platform voor kennis, nieuws en opinie
Zoeken
platform voor kennis, nieuws en opinie

Nieuwe start voor de Binckhorst

Nieuwe start voor de Binckhorst

8 feb 2016 - De Binckhorst is een voormalig binnenstedelijk bedrijventerrein in Den Haag dat wordt ontwikkeld tot een gemengd woon-werkgebied. In 2011 nam de gemeente afscheid van de planningsstrategie volgens een masterplan en sindsdien hanteert men voor de transformatie een nieuwe, open aanpak, waarbij de investering in de nieuwe verkeersstructuur vooruitloopt op de geleidelijke en flexibele transitie van het gebied. Daarbij wordt vooral gekeken naar initiatieven van onderop. Wil van der Hoek (gemeente Den Haag), Sabrina Lindemann (OpTrek/Stichting I’M BINCK) en Ruurd Gietema (KCAP Architects&Planners) vertellen vanuit verschillende perspectieven over het gebied. Lindemann: ‘Het heeft heel lang geduurd voordat mensen begrepen dat het grote masterplan niet doorging.’

Praktische lessen

  • Bewaar de rust en communiceer. Blijf nadenken over de kwaliteit van het gebied, zonder dit direct om te zetten in een verbeelding.
  • Leg contact in het gebied zelf. Tussen gemeente en ondernemers en tussen partijen onderling. Sta open voor suggesties van ondernemers, maar wees open en eerlijk over wat wel en niet kan.
  • Stuur en kanaliseer de energie die in het gebied aanwezig is én de energie die op het gebied afkomt.

Een nieuwe start

Van der Hoek: ‘De gemeente Den Haag had een masterplan gemaakt voor de Binckhorst in de tijd dat nog ISV-gelden werden verdeeld. Den Haag rekende erop dat ook de rijksoverheid en de markt zouden bijdragen aan de herstructureringsopgave voor de Binckhorst. De crisis kwam, het geld kwam niet en we zaten met een vastgesteld bestemmingsplan met een enorm tekort. Op dat moment was ook wel de tijd aangebroken dat we met andere ogen zijn gaan kijken naar herontwikkeling, niet meer op basis van een grootschalig masterplan. In 2011 heeft de gemeenteraad een besluit genomen en gekozen voor een nieuwe manier van “organisch ontwikkelen”. Dat is echt een nieuwe gebiedsaanpak, waarbij het woord faciliteren vooropstaat. Niet meer vooraf alles bepalen of denken dat we het allemaal kunnen plannen.’

Toch staat het gebied voor een grote opgave. Nietsdoen is geen optie. Van der Hoek: ‘Het is overduidelijk dat Den Haag moet verdichten. De bevolkingsaanwas is nog steeds groot en de groei gaat door. De ruimte daarvoor moet binnen de bestaande stad worden gevonden. De stad staat voor een aantal aanzienlijke veranderingen, echt voor grote transities. Bijvoorbeeld op het terrein van economie en duurzaamheid. De ontwikkeling van de Binckhorst moet wel vanuit een zekere urgentie gestuurd worden. Het moet de noden van de stad verlichten. Een van die noden, die zeer pregnant begint te worden, is woningbouw. Den Haag barst uit z’n voegen. Tegelijkertijd ziet iedereen dat dit een hartstikke mooi gebied is. Dat bijzondere karakter van de Binckhorst moeten we wel zien te bewaren.’

Geduld en communicatie

Van der Hoek: ‘Tegelijk met het besluit om afscheid te nemen van het masterplan is in 2011 een budget – overigens helemaal niet zo groot – goedgekeurd om al die kleine initiatieven in het gebied te ondersteunen. Niet om zaken te initiëren natuurlijk, want dat moeten mensen zelf doen. We willen gebruikmaken van de kracht in het gebied. Zoiets duurt jaren. Je moet geduld hebben en vooral niet te veel willen. Voor vakmensen is dat heel moeilijk op te brengen. Je hebt de juiste mensen nodig, die snappen dat je initiatieven de tijd moet gunnen om iets te ontwikkelen. Door dat geduld is nu wel een hele beweging ontstaan binnen de Binckhorst. Het gaat voor een groot deel over zorgvuldige communicatie. De ronde tafels die worden georganiseerd in het gebied zijn daar een belangrijk onderdeel van. Mensen raken geïnteresseerd in het gebied en wij, als overheid, komen luisteren en praten mee.’ Een beperkt aantal locaties is nog steeds in handen van projectontwikkelaars. Van der Hoek: ‘Af en toe hebben die ook wel voorstellen gedaan en plannen gepresenteerd, maar de juiste aanpak zat daar niet tussen. Op termijn wordt pas duidelijk wat voor potentie die locaties eigenlijk hebben. Pas nu gaan mensen zien wat voor gouden plekken we hier hebben. Ik ben ervan overtuigd dat het feit dat het enigszins stil heeft gestaan, voor de stad een zegen is. Nu kunnen we nog wat met die lege plekken.’

