platform voor kennis, nieuws en debat
platform voor kennis, nieuws en debat
Column

Het vak verandert, de opgaven blijven

Het vak verandert, de opgaven blijven

22 mrt 2013 - Organische gebiedsontwikkeling, faciliterende overheid, bottum up initiatieven, nieuwe verdienmodellen, 2.0 en 3.0, spontane steden, procesomkering, en zo nog vele termen domineren artikelen in vakbladen, columns op internet en scripties op universiteiten. In korte tijd is een nieuw vakjargon geboren. De vraag hierbij is of het alleen om een jargonverandering gaat, of dat het vak zelf verandert. Dat wil zeggen de manier waarop we het beoefenen en de opgaven waaraan we werken. Friso de Zeeuw gaf onlangs in Rooilijn (nr. 6, 2011) een buitengewoon heldere en complete schets van de geschiedenis van het vakgebied gebiedsontwikkeling.

De Zeeuw start zijn tijdslijn daarbij rond de jaren zeventig, waar we (naar zijn zeggen) in Nederland voorzichtig gestart zijn met het denken over en werken aan grotere opgaven op een meer multidisciplinaire en integrale wijze. De periode tot de jaren negentig beschrijft hij als de moderne tijd, waarbij het vak gebiedsontwikkeling echt gestalte krijgt en zich nieuwe vaste manieren van werken en samenwerken aandienen. Daarop volgde een fase van grote bloei in de jaren negentig en begin 2000. De concurrentie nam toe, de voorstellen buitelden over elkaar heen. Totdat de economische context ineens fors wijzigde. De periode vanaf 2008 geeft een kentering te zien en wordt beschreven als fase van herbezinning. De Zeeuw schrijft hierover in meerdere van zijn vele columns dat de verwarring groot is onder vakgenoten. Een ieder, van Rijk, provincie en gemeentelijke overheid tot corporatie, ontwikkelaar en adviseur is op zoek naar een nieuwe definitie van het vakgebied en haar eigen rol daarin.

Op een vergelijkbare wijze beschrijft Merel Putman in haar MCD scriptie (2010) de ontwikkeling van het vakgebied gebiedsontwikkeling vanuit het perspectief van de projectontwikkelaar. Ze gebruikt hiervoor het model van Johnson c.s. uit 2008, voor de beschrijving van de levenscyclus van industrieën. Ze typeert de jaren negentig als groeiperiode en, na een korte shake-out fase van 2001 tot 2003, de jaren 2000 als volwassen marktsituatie. De periode vanaf 2008 typeert ze als periode van neergang. Een beeld van wanneer en hoe dat eindigt en waarin dat weer overgaat ontbreekt logischerwijs. De Zeeuw en Putman beschrijven een vergelijkbaar proces, de naamgeving van perioden en precieze overgangsmomenten verschillen iets, maar in hoofdlijnen is hun pleidooi dat vanaf de jaren negentig tot 2008 een modern en volwassen vakgebied is ontstaan.

Toch zou ik de stelling aan willen dragen dat het vakgebied gebiedsontwikkeling nog niet in een volwassen situatie is beland. Ik zou de onstuimige groei van het vak in de jaren negentig als pubertijd typeren en de horten en stoten die we vandaag ervaren als adolescentie. En daarmee, ondanks dat momenteel bepaalde organisaties, projecten en personen behoorlijk harde tikken krijgen, eigenlijk niets om je echt zorgen over te maken. Mijns inziens hoort de zoektocht binnen het vak naar nieuwe strategieën, nieuwe rollen en een andere aanpak, aangewakkerd door het huidig economisch klimaat, simpelweg bij deze fase.

De opleiding Master City Developer (MCD) bestaat dit jaar tien jaar. En dus gestart in de beginjaren 2000. De MCD was de eerste opleiding binnen Nederland in het vak stedelijke gebiedsontwikkeling en heeft zich ontwikkeld tot topopleiding. De eerste jaren waren echte pioniersjaren. Een zoektocht naar theoretische modellen van voldoende kritische hardheid, een zoektocht naar best practices, feitelijk gerealiseerde gebiedsprojecten waar heldere analyses van inhoud en proces gemaakt konden worden. Ze waren er simpelweg nog niet. Zelf heb ik de tweede leergang van de MCD doorlopen. Samen met de programmaleiding, een groeiend kerndocenten corps en de cursisten, werd aan de inhoud van het programma gekneed. Een fase waarin sommige denkmodellen meer en meer van vaste waarde bleken in een nog piepjong vak.

