Onderzoek Hanneke Stenfert reisde eerder al naar Chili en Japan om internationale voorbeelden van co-creatie te bestuderen en zo het co-creatieve vakgebied te versterken. Afgelopen jaar reisde de architect naar Zweden. Ook hier ging ze op zoek naar de ruimte voor directe invloed van burgers op hun leefomgeving. En dat in een land dat bekend staat om de sterke democratische, inclusieve traditie.
De woningmarkt in Zweden hapert. Koopwoningen zijn duur en een wachttijd van twintig jaar voor een huurwoning is geen uitzondering. Het systeem dat ‘huizen voor iedereen’ belooft, kraakt in zijn voegen. Dat zet architecten, onderzoekers én inwoners aan tot eigen initiatief: het aantal groepen dat droomt van nieuwe manieren van wonen en ontwikkelen groeit. Maar in de praktijk blijkt dat verdraaid lastig, zo ontdek ik op mijn rondreis door Zweedse dorpen en steden, in gesprek met experts en initiatiefnemers. Want hoewel de Zweedse democratie haar burgers al decennialang stevig vertegenwoordigt, is de ruimte voor directe invloed klein. In het land dat bekendstaat om inclusiviteit en gelijkwaardigheid, is een co-creatieve praktijk opvallend schaars.
Hanneke Stenfert won in 2019 de Marina van Dammebeurs met haar plan om internationale voorbeelden van co-creatie te bestuderen en zo het co-creatieve vakgebied te versterken. Over haar twee eerdere reizen schreef ze al eerder op Gebiedsontwikkeling.nu. In 2020 bezocht ze Chili, in 2023 reisde ze naar Japan. Zweden is haar derde bestemming.
Zweedse huurwoningen zijn voor iedereen. Gemeentelijke woonbedrijven – die het merendeel van de huurwoningen ontwikkelen en bezitten – bouwen vanuit het idee van gelijkwaardigheid voor alle doelgroepen. Daarom is er geen inkomenstoets: wie bovenaan de wachtlijst staat, krijgt de woning, ongeacht het inkomen. De huren blijven relatief betaalbaar doordat verhuurders en huurdersorganisaties jaarlijks onderhandelen over de prijzen. Het systeem is gestoeld op de overtuiging dat betaalbare huisvesting toegankelijk moet zijn voor iedereen, omdat onderscheid op basis van inkomen als stigmatiserend wordt gezien.
Een haperend systeem
Maar in de huidige realiteit loopt dit model vast. In de steden zijn de wachttijden voor huurwoningen zo lang dat ouders hun pasgeboren baby’s inschrijven in de hoop dat er twintig jaar later een woning beschikbaar is. Kopen is voor veel mensen geen alternatief, omdat de koopprijzen wél met de markt meestijgen. Vooral Zweden met een kleinere portemonnee vallen buiten de boot. Het haperende top-down systeem zet onderzoekers, architecten en inwoners aan tot het zoeken van alternatieven. Het aantal groepen dat zelf wil ontwikkelen en bouwen is de afgelopen jaren sterk gegroeid. Met een stevige democratische traditie in het DNA van de Zweedse samenleving zou je verwachten dat er volop ruimte is voor ideeën van inwoners zelf. Maar in de praktijk blijkt die ruimte verrassend klein.

‘Overzicht Stockholm’ (bron: Hanneke Stenfert)
De opkomst van de moderne democratie was in Zweden aanvankelijk juist de motor van allerlei nieuwe vormen van initiatief, ook op het gebied van bouwen en wonen. Er werd gestreefd naar emancipatie van arbeiders, vrouwen en minderheden. Er werden zelfbouwprogramma’s opgezet, zodat arbeiders tegen goedkope leningen een eigen woning konden bouwen. En er ontstonden collectieve woongebouwen, kollektivhus, om met name vrouwen meer ruimte te geven. Gezamenlijk betaald personeel (om te koken, op kinderen te passen, schoon te maken en de was te doen) stelde vrouwen in staat buiten de deur te werken, ook als ze trouwden en kinderen kregen.
