Redactioneel
park 2020

Doe de tienkamp: Circulaire gebiedsontwikkeling?

Door Agnes Franzen

10 okt 2018 - VOORPUBLICATIE Binnenkort verschijnt de publicatie ‘Doe de tienkamp voor duurzame gebiedsontwikkeling’. Dit is een actualisatie van de handreiking ‘Doe de tienkamp’, die de praktijkleerstoel gebiedsontwikkeling in 2011 uitbracht. Met de handreiking beoogt auteur Agnes Franzen inspiratie en bouwstenen aan te leveren voor bestuurders en professionals van publieke en private partijen. De komende weken publiceren we alvast enkele hoofdstukken uit het boek. In deze aflevering belicht Agnes Franzen de mogelijkheden voor circulaire gebiedsontwikkeling. Hoe gaan we om met grondstoffen, hoe komen we tot gesloten kringlopen en waar is hergebruik kansrijk? Ze beschrijft tevens het voorbeeldproject Park 20|20 in de gemeente Haarlemmermeer, waar alleen wordt gewerkt met circulaire leveranciers.

Het economisch systeem staat voor de wijze van productie, distributie en consumptie van schaarse goederen en diensten in een samenleving. De Britse econoom Kate Raworth pleit in haar boek Donuteconomie voor een circulaire economie in de 21e eeuw. Economische groei brengt de planeet volgens haar in gevaar. Ze pleit ervoor om ‘de economie te laten balanceren tussen een ecologische bovengrens en een sociale ondergrens. De ondergrens wordt gevormd door mensenrechten zoals veiligheid, gezondheid en voldoende eten. De ecologische bovengrens gaat over luchtvervuiling, klimaatverandering en bodemuitputting’ (interview DuurzaamBedrijfsleven). Haar visie biedt daarmee een aanvulling op het model van de Ellen MacArthur Foundation, dat vooral focust op de economische en ecologische voordelen van gesloten materiaalkringlopen.

Volgens het Planbureau voor de Leefomgeving heeft Nederland een goede positie om de economie meer circulair te maken – en hieraan tevens te verdienen. Zo versterkt circulariteit de Nederlandse concurrentiepositie, levert het een schoner milieu op en verbetert bijvoorbeeld de voorzieningszekerheid van (natuurlijke) grondstoffen. Voor gebiedsontwikkeling zitten er voor de huidige projecten bruikbare en haalbare onderdelen in de benadering van Raworth, maar het is nog te vroeg om te spreken over een totaal donutplaatje. Voor deze publicatie is mede daarom gekozen om invulling te geven aan duurzaamheid vanuit de benadering van de Britse ondernemer John Elkington met de invalshoeken planet, people en profit. Het thema circulair sluit aan bij planet: hoe gaan we duurzaam om met (water)afvalstromen, materialen en grondstoffen? En hoe en waar raakt dit gebiedsontwikkeling? Andere aspecten uit de donutbenadering komen bij people en profit terug.

Circulaire economie en gebiedsontwikkeling
In Nederland is er een groeiende aandacht om met een circulaire bril naar de economie te kijken. Het is echter nog lastig om een eenduidige definitie van circulariteit te vinden. Passend bij de opzet van deze publicatie belichten we in deze paragraaf voor de gebiedsontwikkeling mogelijk relevante invalshoeken om de milieulast te verlagen. Hoe gaan we om met grondstoffen, hoe komen we tot gesloten kringlopen en waar is hergebruik kansrijk? Wat zijn innovaties op product- en dienstverleningsniveau en hoe vertalen we deze naar gebiedsontwikkeling?

