Artikel
Oostende

Koudwatervrees voor Belgische toestanden

Omgevingswet zet keuze op scherp

Door Thijs Sommers

11 jun 2018 - Met de invoering van de Omgevingswet is minder regels en meer ruimte voor initiatieven het nieuwe mantra. Maar moet nu alles anders met de invoering van de Omgevingswet of is het de zoveelste vage cultuurverandering die zomaar eens kan leiden tot ‘Belgische’ toestanden? In deze bestuursperiode moet het voor gemeenten allemaal gebeuren. Ga er als bestuurder maar aan staan! Thijs Sommers vindt dat we best wat van die Belgische toestanden kunnen gebruiken om de keuzes voor de toekomst scherp te krijgen.

Spanningsveld 

Op basis van de filosofie van de Omgevingswet kunnen we stellen dat niet zozeer de wettelijke voorschriften, maar de manier waarop hier invulling aan wordt gegeven bepalend zal zijn voor het behalen van achterliggende doelen. In dit opzicht lijken al te hooggespannen verwachtingen over een paradigmawisseling niet op zijn plaats. Dezelfde samenleving die ruimte wil voor initiatief, vraagt namelijk van de overheid de nodige inspanningen om beschermd te worden tegen risico’s op negatieve effecten die initiatieven van anderen met zich mee kunnen brengen. Beleidsmakers zijn hier gevoelig voor omdat ze ook persoonlijk worden afgerekend wanneer ze falen. Regels bieden, doordat ze de beslisruimte beperken, ook bescherming voor diezelfde beleidsmakers. Er zijn tal van voorbeelden waarbij incidenten in het fysieke domein door beleidsmakers meteen worden beantwoord met het introduceren van nieuwe regels, ook wel aangeduid als de risicoregelreflex[1]. Die vele en complexe regels die er nu zijn, hebben beleidsmakers toch echt zelf gecreëerd.

“Te hooggespannen verwachtingen van een paradigmawisseling”

Met de implementatie van de Omgevingswet staan beleidsmakers/bestuurders zelf aan de lat om hier verandering in aan te brengen en daarmee invloed uit te oefenen op de impact van de Omgevingswet. Hierbij kunnen vragen centraal staan, zoals: hoeveel vrijheid bent u bereid te geven? en welke zekerheden willen we behouden? Deze vragen zijn alleen makkelijker gesteld dan beantwoord, want de praktijk is weerbarstig. Deze vragen hebben immers betrekking op het spanningsveld tussen rechtszekerheid en flexibiliteit.

Belgische toestanden 
Illustratief voor de weerbarstige praktijk is het voorstel van de vorige minister Melanie Schultz van Haegen om meer ruimte te bieden voor bebouwing langs de kust. Geheel in lijn met de filosofie van de Omgevingswet wilde de minister initiatieven centraal stellen in plaats van de vraag ‘mag het wel?’. De afweging zou hierbij worden neergelegd bij de provincies en gemeenten. Na enorme discussie, onrust en vrees voor ‘Belgische toestanden’ is het plan in allerijl weer ingetrokken[2]. Een huiveringwekkender toekomstbeeld dan België lijkt er bijkans niet te bestaan. Hier zijn wel wat nuanceringen op zijn plaats. Ten eerste ligt het niet in de lijn der verwachting dat provincies en gemeenten, ondanks een versoepeling van het rijksbeleid, overal maar bebouwing toe zullen staan. Er zijn verschillenden redenen, zoals het waarborgen van kwaliteit en het vermijden van risico’s, waardoor restrictief beleid nog steeds aantrekkelijk zal blijven.

“Een terugtrekkende overheid staat nog niet gelijk aan een visieloze overheid zonder regie”

Ten tweede worden Belgische toestanden nogal eens overdreven, of zoals de voormalige directeur van het Vlaams-Nederlands Huis het bloemrijk heeft verwoord: ‘Als het écht zo lelijk is, waarom komen er dan zoveel Nederlanders in roze en pistache truien de grote Jan uithangen in Knokke?’[3]

Ten derde lijkt het in de praktijk wel mee te vallen met die Belgische toestanden op het moment dat regels worden versoepeld. Strenge welstandeisen zijn bijvoorbeeld in veel gemeenten al niet langer de norm, maar eerder een uitzondering. De grote vrees voor Belgische toestanden bleek hierbij veelal niet terecht. Tot slot is het in plaats van retoriek over Belgische toestanden veel interessanter om te kijken waar België op het gebied van de fysieke leefomgeving mee bezig is en daar lering uit te trekken.