Al ver voor de marktkentering van 2008 werd de grootschalige en volledig integrale, tabula rasa aanpak van gebiedsprojecten kritisch bevraagd. Een voorbeeld hiervan is een column van mijzelf in Building Business in 2005 “Integrale planvorming kent grenzen”. Hierin schrijf ik: ‘ Ik pleit daarom voor een nieuwe manier van denken. (…) Geef meer ruimte aan spontaniteit en pragmatisme. Geef met een soort speldenkussenaanpak hier en daar kleine prikjes om een gebied op gang te brengen om zo uiteindelijk het grotere geheel te laten ontstaan. Dat betekent uiteraard dat het eindresultaat anders wordt, maar deze aanpak sluit veel meer aan op de complexe wereld waarin we leven dan het blauwdrukdenken…Met het loslaten van dat eindbeeld hebben velen moeite.’

Eerder nog, in 2002 schreef ik in samenwerking met DEGW van John Worthington een strategisch beleidsdocument voor mijn toenmalige werkgever, waarin we spraken van een incrementele benadering van gebiedsontwikkeling, stapsgewijs, meer vanuit het bestaande denkend.

Alhoewel het nieuwe jargon nog veel op dat van tien jaar geleden lijkt, lijken sommige aspecten van die nieuwe manier van denken en werken in de praktijk te beklijven. Op veel plekken in het land worden in plaats van grote stedenbouwkundige plannen meer strategische documenten gemaakt: essentiekaarten (Tudorpark Hoofddorp, Bloemendalerpolder, Rijnenburg Utrecht, Drielanden Harderwijk), flexibele raamwerken (zoals in Helperpark Groningen), plannen die meer flexibel zijn, uitgaan van stapsgewijze aanpak, slimmer cashflow management, et cetera. Ook de relatie met de eindgebruiker tijdens het gehele proces verandert langzaam maar zeker. Projecten als Nieuw Leiden, Almere Poort en Cruqius Amsterdam zijn de nieuwe voorbeelden hiervan.

Moeilijker vinden we het nog om in al dit nieuwe denken een nieuwe vorm voor het neerzetten van een inhoudelijk toekomstperspectief te vinden. Verleidelijke verhalen, beelden en strategieën komen weinig van de grond. De angst om te vervallen in het spook van eindbeelden en blauwdrukken is groot.

Als je goed kijkt, zie je dat het vakgebied verandert. Het is common sense geworden dat partijen het hebben over crowd sourcing, place making strategieën, tijdelijke strategieën, cpo , flexibele raamwerken in plaats van stedenbouwkundige masterplannen. De drukte hierover in publicaties is groot. Het ongeduld ook; soms nemen pleidooien voor nieuwe aanpakken welhaast vormen van diepgelovige missionarissenpreken aan.

Gebiedsontwikkeling als vak, de kunst van het stad maken zoals Landry schreef (Landry, The Art of City Making, september 2006), is jong en zit in een uiterst turbulente periode op weg naar volwassenheid. Het is geenszins dood. De opgaven waar onze stedelijke economie voor staat zijn immers nog altijd gebiedsopgaven. Of het nu gaat om herontwikkeling van oude stadswijken, verlaten kantoorgebieden, oude binnenhavens, grote stadsrandzones of jaren 80 bloemkoolwijken, de opgaven zijn gebiedsgericht. Of je het nu leuk vindt of niet, er zijn altijd meerdere partijen bij betrokken, niemand kan het alleen. Ook de relatie tussen beleid op stads- en regioniveau blijft van invloed en tegelijkertijd wordt de wens van de individuele eindgebruiker meer vanaf de start geïntegreerd in project en proces. Ik wil zelfs stellen dat de opgave om verschillende dossiers aan elkaar te koppelen (integraal werken) nog groter wordt. Nu er minder geld is vanuit ruimtelijk – vastgoed perspectief, zullen voor haalbare businesscases andere bronnen en programma’s betrokken moeten worden, zoals bijvoorbeeld energie, water, zorg en onderwijs. Landry schreef terecht: ‘City making is an art, not a formula. The skills required to re-enchant the city are far wider than the conventional ones like architecture, engineering and land-use planning. There is no simplistic, ten-point plan…’

Zie ook

Auteur

Portret - Geurt van Randeraat
Geurt van Randeraat

Juryvoorzitter NRP Gulden Feniks / Eigenaar SITE Stedelijke Ontwikkeling

Bekijk alle artikelen
Blijf op de hoogte