Ten eerste de grondstoffen. Als gevolg van de mondiaal toenemende welvaart en de groei van de wereldbevolking stijgt de vraag naar diverse grondstoffen. Het gevolg van deze groeiende druk op de beschikbare voorraad is prijsschommeling. Hierbij is het goed bewust te zijn van de verdeling van de wereldmarkt; zo neemt China voor aluminium en staal een groot deel in beslag met een direct effect op de wereldmarkt. Voor sommige grondstoffen beweegt de prijs op basis van de eigen intrinsieke waarde, los van ontwikkelingen op de wereldmarkt. En niet alle grondstoffen zijn schaars, denk aan grind en zand. Verder zien we naast heftige reacties op een veranderende vraag of aanbod, beschermende maatregelen van overheden en verandering in schaal en conflicten over de eigendomsrechten van winningsgebieden (bron: Go).

Een circulaire aanpak biedt oplossingen om ook zonder economische prikkel (als gevolg van schaarste) het primaire grondstoffengebruik te verminderen. Denk aan gesloten kringlopen voor water, (materiaal)afval en energie (hoofdstuk 8). In het circulaire systeem wordt een onderscheid gemaakt tussen twee kringlopen van materialen. Een biologische kringloop, waarin reststoffen na gebruik veilig terugvloeien in de natuur. En een technische kringloop, waarvoor product(onderdelen) zo zijn ontworpen en op de markt gezet dat deze op kwalitatief hoogwaardig niveau opnieuw gebruikt kunnen worden. Voor veel bedrijven en processen betekent dit het volledig herzien en opnieuw inrichten van productketens.

buiksloterham
Buiksloterham

Als eerste de waterkringloop. Buiksloterham (Amsterdam) is voor gebiedsontwikkeling een goed voorbeeld van een proefproject met als focus water. Dit na het mislukken van diverse proefprojecten in het scheiden van water aan het begin van deze eeuw in vinexwijken zoals Leidsche Rijn. Net als in deze eerdere proefprojecten wordt bij sanitatie het vervuilde water van huishoudens bij de bron in twee stromen gescheiden: zwart en grijs. Zwart water is toiletwater. Grijs water komt uit de gootsteen, douche, (af)wasmachine en andere kranen. Uit zwart en grijs water winnen we bepaalde stoffen en energie (www.waternet.nl). Dit laatste is een toevoeging ten opzichte van eerdere experimenten. Dat deze decentrale sanitatie pas later in het planproces is ingevoerd en er dus geen ruimte was gereserveerd, is opgelost met een drijvende en eventueel verplaatsbare biovergister.

Dan de afvalkringloop. Hier zien we, naast de gesloten grondbalans met hergebruik van grond in een plangebied en hergebruik van bouwmateriaal, een benadering waarbij niet alleen minder afval wordt geproduceerd, maar het afval een tweede bestaan krijgt. Dit bij voorkeur in een hogere kwaliteit: upcycling. Ofwel maximaal hergebruik en minimale waardevernietiging. Gebiedsoverstijgend is Nederland reeds koploper in het recyclen van afval. Voor gebiedsontwikkeling is de kringloop met hergebruik van bouwmaterialen relevant bij herbouw en nieuwbouw. Zo heeft woningbouwvereniging Eigen Haard in de wijk Overtoomse Veld in Amsterdam laten zien dat hoogwaardig hergebruik van 99,5% van het sloopmateriaal in de nieuwe woningen of elders in de omgeving mogelijk is. En een flexibele inrichting van de gebouwen maakt een toekomstige wisseling in programma mogelijk. Financiële haalbaarheid is bij transformatie van bestaande gebouwen nog vaak een knelpunt. Soms wacht de eigenaar op de hoofdprijs voor het pand, soms zijn de transformatiekosten dusdanig hoog dat er, zelfs op gebiedsniveau, geen rendabel plan te maken is.

Voor nieuwbouw in het programma van gebiedsontwikkeling wordt al steeds vaker ingezet op materialen met een lage milieubelasting. Verder kan gedacht worden aan hergebruik van materialen als randvoorwaarde te stellen gedurende de levensloop en bij sloop van gebouwen. Denk aan gevelpanelen, kozijnen en kolommen. Bij hergebruik en verplaatsing is het belangrijk dat ze (aan het eind van de gebruiksfase) makkelijk demontabel zijn en materiaalstromen eenvoudig kunnen worden gescheiden. Een voorbeeld hiervan zijn de bouwvloeren waarin de leidingen niet worden opgenomen, maar bewust los aan het plafond gemonteerd. Hierdoor blijft de economische waarde bij sloop of transformatie zo veel mogelijk behouden. Daarnaast is aandacht voor de toepassing van materiaal met een lage milieubelasting relevant.

