Verslag De Omgevingswet zou moeten leiden tot minder onderzoekslasten en meer vertrouwen in de bestuurlijke afweging, maar de praktijk blijkt weerbarstig. Tijdens de zesde Thematafel Omgevingswet en transformatiegebieden van de Stichting Kennis Gebiedsontwikkeling (SKG) stond de vraag centraal hoe gemeenten, ontwikkelaars en adviseurs omgaan met onderzoekslasten onder de Omgevingswet in transformatiegebieden.
De zesde thematafel werd door Fred Hobma (TU Delft) geopend met een herkenbare constatering: vrijwel iedereen die werkt aan binnenstedelijke transformaties loopt tegen dezelfde dilemma’s aan. Bestaande bedrijven die hun milieuruimte willen behouden, woningbouwambities die onder druk staan door geluid, geur of veiligheid en een ingewikkeld juridisch kader. Daarbij hebben onderzoeken (en tegenonderzoeken) een steeds belangrijkere plaats gekregen, zowel ter onderbouwing van de plan- en besluitvorming als in de rechtszaal. De centrale vragen tijdens de bijeenkomst waren: herkennen we deze problematiek in de praktijk, wat doen we inmiddels anders onder de Omgevingswet en waar liggen de kansen en beperkingen van het nieuwe stelsel? Met experts uit de praktijk bespraken we hoe in gebiedsontwikkeling de onderzoekslasten, beperkt, gefaseerd, opgeschaald en bekostigd worden. Daarbij werd ingegaan op het nieuwe juridische kader en was er aandacht voor de methodiek van de VNG Handreiking Activiteiten en milieuzonering 2024 – in een context waarin wonen en werken steeds dichter op elkaar worden gerealiseerd.
Van toelatings- naar uitnodigingsplanologie?
Shanna Derksen, advocaat en partner bij Wijn en Stael (Utrecht) schetste het juridische kader. Ter introductie besprak zij de beoogde verschuiving van toelatingsplanologie onder de Wet ruimtelijke ordening naar uitnodigingsplanologie onder de Omgevingswet. Waar het bestemmingsplan traditioneel sterk sturend was (met gedetailleerde regels en maximale planologische mogelijkheden), beoogt het omgevingsplan globaler en flexibeler te zijn. De overheid zou minder vooraf dichttimmeren en meer ruimte laten aan initiatiefnemers. Het exacte verschil tussen toelatings- en uitnodigingsplanologie blijkt in de praktijk echter lastig te definiëren. De Omgevingswet faciliteert de uitnodigingsplanologie vooral (zonder concrete verplichtingen), bijvoorbeeld door de mogelijkheid van een nader afwegingsmoment in het omgevingsplan.
De verschuiving naar uitnodigingsplanologie zou ook van betekenis zijn voor de onderzoekslasten. Onder de Wet ruimtelijke ordening moest bij de planvaststelling aannemelijk worden gemaakt dat de maximale planologische mogelijkheden van het plan uitvoerbaar waren. Dat leidde tot omvangrijke onderzoeken naar soms theoretische situaties. Onder de Omgevingswet is het uitvoerbaarheidsvereiste formeel verdwenen. In plaats daarvan geldt het uitgangspunt dat een plan alleen niet mag worden vastgesteld als het evident onuitvoerbaar is. Het moment van (diepgaand) onderzoek wordt verschoven naar het moment van vergunningverlening. De vraag is echter of dit in de praktijk een wezenlijk verschil maakt. Veel onderzoeken blijven namelijk noodzakelijk vanwege andere wettelijke grondslagen, zoals instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving, natuurregelgeving of Europese verplichtingen.
Doorschuiven van onderzoekslasten
Shanna Derksen ging ook nader in op het doorschuiven van onderzoek naar het moment van vergunningverlening. Globalere plannen maken het mogelijk om bepaalde onderzoeken op een later tijdstip uit te voeren, maar dat vraagt wel om open normen in het omgevingsplan, waarbij een nader afwegingsmoment wordt gecreëerd. Die open normen zijn juridisch toegestaan, mits ze voldoende concreet en objectief begrensd zijn en de planregels zelf inzicht bieden in de bouw- en gebruiksmogelijkheden.