De emancipatie die de zelfbouwprogramma’s en de collectieve woonvormen ooit dreef, droeg echter ook bij aan hun verdwijning. Naarmate de arbeidersklasse er beter bijzat en vrouwen meer individuele vrijheid kregen, was het stimuleren van zelfbouw of collectief initiatief nauwelijks meer nodig. Kinderopvang werd door de overheid geregeld, huishoudelijke taken werden geautomatiseerd. De emancipatie was geslaagd; de noodzaak tot eigen of collectief initiatief gedoofd. En perspectieven van groepen als kinderen en mindervaliden werden ook de decennia erna meer en meer verankerd in planvorming en regelgeving. Maar: hoe uitgebreider het inclusieve beleid, hoe minder ruimte er overbleef voor afwijking, creativiteit en daarmee voor initiatief van onderop.
Initiatieven om het anders te doen
En dit is precies waar initiatiefnemers vandaag de dag tegenaan lopen. Verrassend genoeg lijkt daarmee het sterke democratische fundament van Zweden de directe betrokkenheid van inwoners te belemmeren. Veel is zorgvuldig vastgelegd, waardoor de ruimte voor experiment, afwijking of collectieve creativiteit klein blijft. Inspraak is stevig geïnstitutionaliseerd: Zweden worden gehoord, maar niet vaak uitgenodigd aan de ontwerptafel. Het is een opmerkelijke paradox: in een land dat bekendstaat om inclusiviteit en gelijkwaardigheid, is een co‑creatieve praktijk juist opvallend schaars. De stokkende woningmarkt doet echter door het hele land vuurtjes aanwakkeren om tóch zelf aan de slag te gaan. De belangstelling voor collectief wonen, zelfbouw en bottom‑up ontwikkelingen groeit opnieuw. Op verschillende plekken proberen Zweden te laten zien dat het wél kan.

Perspectieven van groepen als kinderen en mindervaliden worden meegenomen, maar deze groepen worden vaak niet direct betrokken.
‘Speeltuin Zweden’ (bron: Hanneke Stenfert)
Bijvoorbeeld door de herontdekking van collectief wonen en ontwikkelen. In Zweden is het heel gebruikelijk dat mensen samen eigenaar zijn van hun woningen. Vrijwel alle koopappartementen zijn eigendom van een bostadsrättsförening, een soort vereniging van eigenaren. De leden van de vereniging kopen elk het recht om in één van de appartementen te wonen en betalen gezamenlijk de kosten voor beheer en onderhoud. Maar het collectief ontwikkelen van woningen, zoals we dat in Nederland kennen bijvoorbeeld in de vorm van een wooncoöperatie of collectief particulier opdrachtgeverschap, is nagenoeg geen onderdeel van de Zweedse bouwcultuur. Gemeentelijke woonbedrijven en commerciële ontwikkelaars domineren de markt en bouwen het aanbod. Ontwikkelaars dragen hun ontwikkelde vastgoed in enkele jaren na oplevering over aan de bostadsrättsförening, waarmee bewoners gezamenlijk eigenaar worden.
Collectief wonen
De geschiedenis van Zweden kent allerlei voorbeelden van collectief wonen, maar ook hierin was weinig aandacht voor het collectief ontwikkelen van deze woonvormen. De eerste Zweedse kollektivhus ontstonden in de jaren 30 van de vorige eeuw om vrouwen meer ruimte te geven. In een van de eerste voorbeelden uit 1935 in Stockholm ontwierp de architect, Sven Markelius, liften voor maaltijden die vanuit een centrale keuken naar de relatief kleine individuele appartementen – zonder keuken – werden getransporteerd. Er volgden andere vergelijkbare projecten, waaronder Hässelby familjehotell in de jaren 50 met ruim 300 appartementen en gedeelde functies als een restaurant, kinderopvang, sportruimte, kapper, wasservice en een meditatieruimte.