‘Dit betekent dat als de prestatie van het product de waarde bepaalt, het leveren van de juiste kwaliteit extreem belangrijk wordt voor de producent’

En wat de energiekringloop betreft bevinden we ons, zoals toegelicht in het energiehoofdstuk, midden in de transitie naar duurzame bronnen. Naast bovenstaande ontwikkelingen op gesloten kringloopniveau zien we een zoektocht naar producten waarbij de producent het gebruikseigendom behoudt en klanten betalen voor het gebruik ervan (lease), of waarbij de producent het product terugkoopt aan het einde van de levensduur (MVO). Binnen gebiedsontwikkeling is huur hier natuurlijk een voorbeeld van, maar we zien ook andere vormen ontstaan. Denk op huishoudniveau bijvoorbeeld aan de verhuur van HR-ketels. En voor de openbare ruimte aan de verlichting. Hier zien we een overgang van publieke naar PPS-dienstverlening, zoals ‘slim licht’ in Eindhoven. Dit betekent dat als de prestatie van het product de waarde bepaalt, het leveren van de juiste kwaliteit extreem belangrijk wordt voor de producent.

Bovenstaand zien we diverse invalshoeken, die het gebiedsniveau vaak overstijgen. Circulaire gebiedsontwikkeling is hiermee ook een definitievraag. Vanuit welk schaalniveau kijken we? En wat willen we bereiken op productniveau (circulaire gebiedskringloopsystemen, circulaire gebouwen en openbare ruimte, circulaire gebouwsystemen en -materialen) en wat dienen we te verankeren in het proces van gebiedsontwikkeling (circulaire doelstelling in Omgevingswet, structuurvisie, aanbestedingen, tenders, materiaalpaspoorten etc.)? Aan de publieke kant is het belangrijk om zowel heldere richtlijnen als realistische doelstellingen, indien nodig, in wetgeving of in de aanbesteding voor projecten mee te geven. Ook moeten nieuwe samenwerkingsallianties worden gestimuleerd. Voor de private gebiedsontwikkelaar is het belangrijk relevante ontwikkelingen te volgen en economisch haalbare ontwikkelingen te kunnen vertalen naar een passende aanpak, alliantie en moment in het ontwikkelingsproces. Dit vraagt naast publiek-private samenwerking, ook om privaat-private samenwerking in de vastgoedketen. Immers, innovatie aan de private kant is nodig bij meerdere partijen, zowel qua circulair product, het gebiedsontwikkelingsproces als op organisatieniveau (haalbaar businessmodel) om circulaire gebiedsontwikkeling mogelijk te maken. Relevante vragen voor de betrokken partijen:

  • Wat past bij het gebied (stad en regio)?
  • Wat is economisch en financieel haalbaar voor partijen?
  • Wie vragen we wanneer aan tafel?

 Ofwel, hoe zorgen we ervoor dat circulariteit concreet wordt en onderdeel uitmaakt van het plan- en uitvoeringsproces? Net als bij veel andere thema’s zien we hier de factor mens als belangrijke succesfactor. De meeste kennisvragen zijn sectoroverstijgend. Ook vraagt duurzaamheid soms om nieuwe competenties. Volgens Rob Ververs (Senior beleidsmedewerker Waternet) is de belangrijkste: ‘Luisteren naar de behoeften van mensen. Voorheen hadden we twee keuzes: aansluiten of aansluiten, met andere woorden er was geen keuze. Nu is de vraag: wat is voor jou het beste?’ Dit betekent een omslag in organisaties. Op strategisch niveau is het gekozen pad vaak helder, maar de uitvoering, hoe krijg je die mee? Van top-down naar bottom-up en faciliterend: zo is de regie voor veel partijen in de Buiksloterham totaal omgedraaid. Openheid helpt de voortgang in het proces. Een aandachtspunt is openheid bij langlopende contracten. Bij de afweging ‘duurzaamheid’ versus ‘betrouwbare partner’, wordt soms voor het laatste gekozen. Terwijl als de keuze voor een duurzame oplossing open op tafel ligt, je elkaar kunt begrijpen en gemakkelijker vinden (bron: Go).