In de rechtspraak, onder meer in een uitspraak over het Crisis- en herstelwet (Chw) bestemmingsplan ‘Beurskwartier’ in Utrecht , zien we hoe de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hiermee omgaat. In dat Chw-plan is bewust minder gedetailleerd onderzoek uitgevoerd tijdens de planfase; meer specifieke onderzoeken zouden bij latere vergunningaanvragen plaatsvinden. Deze nieuwe werkwijze – planologisch globaal blijven en niet alles dichtregelen – moet planprocedures versnellen en flexibiliteit vergroten. Wat betreft de onderbouwing van de uitvoerbaarheid van het plan met open normen valt op dat de Afdeling toetst of “op voorhand is uitgesloten dat met het treffen van maatregelen enige wijze van woningbouw” haalbaar is. Het ging daarbij in dit geval om het aspect geluid, waarvoor ook ter onderbouwing van het globale plan al verschillende geluidsonderzoeken waren uitgevoerd. Daarmee wordt vooral de ‘of-vraag’ beantwoord: is woningbouw niet op voorhand uitgesloten? De ‘hoe-vraag’ – onder welke voorwaarden en met welke maatregelen – verschuift naar de vergunningfase.
De Omgevingswet biedt nieuwe mogelijkheden voor het moment van uitvoeren van onderzoekslasten
Dat roept nieuwe vragen op. Is de scheidslijn tussen de of- en hoe-vraag wel scherp te trekken? En wat betekent dit voor bestaande bedrijven, die vrezen dat zij bij vergunningverlening alsnog via maatwerkvoorschriften worden beperkt om woningbouw mogelijk te maken? De zorg werd uitgesproken dat dit kan leiden tot dubbele onderzoeksmomenten en procedures: eerst discussie op planniveau, later opnieuw bij vergunningverlening. Daarbij treedt er dus geen vermindering van de onderzoekslasten op.
Waarom anders?
Rein Bruinsma (adviseur milieu en Omgevingswet bij Haskoning), betrokken bij zowel de oude als de nieuwe VNG-handreiking activiteiten en milieuzonering, lichtte toe waarom een nieuwe aanpak nodig was. De handreiking Bedrijven en milieuzonering uit 2009 werkte met milieucategorieën en richtafstanden en was lange tijd een praktisch hulpmiddel. In de praktijk bleek het echter te schuren tussen het ruimtelijke spoor en het milieuspoor.
Zo werd in het milieuspoor getoetst aan de dichtstbijzijnde woning, ongeacht de richtafstand per activiteit uit het ruimtelijk spoor. Bovendien bleken richtafstanden in het ruimtelijk spoor in sommige gevallen te klein en in andere te groot en hielden zij onvoldoende rekening met verschillen tussen bedrijven met dezelfde SBI-code. De oude generieke afstanden sloten niet altijd aan bij de actuele milieueisen op de gevel van woningen. Die discrepantie tussen papieren richtafstand en werkelijke norm bracht onzekerheid met zich mee. Bovendien leidde het verschil tussen het milieu spoor en het ruimtelijke spoor tot het niet optimaal benutten van de (milieu)gebruiksruimte.
Basis van de nieuwe methodiek
De VNG-handreiking activiteiten en milieuzonering ‘nieuwe stijl’ uit 2024 kiest daarom voor een andere systematiek. Geen vaste milieucategorieën en geen staat van bedrijfsactiviteiten meer, maar zones met oplopende gebruiksruimte voor geluid en geur. Deze zones worden vastgelegd in het omgevingsplan en bieden via de regels standaard milieugebruiksruimte per activiteit. Net als bij de oude systematiek geldt die gebruiksruimte per bedrijf, dus niet cumulatief met andere bedrijven. De milieugebruiksruimte is onafhankelijk van type of de categorie waar het bedrijf in valt.