Community building

Lindemann: ‘Toen de gemeente in 2011 liet weten het gebied organisch te willen ontwikkelen en de grote plannen niet meer doorgingen, ben ik naar de Binckhorst getrokken om vanuit mijn ervaring in andere stadsvernieuwingswijken een strategische bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van het gebied. De eerste stap in dat proces was een community opbouwen, want je kan het alleen maar samen met anderen doen. Goed contact met de gemeente is belangrijk, dat wist ik uit eerdere projecten. Daarnaast ben ik gesprekken aangegaan met ondernemers, letterlijk door in snackbars te gaan zitten. Daar kwam cruciale informatie uit, die voor mij doorslaggevend was om verder te gaan en nieuwe dingen te initiëren of in beweging te zetten. Veel mensen die iets wilden en goede ideeën hadden, kenden elkaar niet. Daarom was het zo belangrijk om die mensen bij elkaar te brengen, zodat een community kon ontstaan. En het liefst op zo’n manier dat die community uiteindelijk zelf initiatief neemt. We organiseren elke maand netwerkbijeenkomsten bij De Lunchboxx, een centrale plek in de Binckhorst. Daar komen iedere keer veertig tot vijftig ondernemers op af. Hieraan bestaat dus duidelijk een behoefte. Je moet overigens niet alleen de “creatieven” uitnodigen, maar ook de ambachtelijke familiebedrijfjes, de garagehouder, de advocaten, eigenlijk alle typen ondernemers die in het gebied zitten. Ook de BAM en de KPN. Dus echt een dwarsdoorsnede van alle stakeholders, dan pas is het geslaagd.’

Van der Hoek: ‘We hebben niet altijd alles in de hand. Wij wisten als gemeente ook niet dat Sabrina hier in 2011 zou neerstrijken. In zoiets kan je wel geloven – omdat er altijd mensen zijn die kansen zien en energie in een gebied willen steken – maar mensen zoals Sabrina laten zich niet in een hokje vangen en je kan ze ook niet aannemen. Dan moet je als gemeente wel een team hebben dat dat snapt. Die dus niet onmiddellijk weer gaan tekenen, maar gewoon eerst goede gesprekken aangaan.’

Gietema: ‘Over de hele wereld zijn plekken zoals de Binckhorst. Daar zie je het samenkomen van jonge mensen – of laten we zeggen mensen die jong van geest zijn – die geïnteresseerd zijn in een karaktervolle stedelijke plek. Dan is er vaak een persoon met een krachtige visie die zich langdurig aan die plek verbindt. Langzaam maar zeker wordt zo’n plek dan op de kaart gezet en ontstaat een hotspot in de stad, met een positief katalysatoreffect op de wijdere omgeving.’

Pionieren

Hoe krijgt zo’n eerste fase vorm, wie zijn die pioniers die het gebied bekendheid geven bij een groter publiek? Lindemann: ‘Vanuit de community die is ontstaan, zijn we het festival I’M BINCK gaan organiseren. Om het ondernemerschap zichtbaar te maken. Maar ook om de wensen voor het gebied te agenderen, bijvoorbeeld ten aanzien van circulaire economie. Dat festival vindt al drie jaargangen plaats. Daarnaast heb ik met lokale ondernemers het bier de Binckse Belofte ontwikkeld, samen met brouwer Kompaan. Die hebben nu een heuse proeverij geopend. Die doen het zo goed dat ze alweer verhuisd zijn naar een grotere plek. Ze hebben inmiddels ketels gekocht en gaan vanaf 2016 daadwerkelijk hun eigen bier brouwen hier in de Binckhorst. Ook MaMa Kelly, dit jaar geopend in het oude ketelhuis bij de Caballero Fabriek, is een goed voorbeeld. Het restaurant trekt heel veel mensen van buiten het gebied en zet de Binckhorst echt op de kaart.’