Dilemma’s
Een eerste dilemma bij een circulaire aanpak is de spanning tussen de ambitie en de noodzaak tot een haalbaar project te komen. De bouw maakt onderdeel uit van gebiedsontwikkeling. De prijzen van nieuwe bouwmaterialen stijgen, maar zijn relatief nog laag. De milieulast wordt namelijk nog niet in bouwmaterialen doorberekend. Een inspirerend voorbeeld om dit te veranderen, zijn de emissierechten voor CO2 in Europa. De rechten worden schaarser, waardoor de prijs van CO2 stijgt en de energietransitie in beweging komt.

Het Duurzaamheidsfonds van de gemeente Amsterdam is een voorbeeld van een bijdrage aan de energietransitie. Het verstrekt leningen (2% rente) voor projecten die leiden tot CO2-reductie of tot een meer circulaire economie. Er kan per project tussen de 10.000 en 500.000 euro worden geleend. De looptijd is maximaal vijftien jaar. Iedereen kan een aanvraag indienen bij het Duurzaamheidsfonds: bewoners, bedrijven en maatschappelijke instellingen. Een tweede handreiking is het werken met circulaire productleveranciers; hiervoor is gekozen bij de gebouwen van Park 20|20 in de gemeente Haarlemmermeer. Landelijk kunnen we dit stimuleren met een ander waarderingssysteem van gebouwen, gebouwdelen en herbruikbare materialen.

park 2020 boulevard
Park 2020 boulevard | Foto: Sander van der Torren

Een tweede dilemma heeft een direct raakvlak met bovenstaande en met gebiedsontwikkeling, maar is een gebiedsoverstijgend vraagstuk. Grondstoffen die niet schaars zijn, kunnen wel een hoge milieubelasting hebben. Denk aan zand en grind voor beton. Winning ervan tast ook op veel plekken het gebied aan. Hergebruik kan nieuwe winning verkleinen, mits het betaalbaar is. Regulerende wetgeving is ook een mogelijkheid, maar dit vraagt een (internationale of) Europese aanpak.

Een derde dilemma voor gebiedsontwikkeling is de spanning tussen de beschikbare kennis op diverse schaalniveaus en de vertaling hiervan naar het maken van haalbare keuzes en de sturing hiervan op gebiedsniveau. Zo is voor Park 20|20 gekozen om dit in de aanbesteding mee te nemen en alleen met bedrijven te werken die aan recycling doen (zie de casusbeschrijving aan het einde van dit hoofdstuk).

Instrumenten
De circulaire economie staat nog in de kinderschoenen. Met de Agenda Stad hebben steden, en rijksoverheid samen met maatschappelijke partners zich gecommitteerd om groei, leefbaarheid en innovatie in het Nederlandse en Europese stedennetwerk te bevorderen. Bij het thema circulaire economie doen naast Amsterdam de steden Rotterdam, Apeldoorn, Almere, Dordrecht, Haarlemmermeer, Deventer, Zutphen, Utrecht en Venlo mee. Bij het thema gebiedsontwikkeling wordt via proeftuinen gekeken wat goed werkt goed en wat minder. Zo wordt in Park 20|20 in de gemeente Haarlemmermeer alleen gewerkt met circulaire leveranciers. Een concreet voorbeeld is het Lincolnpark als circulaire wijk van de toekomst. Met woningen zonder gasaansluitingen en daken met groen of zonnepanelen. En bouwen met duurzame materialen die worden hergebruikt. Ook wordt ingezet om slim en efficiënte om te gaan met warmte, elektriciteit, lucht en water. En in het eerdergenoemde project Buiksloterham loopt de pilot Schoonschip, waarvoor in 2008 een stichting is opgericht. Betrokken CPO’ers streven naar 50 tot 70% reductie in elektriciteitsverbruik in vergelijking met regulier wonen, plus hergebruik van reststromen. Het biedt bewoners en ondernemers de mogelijkheid met elkaar eigen energie op te wekken én uit te wisselen. Dit als afwijking van de Elektriciteitswet uit 1998, waarin centraal is geregeld dat iedereen energie krijgt uit hetzelfde netwerk, vanuit een grote energiecentrale als hoofdbron.

