Casus Het dorpscentrum van Vlieland-Oost is een van circa 370 beschermde stads- en dorpsgezichten in Nederland. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed liet een pilot uitvoeren op het Waddeneiland om te onderzoeken hoe je tot een breed gedragen ontwikkelvisie voor zo’n beschermd gezicht komt, aan de hand van een ontwerpatelier. De gemeente en de betrokken ontwerpers kijken terug en delen hun ervaringen.
In een eerder interview op Gebiedsontwikkeling.nu gaf Lotte Zaaijer van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) aan hoe haar dienst momenteel omgaat met beschermde stads- en dorpsgezichten, in het kader van een herijking van de aanwijzingsbesluiten voor de gezichten uit 1971. Dat gebeurt mede in het licht van verdichtingsoperaties die in de beschermde gebieden plaatsvinden – op kleine en grote schaal. In 2025 presenteerde de RCE een gereedschapskist die betrokkenen moet helpen bij een ‘erfgoedinclusieve’ aanpak van het (her)ontwikkelen binnen bestaande stedelijke en dorpse structuren. In het interview wees Zaaijer op een pilot die in dit verband op het eiland Vlieland was verricht en waarbij is onderzocht hoe er op een dorpse schaal en met respect voor het beschermd dorpsgezicht ter plekke toch nieuwe ontwikkelingen kunnen worden geaccommodeerd. Dit door de erfgoedwaarden vanaf het begin mee te nemen in een integraal planproces. Een vervolgvraag is dan: hoe heeft de pilot uitgepakt en hoe kijken de directbetrokkenen erop terug? Een vraag die we neerleggen bij de gemeente Vlieland en bij het ontwerp- en onderzoeksbureau dat de pilot begeleidde.
We gaan over naar de lokale praktijk op Vlieland. Een Waddeneiland vormt een bijzondere gemeenschap. In de zomermaanden is er de dynamiek van het toeristenseizoen, in de winter wordt men teruggeworpen op zichzelf en heerst een weldadige rust. Veel bewoners hebben hier meerdere maatschappelijke, economische en bestuurlijke functies. En niet zelden gaan hier nieuwe (gebouwde) ontwikkelingen met veel discussie gepaard. Jan Kleefstra, werkzaam bij de gemeente Vlieland als beleidsmedewerker fysieke leefomgeving, kan erover meepraten.

‘Jan Kleefstra’ (bron: Jan Kleefstra)
35 jaar geleden begon hij zijn loopbaan bij een stedenbouwkundig adviesbureau: “En een van mijn eerste opdrachten was op het eiland, het werken aan bedrijventerrein Oosterseveld, bij de jachthaven. Ik was daarvoor nog nooit op Vlieland geweest, moet ik bekennen. Daarna heb ik op detacheringsbasis aan het tweede woninggebruik gewerkt. Tien jaar geleden vroeg de gemeente me of ik de ruimtelijke ordening op het eiland wilde begeleiden en dat doe ik sindsdien – sinds vijf jaar in dienst bij de gemeente. Twee dagen in de week op het eiland en twee dagen vanuit huis.”
Veel discussie
Hoewel Kleefstra op alle Waddeneilanden aan onder meer bestemmingsplannen heeft gewerkt, is Vlieland hem bijzonder lief. “Er zijn veel mensen die haken af met dat heen en weer reizen naar de eilanden, want die vervelen zich dood op die boot. Maar voor mij is die wekelijkse reis gewoon een gift, als liefhebber van de zee en de natuur.” Hij herkent de constatering dat bouwplannen vaak een forse impact hebben op de kleine dorpsgemeenschap van het eiland: “Op een gegeven moment speelde hier een bouwplan in het dorp, bij Hotel De Wadden, gelegen tussen de Dorpsstraat en de Waddendijk. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed zag daar mede op toe, als hoeder van het beschermd dorpsgezicht. Ook de welstandscommissie Hûs en Hiem keek mee, het was een plan dat veel discussie opleverde. Ik was zelf bezig met de nieuwe aanpak onder de Omgevingswet en zo kwamen toen meerdere lijnen bij elkaar.” Kleefstra wijst erop dat de gemeente er bij voortduring tegenaan liep dat de wijzigingen aan het Vlielandse dorpsgezicht moesten worden beoordeeld aan de hand van een aanwijzingsbesluit van de RCE uit 1971 (!). “Het dorp wordt er op een prachtige manier in beschreven, maar als je het bijbehorende kaartje bekijkt, dan is het wel ingrijpend veranderd sindsdien. Hoe kun je een zinvolle toets uitvoeren als het besluit zo oud is? Dat moest de RCE ook wel erkennen.”

