platform voor kennis, nieuws en opinie
Zoeken
platform voor kennis, nieuws en opinie

De stille esthetische revolutie

De stille esthetische revolutie

Thumb_stad en kapitaal_1_1000px

24 jan 2011 - Voor mij ligt het boek ‘Bouwfonds in Beeld’, waarin zo’n 140 woongebieden uit binnen- en buitenland zijn gepresenteerd. Het is een selectie van het werk van Bouwfonds Ontwikkeling van het afgelopen decennium. Ik ben architectuurcriticus en dus heb ik met de blik van de architectuurcriticus dit boek gelezen en vooral bekeken. Daarbij vielen me drie dingen op.

Het eerste dat opvalt is dat Bouwfonds een groot aandeel heeft gehad in de bouw van grotere woninglocaties in Nederland. Of het nu Ypenburg, Leidsche Rijn, Haverleij, Brandevoort of andere bekende grote Vinex-locaties zijn – Bouwfonds Ontwikkeling was en is erbij betrokken en is zo verantwoordelijk voor een flink deel van de woningen die de laatste afgelopen 15 jaar in Nederland zijn gebouwd.
Maar interessanter dan de kwantiteit vind ik de kwaliteit van de productie van Bouwfonds. Uit het boek blijkt dat Bouwfonds mede verantwoordelijk is voor de stille esthetische revolutie die aan het einde van de 20ste en het begin van de 21ste eeuw heeft plaatsgevonden in de Nederlandse woningbouw.

Ik zal u uitleggen wat ik bedoel. In de jaren voor en na 2000 stond Nederland internationaal bekend als het modernste architectuurland ter wereld. Architectuurjournalisten van over de hele wereld kwamen naar Nederland om hier de gebouwen te zien van architecten als Rem Koolhaas, Ben van Berkel, MVRDV en andere ‘supermodernistische’ bureaus zoals ze wel werden genoemd. In Nederland was de toekomst van de moderne architectuur te zien, zo schreven ze na thuiskomst in hun tijdschriften, hier was de ‘tweede moderniteit’ volgens de critici al verder voortgeschreden dan elders in de wereld.

Wat aan hun aandacht ontsnapte was dat dit wat de Nederlandse woningbouw betreft maar het halve verhaal was. Want tegelijk met de opkomst van supermodernisme in Nederland, verscheen in Nederland steeds meer neotraditionalistische architectuur, vooral in de woningbouw. Eerst was dit vooral het werk van buitenlandse architecten, zoals Adolfo Natalini en Rob Krier. Nederlandse architecten waagden zich er niet aan. Maar na de eeuwwende is dat veranderd en bouwen ook Nederlandse architecten als Mulleners & Mulleners, Scala architecten en KOW steeds meer in de neotraditionalistische stijl. Het succes van het neotraditionalisme kent volgens mij drie sleutelprojecten.

De eerste is Dierdonk in Helmond van eind jaren negentig. Dit is een wijk met vooral jaren- dertighuizen die nu nog altijd populair zijn in Nederland. Het tweede sleutelproject is Brandevoort, ook in Helmond. Brandevoort is een Vinexwijk in de vorm van een vestingstadje, ontworpen door Rob Krier Het derde is Haverleij, de Vinex-wijk bij Den Bosch. Hiervoor heeft architect Sjoerd Soeters bedacht dat de woningbouw niet over het terrein wordt verspreid, maar geconcentreerd in negen woonkastelen en, alweer, een vestingstadje. Bij al deze drie projecten was Bouwfonds betrokken. En zo is Bouwfonds in belangrijke mate verantwoordelijk voor de stille revolutie in de Nederlandse woningbouw. Ik noem deze revolutie stil omdat het neotraditionalisme vrijwel genegeerd is door de Nederlandse architectuurkritiek. Een tijdschrift als De Architect besteedt er bijvoorbeeld nauwelijks aandacht aan.