Het principe van inwaartse zonering blijft bestaan, maar wordt verfijnd. Gemeenten kunnen per zone bepalen hoeveel milieuruimte beschikbaar is, met het oog op zowel bescherming van de leefomgeving als efficiënt ruimtegebruik. Ook op locaties waar nu geen woningbouw is toegestaan, kan milieuruimte bewust worden begrensd om toekomstige ontwikkelingen niet onmogelijk te maken. Een belangrijk aandachtspunt in de handreiking is de cumulatie van hinder. Voor individuele activiteiten gelden standaardwaarden, maar voor cumulatie van geluid en geur bestaan geen vaste normen. Daarom introduceert de handreiking aanvullende regels om relevante cumulatie te beperken. Dit vraagt om een integrale afweging en expliciete keuzes in het omgevingsplan.
De handreiking gaat ook in op melding- en onderzoeksplichten. Bedrijven moeten nieuwe of gewijzigde activiteiten melden en onderbouwen dat zij aan de regels voldoen. Dit vraagt om vertrouwen op deskundigheid en gezond verstand. Als een activiteit niet past binnen de zones, kunnen maatwerkvoorschriften of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplan activiteit uitkomst bieden, indien passend en aanvaardbaar.
Praktijkvoorbeeld: Schieoevers Noord
De casus Schieoevers Noord in Delft illustreert hoe complex milieuzonering in de praktijk is. Bij deze gebiedsontwikkeling is bewust gekozen voor milieuruimte op maat per bedrijf, met intensief onderzoek en overleg. De procedure tegen deze ontwikkeling loopt al jaren, inclusief meerdere onderzoeken door de StAB. Het laat zien dat maatwerk mogelijk is, maar ook dat dit een zwaar en langdurig traject kan zijn.
In de afsluitende discussie stond de vraag centraal hoe onderzoekslasten daadwerkelijk kunnen worden verminderd. In theorie hoeven gemeenten voor het vaststellen van een wijziging van het omgevingsplan minder onderzoek te doen dan voorheen wanneer sprake is van globale en flexibele plannen met open normen. Maar de praktijk leert dat ook bij vaststelling van het globale plan (nog steeds) veel onderzoek wordt uitgevoerd. Daarnaast komt een deel van de onderzoekslasten dus op een later moment bij initiatiefnemers te liggen. Verschillende aanwezigen spraken dan ook van “onderzoeksverplichtingen doorschuiven”: wat je niet in het plan onderzoekt, moet je later alsnog doen, bijvoorbeeld bij de aanvraag van een omgevingsvergunning. Dit vereist een cultuurverandering bij zowel overheden als ontwikkelaars, en het stelt nieuwe eisen aan vergunningprocedures. Als oplossingsrichtingen voor versnellen werden onder meer genoemd: gefaseerd onderzoeken en het strategisch kiezen van deelgebieden waar de minste knelpunten zijn. Ook werd benadrukt dat helderheid nodig is over wie opdrachtgever is van onderzoeken en wie de kosten draagt.
Was en blijft complex
De Omgevingswet biedt nieuwe mogelijkheden voor het moment van uitvoeren van onderzoekslasten. Minder onderzoek vooraf kan leiden tot meer discussie later. De nieuwe VNG-handreiking milieuzonering biedt handvatten om het ruimtelijke en milieuspoor beter te verbinden, maar vraagt om scherpe keuzes en deskundige toepassing. Thematafel 6 van de SKG maakte zo duidelijk dat leren, experimenteren en het delen van ervaringen essentieel blijven om de belofte van de Omgevingswet in de praktijk waar te maken. Milieuzonering was en blijft immers complex.
Cover: ‘Faculteit bouwkunde, TU Delft’ door Van Rijn photography (bron: Shutterstock)