‘Huisjes aan de westkust van Zweden’ door Kedardome (bron: Shutterstock)
Alle collectieve woongebouwen berustten op het concept dat individuele huishoudens wat ruimte inleveren ten behoeve van collectieve ruimtes, waardoor de huur- of koopprijs van de woningen vergelijkbaar blijft. Op deze manier werden er zo’n 50 collectieve woonprojecten ontwikkeld tot in de jaren 80. Opvallend is dat veruit de meeste woongebouwen werden ontwikkeld door particuliere vastgoedeigenaren en later ook gemeentelijke woningbouworganisaties. Er zijn slechts twee voorbeelden waarbij bewoners zélf betrokken waren in de fase van ontwikkeling.
De Zweedse collectieve woongebouwen leunden vooral op de collectieve organisatie van het wonen, meer dan op een gedeelde manier van leven of gemeenschapsgevoel. Dit maakte de gedeelde faciliteiten ook kwetsbaar. Naarmate het ontzorgen van bewoners minder nodig werd, sloten gebouweigenaren de centrale keukens en andere voorzieningen. Slechts een klein deel van de bewoners nam het heft zelf in handen en ging de gedeelde voorzieningen zelf organiseren, bijvoorbeeld door zelf te koken in de restaurantkeuken. Een groot deel van de kollektivhus werd na de jaren 80 weer ‘gedecollectiviseerd’.
Weinig ruimte voor afwijking en creativiteit
Karin Kjellson is architect en mede-oprichter van TIP Arkitekter, een ontwerp- en onderzoeksbureau in Stockholm dat actief zoekt naar manieren om betrokkenheid van mensen in de architectuurpraktijk te vergroten, vanuit de wens om te bouwen aan een leefomgeving die meer bijdraagt aan de leefbaarheid van buurten en meer aansluit bij behoeften van mensen. Ze ervoer zelf hoe de huidige ontwikkel- en bouwpraktijk weinig ruimte laat voor diversiteit. Zo maken de eisen aan woningplattegronden alternatieve woontypologieën lastig. Ook laten de minimaal vereiste woninggroottes in de huidige markt weinig ruimte voor het inleveren van individuele ruimte ten behoeve van collectieve voorzieningen. Kjellson: “Ik heb jarenlang woningontwerpen gemaakt voor ontwikkelaars en gemeentelijke woningbedrijven. Maar daar was ik helemaal klaar mee. Je weet van tevoren al hoe de plattegronden gaan worden, er is nauwelijks variatie mogelijk.”
De ‘co’ van co-creatie ontstaat wanneer plannenmakers en lokale initiatiefnemers elkaar niet alleen horen, maar van elkaar leren en eigenaarschap durven delen
Om te ervaren wat zelf ontwikkelen van bewoners vraagt, besloot Kjellson zelf een nieuwe woonplek te ontwikkelen. Samen met een bevriend gezin viel hun oog op een oude woning in Mälarhöjden, een buitenwijk van Stockholm. Het oude huis bood voldoende ruimte om uit te breiden en extra woningen bij te bouwen; de perfecte plek om een byggemenskap voor meer dan één gezin te maken. Toch duurde het jaren voordat zij haar plan ook echt van de grond kreeg. Gezamenlijke financiering bleek onmogelijk, ze moest het huis individueel kopen. Vervolgens ging ze de strijd aan met het systeem om er alsnog een collectieve ontwikkeling van te maken. Uiteindelijk was er één bank die het plan wilde financieren, waardoor de aangekochte woning getransformeerd kon worden tot plek voor zes woningen. Het oude huis is gerenoveerd en inmiddels de thuisbasis van Kjellson en haar gezin.

Architect Karin Kjellson van TIP Arkitekter bij haar collectief ontwikkelde woningen in Stockholm.