Gietema: ‘Die eerste fase is wat ik noem de oerfase. Dat gaat over wat stedelijkheid in feite is: netwerken die bij elkaar komen. Daaruit komen nieuwe netwerken naar voren die, op hun beurt, met nieuwe energie weer gezamenlijk verder gaan en initiatieven ontplooien. Hier in de Binckhorst zie je veel hergebruik plaatsvinden. Gebouwen staan leeg en de ontstane community wil daar graag mee aan de slag. Door de crisis is er bijvoorbeeld niet zo vreselijk veel werk voor architecten. Gecombineerd met hun sociale engagement om aan de stad te werken, worden bestaande gebouwen door die partijen nu omarmd en herontwikkeld.’

Verkeersinfrastructuur en openbare ruimte

Nadat van het masterplan afscheid is genomen, werd de ontwikkeling van de Binckhorst gebaseerd op het uitgangspunt van geleidelijke transformatie met een belangrijke focus op de openbare ruimte.

Van der Hoek: ‘De verantwoordelijkheid van de overheid ligt met name in de openbare ruimte. Het gebied moet bereikbaar zijn en het groen en het water in het gebied moeten in de basis op orde zijn. Daarop is onze focus gericht. Voor de openbare ruimte is geld beschikbaar gesteld. Maar ook voor de aanleg van de Rotterdamse Baan, een ontwikkeling die helemaal niet organisch is. Op basis van de verkeersontwikkeling is onderzocht hoe de verkeersstructuur voor de Binckhorst eruit moest zien. Dat is top-down stedenbouwkundig en verkeerstechnisch werk. Als die verkeersinfrastructuur op orde is, kan je vervolgens kijken naar de actuele opgaven waar de stad voor staat. In die fase zitten we nu. Het uitgangspunt “organisch faciliteren” is inmiddels wel wat sleets aan het worden.’

Gietema haalt twee projecten uit Rotterdam aan waar ook een stedenbouwkundige structuur over een langere periode flexibel is ingevuld: ‘We hebben een plan gemaakt voor het Laurenskwartier en het Wijnhavengebied. Dat zijn niet zozeer ruimtelijke plannen, waarin precies vastligt wat de komende 25 jaar wordt gerealiseerd. We geven meer ruimte voor de energie en de initiatieven die uit de samenleving komen, binnen een overkoepelende visie. Die visie is niet zozeer een vooraf bepaald ruimtelijk beeld, maar geeft wel een globaal beeld. Hoe dat uiteindelijk gerealiseerd wordt, is nog flexibel. Dat wordt geconditioneerd via een aantal spelregels die nog voldoende ruimte bieden voor nadere uitwerking. We zeggen dus niet: op die hoek moet een gebouw komen van negen lagen en het moet er zo uitzien en dat leggen we vast in het beeldkwaliteitsplan.’

Wil van der Hoek is sinds zes jaar directeur Portefeuille Ruimte en Wonen bij de gemeente Den Haag. Daarvoor wasze verantwoordelijk voor het project Stadshaven namens de gemeente Rotterdam. De transformatie van de Binckhorst – en het afscheid nemen van het masterplan – was een van haar eerste opdrachten. Tot op de dag van vandaag is ze bij het gebied betrokken.

Sabrina Lindemann heeft een achtergrond in kunst, cultuur en design. Zij is in de stadsontwikkeling beland doordat ze daar zelf tien jaar lang als bewoner in de Schilderswijk en Transvaal direct mee te maken had. In 2002 heeft ze Mobiel projectbureau OpTrek opgericht om met haar expertise een bijdrage te leveren aan stedelijke ontwikkelvraagstukken. In 2005 leidde dat tot Hotel Transvaal, waarin de hele wijk tot hotel werd verklaard.

Ruurd Gietema is stedenbouwkundige en partner bij het bureau KCAP. Hij werkt vanuit Rotterdam en zijn werkgebied ligt voornamelijk in Europa, maar hij werkt ook aan projecten in Rusland en Azië.

Leestip:

The City as Loft, Projects at the Interface of Architecture and Urbanism by KCAP/ASTOC van Kees Christiaanse (KCAP)

Enkele kritische noten

Het ontwikkelen van een groot gebied als de Binckhorst zonder masterplan roept ook vragen op. Lindemann wil graag weten hoe de gemeente straks omgaat met marktpartijen die zich melden en iets willen bouwen: ‘Hanteert de gemeente criteria op basis waarvan voorstellen kunnen worden geweigerd, omdat ze niet passen in de ambitie, de visie of het beeld dat voor ogen staat? Om te voorkomen dat nu stappen worden gezet die we achteraf zouden betreuren?’

