particulier cpdrachtgeverschap moet de burger weer centraal staan en de ruimte krijgen zijn eigen woning te creëren. Dit geldt ook voor de beheerfase waar hij een woon co-operatie voorstelt, waarbij gezamenlijk voor de woonvoorziening wordt gezorgd. De corporaties moeten niet uitponden maar het wonen naar de burger toebrengen zodat de sociale waarde behouden blijft.

Kritische wijkbewoners 

De laatste spreker van vandaag is Jeanet Kullberg, senior wetenschappelijk medewerker bij het sociaal en cultureel planbureau. In haar presentatie besteedt ze aandacht aan haar onderzoek over betrokken wijken. Kullberg begint nog eerder in de geschiedenis; bij de heer Drucker die de basis legde voor de Woningwet in het rapport “Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen”. Naar aanleiding van de Woningwet volgde de krotopruiming in de steden. Maar er was altijd vraag naar krotten. 

Aan de hand van een aantal voorbeelden leidt Kullberg het publiek langs ingrepen aan de vogelaarwijken. De belangrijkste interventies zijn de fysieke vernieuwing, een schone wijk en een veilige wijk. Maar het blijkt dat de 40 krachtwijken niet onderscheidend verbeterd zijn ten opzichte van andere achterstandswijken. 

Wat opvalt is dat de bewoners de meest kritische groep is. Hun verwachtingen stijgen mee met de verbeteringen in de wijk. De nieuwe situatie went en wordt beschouwd als normaal. Daarnaast zijn bewoners bezorgd of het probleem zich niet gewoon verplaatst als hun wijk verbetert, en of een andere wijk dat dan wel aan kan. Het werk aan een wijk is nooit af maar een integrale aanpak bestaat niet echt, er zijn teveel lokale verschillen. Toch zijn er een aantal hoofdpunten te benoemen; de burger niet van het kastje naar de muur sturen, draagvlak en begrip voor elkaar creëeren, geen dubbel werk verrichten en de consequenties voor anderen overzichtelijk maken. 

De toegenomen participatie leidt tot de vraag wie er verantwoordelijk is voor de wijk. De wijk bestaat uit gebruikers en eigenaren maar daarnaast zijn ook de professionals verantwoordelijk. De beste manier is om de agenda’s op elkaar af te stemmen en om gezamenlijk tot een oplossing te komen is wat joint fact finding wordt genoemd waarbij iedereen zijn steentje bijdraagt. Het gevaar bestaat dat de participatie doorschiet en het werk afglijdt naar vrijwilligerswerk. 

De oorzaak van het probleem in een wijk is niet altijd lokaal te vinden. En dus ook niet lokaal op te lossen. Problemen in bijvoorbeeld de arbeidsmarkt kunnen leiden tot lokale problemen. Kullberg sluit af met haar verontwaardiging over het idee dat vanuit de overheid het verantwoordelijkheidsgevoel verloren is en stelt dat er vanuit de regering meer aandacht moet zijn voor probleemwijken.

Afsluitend

Na Kullberg is de beurt aan de schrijver van het boek, Ton van der Pennen, om het eerste exemplaar uit te reiken. Van der Pennen noemt zijn leermeester Pieter van Daalen die met hem zijn eerste publicatie schreef over actieonderzoek en ervoor pleitte dat de wetenschap in dienst moet staan van de leefbaarheid. Samenvattend kunnen we zeggen dat we van de afgelopen 60 jaar behoorlijk wat geleerd hebben. Met als hoofdlessen dat we moeten oppassen voor een gedeelde stad, meer mogen uit gaan van de zelfredzaamheid en het zelfstandigheid van de burger en vooral dat er voor lokale problemen, gerichte oplossingen gevonden dienen te worden.

In het boek wordt de stedelijke ontwikkeling van toen, maar evenzeer van nu, op een inspirerende manier beschreven en geanalyseerd. Dit gebeurt aan de hand van kenmerkende momenten in de naoorlogse stedelijke uitbreidingen in Den Haag en Rotterdam. Uitlegebieden die na een aanvankelijke bloei in verval raakten zoals de Bijlmermeer en Hoogvliet passeren de revue. De revitalisering wordt uitgewerkt waarmee aan deze gebieden een nieuw elan is gegeven. Maar ook wordt beschreven hoe anno nu, nieuw elan wordt gegeven aan afgeschreven en verlaten gebouwen en gebieden (Markthal, Kop van Zuid, Nieuwe Binnenweg).

Bouwstenen uit de Recente Geschiedenis van de Stedelijke Ontwikkeling
Bouwstenen uit de Recente Geschiedenis van de Stedelijke Ontwikkeling
Bouwstenen uit de Recente Geschiedenis van de Stedelijke Ontwikkeling

Delft University Press 

Auteur: Ton van der Pennen 

ISBN print: 978-90-5199-544-2 

ISBN online: 978-90-5199-545-9

Bestel het boek 

Auteur

Bijn Worms
Bijn Worms

Co-founder of Bouwboek.com, Company Relations BOSS Real Estate & Housing | TU Delft

Bekijk alle artikelen
Blijf op de hoogte