‘Karin Kjellson’ (bron: Hanneke Stenfert)
Ondanks alle hobbels, smaakt het collectief ontwikkelen wel naar meer, geeft Kjellson aan. Ze ziet kansen juist in buitenwijken zoals deze. “Er wonen veel mensen die op leeftijd raken, soms zijn ze eenzaam. Ik denk dat best veel mensen ervoor openstaan om hun kavel te delen met meerdere huishoudens. Dit soort ontwikkelingen past bij de karakteristieke architectuur van dit soort Zweedse buitenwijken en het collectieve karakter versterkt de sociale samenhang in de buurt.”
Betaalbaarheid en betrokkenheid
Zelf de handschoen oppakken is ook wat de bewoners van het eiland Tjörn hebben gedaan. Hier in de Egnahemsfabriken, de ‘eigen-huis-fabriek’, kunnen toekomstige bewoners zélf hun woning ontwerpen en bouwen. Zo bieden de initiatiefnemers een alternatief voor mensen die nauwelijks kans hebben op de vastgelopen Zweedse woningmarkt. In de huidige Zweedse woningmarkt staat de betaalbaarheid van huizen enorm onder druk en de destijds vanzelfsprekende cultuur van zelf bouwen is vrijwel geheel verdwenen. Net als in Nederland zijn de woningprijzen torenhoog en wachtlijsten voor huurwoningen eindeloos lang.
Jenny Stenberg, onderzoeker aan de universiteit van Göteborg en mede-oprichter van de Egnahemsfabriken, heeft haar gehele loopbaan gewijd aan manieren om het huidige systeem te doorbreken en gewone Zweden opnieuw onderdeel te maken van het ontwerp en de bouw van de woningvoorraad en zo meer routes naar een eigen huis mogelijk te maken. Ze ontwikkelde en verfijnde door de jaren heen een methode die mensen de mogelijkheid geeft zelf hun woning te ontwerpen en te bouwen, met ondersteuning van vakmensen. De methode bestaat inmiddels uit 12 stappen, van het analyseren van de toekomstige woonplek, het nadenken over indeling en privacy, het bouwen van een maquette, tot de voorbereiding van de daadwerkelijke bouw.

‘Moderne appartementen in Angelholm, Zweden’ door VeugerStock (bron: Shutterstock)
Het is deze methode die bij de Egnahemsfabriken in de praktijk wordt gebracht. Een team van 14 mensen, dat onder andere bestaat uit architecten en timmerlieden, is beschikbaar om toekomstige bewoners te ondersteunen. De architecten helpen in de ontwerpfase om tot een ontwerp te komen dat bij de ideeën van de toekomstige bewoners past, maar ook voldoet aan de eisen die de Zweedse wet (ook aan kleine woningen) stelt. De timmerlieden leren de bewoners vervolgens de basisvaardigheden die nodig zijn voor de realisatie van het ontwerp. Willen de bewoners iets meer hulp? Dan kunnen de timmerlieden ingehuurd worden om mee te bouwen. Zo hebben mensen zelf in de hand wat de ontwikkeling van hun tiny house kost.
Bouwen als doel en middel
Naast de begeleiding van mensen die hun eigen tiny house willen bouwen, bestaan de activiteiten van de Egnahemsfabriken uit onderzoek en onderwijs. Er zijn lesprogramma’s ontwikkeld voor vakscholen. Studenten ontwerpen en bouwen in een aantal weken gezamenlijk een project. Deze onderwijsprojecten zijn verspreid over het terrein terug te vinden. Een stal voor de paarden, een schuur voor de schapen, een ruimte om samen te eten, een grote pizzaoven, een buitenbar voor festiviteiten. Ook bouwen de studenten voor opdrachtgevers buiten de Egnahemsfabriken.