Je zou de revolutie ook verguisd kunnen noemen. Want als critici er al over schrijven, dan doen ze bijna altijd in laatdunkende termen. Ze noemen de neotraditionalistische gebouwen retro-kitsch en Anton Pieck-architectuur. En vaak brengen ze het neotraditionalisme in verband met de opkomst van het populisme van Geert Wilders en eerder Pim Fortuyn.
Een sterk staaltje van dit laatste stond pas geleden nog in Het Parool. Daar besprak criticus Ronald Hooft, die geloof ik ook een tv-programma heeft, de Meander, een groot nieuw traditionalistisch woningcomplex van Rob Krier in de Staatsliedenbuurt in Amsterdam. Hij kon er eigenlijk niet zo veel verkeerds aan ontdekken. Hij moest bijvoorbeeld toegeven dat de overgang tussen publiek en privé terrein wel goed gedaan was en dat het in de open hoven aan het water wel ‘gezellig’ was, al kon hij het niet laten om van zijn dédain voor gezelligheid te getuigen. Hij gaf het project dan ook vier sterren – vijf is het maximum. Maar toch besloot hij zijn stukje met de opmerking dat hij zeker wist dat in de Meander heel veel PVV-stemmers woonden.

Volgens mij heeft de opkomst van het neotraditionalisme niets te maken met populisme en de PVV. De verklaring van het succes is veel eenvoudiger. Het komt doordat de woningbouwverenigingen in 1994 zijn verzelfstandigd. Tot de jaren negentig waren het woningbouwverenigingen die de meeste woningen bouwden in Nederland. En van oudsher lieten ze die vooral door modernistische architecten ontwerpen. Het resultaat was dat er in de Nederlandse woning een soort staatsarchitectuur bestond, zoals de ex-architect Carel Weeber het eens heeft genoemd.
In de jaren negentig kwam daar een einde aan door de verzelfstandiging van de woningbouwverenigingen. Projectontwikkelaars als Bouwfonds Ontwikkeling zijn een veel grotere rol gaan spelen in de woningbouw. En projectontwikkelaars denken en bouwen commerciëler dan vroeger de woningbouwverenigingen. Ze luisteren meer naar de markt en hebben ontdekt dat veel mensen houden van traditionele architectuur. Neotraditionalisme is dus niet populistisch, maar populair.
Tot slot het derde punt dat me opviel. En dat is dat Bouwfonds Ontwikkeling ook betrokken is bij een revolutie die niet doorging, namelijk bij het particulier opdrachtgeverschap oftewel het Wilde Wonen. In het boek ‘Bouwfonds in beeld’ is ook aandacht voor de twee dochterondernemingen, Livingstone en Brummelhuis. Zij bouwen huizen voor particulieren, zo kunnen we lezen en zien.

Ik noemde het particulier opdrachtgeverschap een revolutie die niet doorging omdat het Wilde Wonen niet echt van de grond is gekomen. Het is alweer dertien jaar geleden dat Carel Weeber het Wilde Wonen lanceerde. Het was volgens hem ook in Nederland onontkoombaar dat het, net als in België en de Verenigde Staten, heel gewoon wordt dat mensen hun eigen huis bouwen. Verkoop aan iedereen die dat wil een kavel waarop hij zijn eigen huis kan bouwen, zei hij. Zo gaat het in elk kapitalistisch land, voegde hij er aan toe. Maar niet in Nederland, weten we nu. Het Wilde Wonen kreeg veel aandacht en publiciteit en werd zelfs gesteund door de staat. Maar tot een doorbraak is het niet gekomen. In het begin van de 21ste eeuw daalde het aandeel van particulier opdrachtgeverschap in de woningbouw zelfs. Maar misschien dat de crisis in de bouw hier nu verandering in brengt. Almere is dank zij wethouder Duivesteijn al jaren druk bezig met particulier opdrachtgeversschap en in Amsterdam denkt wethouder Van Poelgeest nu na over meer ruimte voor particuliere opdrachtgevers, als ik Het Parool moet geloven.
Ook Bouwfonds Ontwikkeling gelooft dat – en ik citeer uit het boek – ‘particulier opdrachtgeverschap en collectief opdrachtgeverschap de komende jaren steeds meer voor gaat komen.’
Wie weet gaat het bij het Wilde Wonen niet om een afgestelde, maar om een uitgestelde revolutie.

Auteur

bernard hulsman
Bernard Hulsman

Architectuurcriticus NRC-Handelsblad

Bekijk alle artikelen