De tuinen aan de Waddendijk aan de zuidzijde van het beschermd dorpsgezicht van Vlieland.
‘Tuinen Vlieland’ (bron: PeetersenDaan)
De RCE kwam daarop met de suggestie – zijnde zelf al bezig met een actualiseringsslag van de aanwijzingsbesluiten voor de beschermde gezichten – om Vlieland als ‘pilot’ te benoemen voor een meer gebiedsgerichte aanpak. Kleefstra: “De dienst had daar de vorm van het ontwerpatelier voor ontwikkeld. En wij zijn als een van de eersten uitgekozen om die aanpak te testen.” De timing van de pilot kwam goed uit, aangezien Kleefstra nagenoeg gelijktijdig al was gestart met het opstellen van een nieuw kwaliteitskader dat de – eveneens verouderde – welstandsnota moest vervangen. Ook in dit kwaliteitskader konden mogelijk de opbrengsten van de pilot verwerkt worden, zo was vooraf de verwachting bij de gemeente. “Het stedenbouwkundig bureau dat in dit kader bezig was om het Omgevingsplan en het kwaliteitskader op te stellen, heb ik direct voor het RCE-atelier uitgenodigd. En dat gold ook voor het bureau dat voor ons een uitgebreide archeologische en cultuurhistorische verkenning van Vlieland aan het uitvoeren was. Zo hebben we geprobeerd om zoveel mogelijk kennis rondom de karakteristieken van het beschermd dorpsgezicht te bundelen.”
Interessante vraagstelling
De coördinatie van het ontwerpatelier – waarin dus meerdere inhoudelijke lijnen samenkwamen – werd in handen gelegd van PeetersenDaan uit Leeuwarden. De vraagstelling voor Vlieland was een interessante, vindt Berte Daan. “Op meerdere manieren werd er al naar het beschermd dorpsgezicht gekeken. Zo was de gemeente bezig met het Omgevingskwaliteitskader, die als preview ook bij de RCE werd neergelegd, ter beoordeling. Waarop de Rijksdienst concludeerde dat de visie te weinig aansloot op de specifieke waarden die in het beschermd dorpsgezicht kunnen worden aangetroffen. Het abstractieniveau was te hoog, het moest preciezer – aldus de RCE. Alle deelgebieden op het eiland waren in één planologisch regime ondergebracht en werden op dezelfde weegschaal gelegd. Dat bood niet de verfijning die je bij een beschermd dorpsgezicht juist zoekt. Dat proces liep dus al en daar kwamen wij met het ontwerpatelier eigenlijk een beetje in binnenvallen. Maar gelukkig is dat goed gekomen.”