Een tweede voorbeeld is het financieel instrument. De Sociaal Economische Raad (SER) heeft aangegeven dat belastingen, subsidies en overheidsinkopen de transitie naar een circulaire economie kunnen versnellen. Een circulaire aanpak als norm voor financiering. Op dit moment worden de milieueffecten nog beperkt doorberekend in de markt. Dit terwijl het meenemen van de milieulast bij gebiedsontwikkeling kan bijdragen aan nieuwe waarderingsvormen. Denk aan de eerdergenoemde CO2-regeling. Dit voorbeeld laat zien dat het belangrijk is om te zorgen dat er sprake is van een zo gelijk mogelijk speelveld. Naast dit punt geeft de SER aan dat het belangrijk is om mogelijke ongewenste neveneffecten te voorkomen. Denk bijvoorbeeld aan de effectiviteit en maatschappelijke aanvaardbaarheid van belasting op grondstoffen, inzet op regelingen voor circulair aanbesteden en inkopen, of het beter geschikt maken van innovatiesubsidies voor toepassingen in de circulaire economie.

‘het is belangrijk om te zorgen dat er sprake is van een zo gelijk mogelijk speelveld’

Een derde voorbeeld ligt in de informatievoorziening. Voorwaarde voor hergebruik en het sluiten van kringlopen is dat bekend is welke materialen in gebouwen zitten, liefst zo specifiek mogelijk met betrekking tot herkomst, samenstelling, kwaliteit en eigendom. Instrumenten als het materialenpaspoort, gebouwenpaspoort en het kadaster voor materialen kunnen hierbij behulpzaam zijn, naast of in aanvulling op bouwinformatiemanagement (BIM).

Tot slot, net als bij andere thema’s wordt er ook bij de circulaire transitie gesproken over certificering. Zoals bovenstaande instrumenten laten zien, is het in de fase van ontwikkeling belangrijk ruimte te houden voor maatwerk en een aanpak met gezond verstand. Certificering vraagt veel tijd en levert niet altijd een passende en haalbare oplossing in het prille stadium waarin de circulaire economie zich bevindt.

Conclusie
Wat betreft gebiedsontwikkeling zien we dat het voor veel circulaire vragen belangrijk is vanuit een hoger schaalniveau naar een passende aanpak te kijken. Hierbij zien we een zoektocht naar een passende afbakening en definitie. Een duurzame aanpak is breder dan een focus op een circulaire aanpak. En de circulaire benadering is meer is dan alleen recycling. Het gaat ook om het op een andere manier ontwerpen van producten, levensduurverlenging door reparatie en het hoogwaardig hergebruik en upcycling van producten en materialen door leveranciers. Wellicht liggen hier ook kansen voor de circulaire aanpak, denk aan de demontabele bouw als middel om in te spelen op veranderingen in de woningvraag. Overheidsbeleid zal vaak nodig zijn om belemmeringen te overwinnen en om radicaal efficiënter om te gaan met grondstoffen, schreef het Planbureau voor de Leefomgeving al in 2016. En de lerende benadering kan helpen om oplossingsrichtingen te vinden, zoals de projecten vanuit City Deals laten zien.