Van der Hoek: ‘Je stelt een terechte vraag. We komen nu in een actievere fase waarin we richting geven aan hoe we de Binckhorst willen ontwikkelen. Voor de Trekvlietzone is dat volop in ontwikkeling, we zitten daar nu middenin. ’Gietema vraagt zich af hoe de gemeente partners vindt die gaan helpen om de noden van de stad op te lossen. ‘Wat voor type plan heb je daarvoor nodig en hoe communiceer je daarmee naar buiten?’

Van der Hoek geeft aan dat het op dit moment precies andersom ligt: ‘Zij vinden ons.’ 

Gietema vervolgt met wat hij noemt een gewetensvraag: ‘De Binckhorst ligt op steenworp afstand van twee grote stations, van een (inter)nationaal politiek centrum en de binnenstad. Een heel groot gebied, een soort schatkamer voor Den Haag. Maar ondanks dat heel veel wordt geïnvesteerd in infrastructuur en openbare ruimte, vind ik de bestaande situatie er zo weinig op vooruitgegaan. Terwijl alles buiten de Binckhorst op de schop is gegaan. Leidschenveen en Ypenburg zijn in diezelfde periode uit de grond gestampt. Dat heeft aan de rand van de stad geleid tot een enorme verandering. Waarom is met dit gebied zo weinig gedaan in die 25 jaar tijd?’

Van der Hoek: ‘Je kan een gebied alleen transformeren op het ritme van de economie, anders lukt het niet. Daar tegenin willen gaan heeft geen zin, dat leidt tot ongelofelijk veel weerstand. Bovendien vergis je je, want hier is juist wel heel veel gebeurd. De grootste investering van de gemeente Den Haag is gedaan in dit gebied; met de aanleg van de Rotterdamse Baan is een investering van 600 miljoen euro gemoeid.’

Wordt vervolgd

Voor de Binckhorst breekt een nieuwe fase aan. De verkeersstructuur is uitgewerkt en lokale initiatieven hebben zich gemeld. Nu moet worden bedacht hoe de verdere ontwikkeling concreet wordt gemaakt. Van der Hoek houdt in het verdere planproces vast aan een aantal uitgangspunten. Ze wil het gebruik van beelden zo veel mogelijk vermijden en wil voorlopig absoluut geen tekeningen met nieuwe gebouwen en huizen zien. ‘Zodra je een verbeelding laat zien, heb je een discussie over het beeld en niet meer over de inhoud.’

Gietema ziet al nieuwe mogelijkheden ontstaan vanuit het gebied zelf: ‘Neem bijvoorbeeld de Binck Twins langs de Binckhorstlaan, dat is een gestapeld bedrijventerrein gecombineerd met kantoren. Die gebouwen zouden in een nieuwe typologie terug kunnen komen en kunnen leiden tot een enorme verdichting van de stad en een rijke menging van stedelijke functies. Ik ben erg voor menging van functies, zelfs voor industrie in de stad, en dit is een manier om die menging te realiseren. Zo zou je een veel hogere dichtheid en een heleboel arbeidsplaatsen kunnen realiseren op deze locatie.’

Het is niet zo dat de gemeente alles helemaal heeft losgelaten en dat alles maar kan. Al is het maar doordat stadsstedenbouwer Erik Pasveer als het geweten van de stad tijdens de transformatie een oogje in het zeil houdt. Van der Hoek: ‘Als gemeente faciliteren we de markt. Wat we niet meer willen, is gedetailleerde plannen maken en gedetailleerde programma’s van eisen opstellen. Dan is de beheersing van het eindbeeld, de uiteindelijke kwaliteit, wel wat ingewikkelder. Dat betekent niet dat we daar niet over nadenken. We willen natuurlijk dat het hier hartstikke goed wordt. Niet zozeer mooi, maar dat het klopt en dat het blijft kloppen. De Binckhorst is een geweldige plek. De strijd is niet zozeer hoe we het volgebouwd krijgen, maar hoe we het geduld bewaren en de potentie ten volle benutten.’


Zie verder:

Dit artikel komt uit ons tijdschrift ‘Go, gebiedsontwikkeling in beweging’ #3, welke hier in zijn volledigheid te vinden is.

Auteur

Portret - Jeroen Mensink
Jeroen Mensink

Redacteur Gebiedsontwikkeling.nu | architect/eigenaar bij JAM* architecten

Bekijk alle artikelen