Chinese toestanden 
Waar Nederland vreest voor Belgische toestanden, vreest België voor Chinese toestanden.
In 1976 was nog maar 7,2 procent van de Vlaamse ruimte verhard of versteend. In 2014 was dit al 33 procent. Als dit zo doorgaat, vreest secretaris-generaal Peter Cabus voor ‘Chinese toestanden’ met overstromingen in stedelijke gebieden, smogalarmen en nog langere files[4]. Het lijkt dus logisch dat men bij deze Belgische – bijna Chinese – toestanden de fysieke leefomgeving strakker wil reguleren. Het tegendeel is echter het geval. Met het nieuwe ruimtelijk beleid laat de Vlaamse overheid het allesomvattende en sterk regulerende karakter juist achter zich, waarbij de rol verschuift van regulator naar voorwaardenscheppend[5].

Ook in Vlaanderen is er in dit opzicht sprake van een terugtrekkende overheid, maar dat staat in dit geval niet gelijk aan een visieloze overheid die geen regie meer heeft. De Vlaamse overheid heeft juist een duidelijke integrale visie en durft hierbij ook scherpe keuzes te maken. Er wordt bijvoorbeeld vol ingezet op transformatie en vernieuwing van het bestaande ruimtebeslag. Een van de strategische doelstellingen is dat er in 2040 netto geen ruimtebeslag meer mag bijkomen. Dit soort keuzes vraagt volgens de Vlaamse overheid om een aanpak die een stuk complexer is dan de ‘oude’ uitbreidings- en bestemmingsaanpak en juist om minder regulering ten aanzien van de herontwikkeling van het bestaand ruimtebeslag.

Rolopvatting
Als we met Belgische toestanden alles bedoelen wat er op het gebied van ruimtelijke ontwikkeling mis kan gaan, dan hoeven we met de komst van de Omgevingswet niet zo bang te zijn. Allereerst lijkt het met die Belgische toestanden niet zo’n vaart te lopen. Bovendien is er onder de nieuwe wet nog steeds de mogelijkheid om streng restrictief beleid te voeren. In bepaalde gevallen, zoals een historisch stadscentrum, kan dit een heel legitieme keuze zijn. In veel andere gevallen moet de vraag gesteld worden, of al die stringente regels echt nodig zijn of dat we door de angst voor Belgische toestanden wat al te snel toegeven aan de risicoregelreflex.

Het vinden van de balans tussen ruimte voor ontwikkeling en waarborgen van kwaliteit is bij uitstek de opgave voor decentrale bestuurders. Een betere balans zal in bepaalde gevallen om minder regulering vragen, maar zal vooral om een ander soort kaders vragen. Scherpe keuzes zullen hierin ook nodig zijn. Het Vlaamse beleid met betrekking tot het tegengaan van verstening is een goed voorbeeld van een duidelijk kader op hooflijnen dat juist vraagt om meer flexibiliteit op andere niveaus. Dat betekent dat we hiermee tevens de rolopvatting van de overheid kritisch tegen het licht moeten houden.

Bronnen

[1] Tol, J.H., I. Helsloot & F.J.H. Mertens (red.) (2011), Veiligheid boven alles? Essays over oorzaken en gevolgen van de risicoregelreflex, Den Haag: Boom Lemma uitgevers

[2] https://www.nrc.nl/nieuws/2016/01/21/schultz-bouwverbod-in-kustgebied-blijft-gehandhaafd-a1409954

[3] https://www.volkskrant.nl/economie/-als-je-naar-de-zee-kijkt-zie-je-die-flats-niet~a4223307/

[4] https://www.tijd.be/opinie/analyse/Verstenend-Vlaanderen-kan-geen-ruimte-blijven-aansnijden/9321055

[5] https://www.vlaanderen.be/nl/publicaties/detail/witboek-beleidsplan-ruimte-vlaanderen

Dit item verscheen eerder op romagazine.nl

Auteur:

Thijs Sommers
Thijs Sommers

Adviseur Ruimte & Projectleider bij BMC Implementatie

Recente artikelen