Een proefproject waar de lerende benadering maximaal is ingezet, is Buiksloterham . Daarom als afsluitende conclusie enkele woorden van Els Daems, werkzaam bij de gemeente Amsterdam. ‘De overgang naar circulaire stad kent nog veel vragen en belemmeringen, op het gebied van regelgeving, beschikbaarheid van technologie en nieuwe verdienmodellen. Het vraagt van iedereen een verandering, in houding en organisatie. Het gaat om vernieuwing terwijl tegelijkertijd de bouwplannen in uitvoering zijn: Dit betekent dat je haalbaarheid en vernieuwing combineert, meeneemt wat nu kan zodat de circulaire ambitie tot stand komt en werkelijkheid wordt. Dit moet vorm krijgen met allerlei partijen. De gemeente is daarin niet leidend maar we zien dat er veel goed gaat als je stimuleert. Vaak spelen ook economische motieven mee: waar zijn besparingen te halen?


cover: Park 2020 | Foto: Sander van der Torren

Bronnen

De komende twee jaar gaan het LDE Centre for Sustainability en de Wageningen Research University onderzoek doen naar circulaire gebiedsontwikkeling. Hoogleraar Ellen van Bueren (MBE) leidt het project, waarbij De Binckhorst in Den Haag dient als casus voor het ontwikkelen van wetenschappelijke inzichten en praktische handvatten.

https://www.tudelft.nl/2018/bk/groot-onderzoeksproject-naar-circulaire-gebiedsontwikkeling/

park 2020 anwb
Park 2020 ANWB Reizen | Foto: Sander van der Torren

Park 20|20 Hoofddorp

Projectgegevens

Locatie: Beukenhorst-Zuid, Hoofddorp

Programma: 92.000 m2 kantoorruimte, 2.100 parkeerplaatsen en 3.700 m2 aan voorzieningen zoals een supermarkt, fitnesscentrum, kinderdagverblijf, diverse restaurants en een hotel met conferentieruimten

Planning: 2010– ?

Opgave: ontwikkeling van een bedrijvenpark volgens de cradle-to-cradle-principes.

Cradle-to-cradle-bedrijvenpark
‘Het eerste duurzame full-service kantorenpark van Nederland’, dat wordt Park 20|20 in Hoofddorp volgens de gemeente Haarlemmermeer. Park 20|20 is een gezamenlijke ontwikkeling van Delta Development Group, VolkerWessels en Reggeborgh Groep, in nauwe samenwerking met de gemeente Haarlemmermeer, en wordt volgens de cradle-to-cradle-principes (C2C) ontwikkeld. De toepassing van C2C in Park 20|20 houdt in dat alle materialen van de gebouwen na de gebruikscyclus zullen terugvloeien in de biologische of technische kringloop. Daarnaast kent het park een centraal, geïntegreerd energiesysteem (warmte-koudeopslag, WKO), waarbij gebruik wordt gemaakt van zonne- en windenergie. Tevens heeft het gebied een eigen waterzuivering, haalt men energie uit afval en wordt regenwater hergebruikt voor het sanitair.

Materiaal heeft waarde, ook ná gebruik
Als ‘materiaalbanken’ hebben de gebouwen in Park 20|20 ook een waarde na de gebruiksperiode. Bij de bouw van Park 20|20 zijn productleveranciers geselecteerd die materialen volgens de C2C-procedure konden leveren. Hoewel bouwbedrijven aanvankelijk weerstand boden tegen deze wijze van selectie, omdat ze hierdoor wellicht niet hun gangbare samenwerkingspartners konden aanhouden, bleken leveranciers van bouwmaterialen en -elementen vanwege de groeiende schaarste van grondstoffen bereid te zijn een eindwaarde te garanderen voor materialen. Op basis van dat gegeven kun je zeggen dat een gebouw een duurzame betekenis heeft, omdat de materialen – ook bij sloop (of beter: bij demontage) – een financiële waarde vertegenwoordigen. Ontwikkelaar Coert Zachariasse (CEO Delta Development Group): ‘De kunst is niet zo zeer om een technisch hoogstandje neer te zetten, maar om dat te doen én er geld aan te verdienen. Dan kan je iets veranderen in de hele bouwwereld.’