‘Berte Daan en Karin Peeters’ (bron: PeetersenDaan)
In het begin was het vooral een kwestie van zoeken naar de goede rollen voor de betrokken partijen. Karin Peeters: “We hebben de nodige gesprekken vooraf gevoerd om te bepalen: welk proces lopen we nu met elkaar? Dat mondde uiteindelijk uit in een vooronderzoek waarin PeetersenDaan de ontstaansgeschiedenis en het narratief van het eiland nader in beeld bracht. Tijdens het programma voor het atelier, dat al begon op de boot naar het eiland werd met de kennis van diverse specialisten hierop gespiegeld en aangevuld. Zo gaf Lotte Zaaijer van de RCE een korte toelichting op het atelier en de opgave, haar collega Peter Timmer ging in op de complexiteit van de bestaande aanwijzingsbesluiten.” Na aankomst werd het atelier voortgezet in de Nicolaaskerk aan het Kerkplein, waar Berte Daan de landschappelijke analyse (voortbouwend op het aanwijzingsbesluit) deelde en een eerste outline van de ‘Kernwaardenkaart’ voor het beschermd dorpsgezicht toonde.
Beeld van de ontwerpsessie in de kerk van Vlieland.
‘Ontwerpsessie in kerk’ (bron: PeetersenDaan)
Tijdens een lunchwandeling werden drie locaties in het dorp bezocht waar veel ontwikkelingen gaande waren, welke vervolgens in het middagprogramma werden uitgediept: de voor Vlieland zo karakteristieke tuinen bij de Waddendijk (waar vaak ook grotere bijgebouwen in worden gerealiseerd), de noordzijde van het beschermd dorpsgezicht (inclusief de Middenweg met veel bedrijfs- en horecabebouwing) en de tuin bij het Armhuis en omgeving (de intieme plek naast de Nicolaaskerk die veel eilanders als heel ‘eigen’ beschouwen). “In de middag werkten de deelnemers aan het formuleren van ruimtelijke antwoorden op de vraagstukken in deze drie gebieden. Op de boot terug volgde een terugkoppeling vanuit de ontwerpgroepen en werd de eerste richting voor gevende kaders verder aangescherpt.

De drie nader onderzochte deelgebieden: de omgeving van het Armhuis (linksboven), de tuinen aan de dijk (onder) en de noordzijde met de Middenweg.
‘Drie deelgebieden’ (bron: PeetersenDaan)
Na afloop van het atelier heeft PeetersenDaan een vertaling hiervan gemaakt. Berte Daan over de oogst van het atelier: “We hebben de context en opgave van de drie locaties nader geduid, en de locatiespecifieke kernwaarden vertaald naar ‘ruimtelijke principes voor ontwikkeling’. Onze opdracht vanuit de RCE en de gemeente Vlieland was niet om een nieuwe omschrijving voor het beschermd dorpsgezicht te maken. Wij zijn van de inhoud, niet voor de juridische borging – dat kunnen anderen beter. Waar het ons ook om ging was meer de ontwikkelingen op de Waddeneilanden in brede zin in beeld te brengen, hun gevolgen voor het beschermd dorpsgezicht en deze te vertalen naar de ruimtelijke ontwikkelingen binnen het gebied. Het gaat erom een balans te vinden tussen de waarden en kwaliteiten die er zijn en anderzijds het geven van ruimte aan de mensen die er permanent werken en wonen. Wat we wilden ophalen was de liefde voor de plek. En de verhalen daarover die door de generaties worden gedeeld en doorgegeven.”