De ogenschijnlijk vanzelfsprekende openheid voor een brede blik vanuit meerdere oogpunten op ontwerp is inspirerend
De kern van de Egnahemsfabriken is voor Stenberg “de verschuiving van macht.” Van de ontwerper en de bouwer naar de bewoner. Zo voorziet de werkwijze niet alleen in ontwerp- en bouwvaardigheden, maar leren mensen ook machtsdynamieken onder architecten en aannemers herkennen. “Een voorbeeld van zo’n machtsdynamiek is een ontwerper of aannemer die zegt ‘dit kan niet,’ zonder uit te leggen waarom. Dat is – bewust of onbewust – een manier om macht bij zichzelf te houden. Door hiervan bewust te zijn als bewoner sta je dan niet met een mond vol tanden, maar kun je een weerwoord bieden waardoor de machtsbalans weer gelijkwaardig wordt.”
Strijden voor de toekomst
De ervaringen op Tjörn hebben afgelopen jaren waardevolle lessen opgeleverd over wat werkt en niet werkt. Er is inmiddels een overkoepelende stichting die het concept ook op andere plekken in Zweden van de grond probeert te krijgen, waaronder in Malmö.
Maar ook op Tjörn zijn er nog voldoende uitdagingen voor verdere ontwikkeling. Het is een blijvende strijd om met de combinatie van zelfbouw, onderwijs en onderzoek elk jaar weer voldoende financiering binnen te halen om het team van architecten, timmerlieden en jeugdwerkers aan het werk te houden, zo geeft Stenberg aan.
Een ander punt is de beschikbaarheid van locaties voor de opgeleverde tiny houses. Stenberg: “Ook dit is nog een lastig punt. Op de plek van de Egnahemsfabriken mag niet gewoond worden. Mensen mogen dus niet blijven als hun woning af is. Maar het is ontzettend lastig om stukjes grond te bemachtigen voor bewoners. We zijn met de gemeente in gesprek of we deze plek van ze kunnen kopen om er ook te kunnen wonen. Maar niet elke lokale politicus is fan. Met name omdat onze gemeenschap ook vluchtelingen helpt. De Zweedse politiek is de afgelopen jaren naar rechts opgeschoven, waardoor niet iedereen zich aan ons initiatief wil verbinden. Bovendien zien mensen vooral de chaos, niet altijd wat het oplevert.”
Juiste balans
Zweden heeft me laten zien hoe perspectieven van diverse groepen in de samenleving structureel meegenomen kunnen worden in het maken van ruimtelijke plannen. Ik sprak in mijn diverse bezoeken en gesprekken over verplichte ontwerpinstrumenten voor kindvriendelijke buitenruimtes, over regels die maken dat vrijwel alle woningen ook geschikt zijn voor mindervaliden en over ‘ontwerpanalisten’ die beoordelen of plannen doen wat ze gebruikers beloven. De ogenschijnlijk vanzelfsprekende openheid voor een brede blik vanuit meerdere oogpunten op ontwerp is inspirerend.
Hoe vind je de juiste balans tussen representatieve besluitvorming en directe invloed van burgers?
Tegelijkertijd wordt duidelijk dat deze geïnstitutionaliseerde aanpak soms ook knelt. Oprechte interesse in het perspectief van gebruikers of omwonenden kan snel vervallen tot het afvinken van lijstjes, zoals ook participatie in Nederland met regelmaat als een ‘moetje’ wordt ervaren. Het maakt de ruimte voor directe invloed kleiner; ruimte die vaak juist noodzakelijk is bij initiatieven van inwoners zelf, zoals de initiatieven van Karin Kjellson en Jenny Stenberg. De uitdaging voor landen met een sterke democratische traditie is dan ook: hoe vind je de juiste balans tussen representatieve besluitvorming en directe invloed van burgers? Want de ‘co’ van co-creatie ontstaat wanneer plannenmakers en lokale initiatiefnemers elkaar niet alleen horen, maar van elkaar leren en eigenaarschap durven delen.
Dit is een bewerkte versie van een reeks artikelen die eerder op de website van Open Kaart verscheen.
Cover: ‘Appartementen in Stockholm, Zweden’ door Zakk Bezz (bron: Shutterstock)