Productleveranciers aan tafel
Bij de uitvoering liepen de gebiedsontwikkelaars tegen het probleem aan dat er nog te weinig leveranciers bestonden die gecertificeerde C2C-producten aanboden. De ontwikkelaars hebben daarom gezocht naar leveranciers van bouwmaterialen- en elementen die bereid waren C2C-materialen te ontwikkelen, ook als ze dat in eerste instantie nog niet deden. De gebiedsontwikkelaars daagden de leveranciers uit om met vernieuwende producten te komen. De aangeleverde producten werden getest, en de leveranciers van producten die (bijna) voldeden aan de C2C-eisen werd aangeboden om ‘preferred supplier’ te worden. De voorwaarde hiervoor was dat zij hun producten zouden doorontwikkelen tot gecertificeerde C2C-producten. Inmiddels doen 41 bedrijven mee met dit zogenaamde sponsorprogramma.

Materialenpaspoort
Elk gebouw in Park 20|20 bezit een materialenpaspoort dat precies beschrijft welke materialen zijn toegepast en in welke hoeveelheid, en hoe het gebouw gedemonteerd kan worden. Driekwart van het beton en staal waar het gebouw uit bestaat, betreft gerecycled materiaal. Tevens is 30% materiaal bespaard door toepassing van holle vloeren. Wanneer een gebouw aan het eind van zijn gebruiksfase is en verwijderd zal worden, kunnen materialen op die manier hergebruikt worden voor nieuwe producten of gebouwen. Sommige materialen zullen zelfs als voedingsstof terugkeren naar de bodem. Het feit dat sommige producten zijn geleased in plaats van gekocht, toont aan dat het hergebruik van materialen daadwerkelijk gerealiseerd zal worden.

De gebruiker centraal
Om de kringloop in Park 20|20 zo gesloten mogelijk te maken, biedt het bedrijvenpark naast werkplekken ook andere voorzieningen aan. In lijn met het ‘full-service’-concept moeten de behoeften van gebruikers op de locatie zo veel mogelijk tegemoet gekomen worden om extra infrastructuur te voorkomen. Zo bezit het gebied evenementenaccommodaties, een kinderdagverblijf, een beachvolleybalveld en kassen waarin groente en fruit worden geteeld die de scheidingslijn tussen werk en privé vervagen. Ook de gekozen locatie, die goed aansluit op trein-, snelbus- en fietsverbindingen en zich vlak naast vluchthaven Schiphol bevindt, draagt bij aan het verminderen van de infrastructuur.

Klimaattechnische ingrepen op grote schaal
Naast het gerecyclede materiaalgebruik zijn in Park 20|20 duurzame oplossingen gevonden voor water, afval en energie. Het gebied maakt gebruik van WKO, haalt energie uit afval en zuivert water door helofytenfilters. Het ruimtelijk ontwerp houdt rekening met de positionering van gebouwen optimaal gebruik te maken van de zonne- en windenergie. Bij deze klimaattechnische ingrepen is steeds gedacht aan de economische haalbaarheid. Daarvoor was het cruciaal om de initiatieven op grote schaal in te voeren; door de grijswaterzuivering bijvoorbeeld aan een hoge hoeveelheid gebouwen te koppelen, konden de kosten gesplitst en dus gereduceerd worden.

Belangrijkste lessen

  • Garandeer een financiële waarde voor (gebouw)onderdelen ná de gebruikersperiode om de C2C-principes te realiseren.
  • Voer klimaattechnische ingrepen door op grote schaal om economisch voordeel te behalen.


Bronnen

Auteur:

agnes franzen pp
Agnes Franzen

Strategisch adviseur SKG/TU Delft |medeoprichter/hoofdredacteur van Gebiedsontwikkeling.nu (2010-2017)

Recente artikelen