Andere bril
Over de ontwikkelingsprincipes zegt Peeters: “Juist omdat de druk op de ruimte op een Waddeneiland als Vlieland heel hoog is, luisterde de verwoording daarvan heel nauw. De teksten samen met de schetsen maken duidelijk – en toegankelijk – hoe er in het beschermd dorpsgezicht met behoud en vernieuwing kan worden omgegaan.” Terugkijkend is Jan Kleefstra in ieder geval enthousiast over de gevolgde aanpak: “Met 35 jaar ervaring kijk je op een gegeven moment met een bepaalde bril naar de ruimte. Het is dan juist goed om dan met mensen op te trekken die met een ándere bril naar diezelfde ruimte kijken. Daar kun je heel veel van leren. Je bent met architecten, met cultuurhistorici, met archeologen op pad en die kijken weer heel anders naar een gebied. Dus het verruimt je beeld; je gaat andere dingen zien en andere waarden herkennen. Dat is wel de winst met zo’n atelier.” Als aandachtspunt noemt Kleefstra wel de betrokkenheid van inwoners: “Dat kan zeker nog beter. Er waren wel mensen vanuit de cultuurhistorische vereniging bij het atelier aanwezig, maar ‘gewone’ inwoners nog nauwelijks. Daarvoor is de inhoud voor hen nog te abstract. Zij komen pas in beweging als de buurman of buurvrouw iets gaat bouwen waar ze niet blij van worden. En dan gaat het ineens leven. Daar moeten we dus verder over nadenken: hoe maken we de materie toegankelijker?” Berte Daan vult hierop aan: “Dit was bij de expertsessie in april 2024 inderdaad niet een hele brede groep geweest, maar we hebben een tiental bewoners/ondernemers gesproken tijdens de eerste bijeenkomst in de raadzaal, een maand eerder. Dit liep qua ambities uiteen en de achtergrond van de deelnemers was zeker niet enkel cultuurhistorie-liefhebbers.”
De architect van de nieuwbouw heeft nadrukkelijk het kwaliteitsdocument meegenomen in de analyse
Kleefstra noemt in dit verband een andere ervaring waarbij het wel degelijk lukte om bewoners – in dit geval eigenaren van vakantiehuisjes – bij een gebiedsaanpak te betrekken: “Wij hadden zelf – net voor de organisatie van het ontwerpatelier – al een vergelijkbare exercitie gedaan voor het recreatiewoningenterrein Duinkersoord. Op dat terrein zagen we gebeuren dat bestaande huisjes werden vervangen door nieuwe en daar ontbrak eveneens een overkoepelend toetsingskader. Dus hebben we alle eigenaren van de huisjes erbij betrokken en met hen de keuzes gemaakt voor het kwaliteitsdocument. Hoe willen jullie dat dat terrein er in de toekomst uitziet? Hoe hoog mogen die woningen, welke kleuren moet je hanteren, mag er wel of niet een kelder onder, hoe gaan we het terrein er omheen beheren en mogen er bijvoorbeeld vergunningsvrije schuttingen worden gebouwd worden, ja of nee. Daar konden ze allemaal over discussiëren en uiteindelijk over stemmen, waarna wij het in het kwaliteitsdocument bij het Omgevingsplan hebben vastgelegd. Als je het proces goed organiseert en de participatie goed vormgeeft, kun je dus best ver komen met elkaar.”
Inmiddels zijn de uitkomsten van het ontwerpatelier verwerkt als bijlage in het kwaliteitskader dat de Vlielandse gemeenteraad eind 2025 heeft vastgesteld. “Dat kader functioneert als bescherming van bepaalde waarden die daarin zijn erkend. Die kunnen we straks in het omgevingsplan op regel-niveau nog verder borgen. Inmiddels gebruiken we het kwaliteitskader – inclusief de bijlage – als toetsingskader voor nieuwe bouwplannen.” Een voorbeeld dat Kleefstra daarbij noemt, is de bouw van een nieuw woongebouw op de plek van de voormalige bibliotheek: “De architect van die nieuwbouw heeft nadrukkelijk het kwaliteitsdocument meegenomen in de analyse.” Kleefstra beveelt de werkwijze aan voor andere ‘gevoelige’ plekken in Nederland: “Ik denk sowieso aan een toepassing bij beschermde gezichten. Maar ik denk dat het ook voor andere opgaven geschikt is, op plekken waar erfgoedwaarden in het geding zijn.”
Het ontwerpatelier op Vlieland is uitgevoerd door bureau PeetersenDaan en vertaald in het document ‘Input kwaliteitsdocument beschermd dorpsgezicht Vlieland’, dat inmiddels is vastgesteld door de gemeente Vlieland.
Cover: ‘Kerkplein’ (bron: PeetersenDaan)







