Uitsnede van de tekening die Studio Nadia Nena maakte voor Out There door Studio Nadia Nena (bron: platformgras.nl)

Ontwerp ruimtelijke casco's waarin het collectieve kan groeien of verdwijnen

11 augustus 2023

9 minuten

Interview Terwijl de samenleving steeds diverser wordt, blijven we in Nederland dezelfde huizen bouwen. Strikte eisen en vastgeroeste ideeën zitten ons woongenot en het maken van een slimme plattegrond in de weg. En dat terwijl de komende jaren de productie omhoog moet. Hoe zorgen we dat we de juiste woningen bouwen? Hoe maken we kwaliteit minstens zo belangrijk als kwantiteit? En hoe maken we de plattegrond weer volwaardig onderdeel van het ontwerp? Architect-onderzoeker Glenn Lyppens pleit voor een andere manier van denken.

Steeds meer en hogere woongebouwen op steeds kleinere oppervlakten: je ziet het in alle grotere Nederlandse en Vlaamse steden. Ondertussen krimpen de woningen. Zo mat een appartement met drie slaapkamers tien jaar geleden pakweg 110 vierkante meter. Tegenwoordig is dat hooguit 95 vierkante meter.

“Op zich is daar niks mis mee”, zegt Glenn Lyppens, die als architect-onderzoeker verbonden is aan POLO Labs. “Als je het goed doet, kan het een meerwaarde zijn voor de stad. Maar dan moet die dichtheid en die kleinere woning wel op een of andere manier gecompenseerd worden. Met intelligente plattegronden bijvoorbeeld, door de kwaliteit van de publieke ruimte of met gedeelde voorzieningen en cohousing-concepten.” 

Alles volgens richtlijnen

Toch zie je bij die meer compacte plattegrond nauwelijks bijkomend vernuft, zowel in de private als publieke sector. “Alles gaat strikt volgens richtlijnen: een slaapkamer voor de ouders van 12 vierkante meter en voor de kinderen een van 8 vierkante meter. Veel ligt al vast, daarnaast duwen we ook veel letterlijk in hokjes.”

Een architect komt er nauwelijks meer aan te pas, hooguit voor de façade. En dat terwijl er juist ook in die plattegrond vanuit de architectuur veel winst te behalen is. “Atelier Kempe Thill en Office Winhov deden dat bijvoorbeeld met casco’s die bewoners zelf konden aanpassen, met veel meer variatie en eigenheid tot gevolg. Het was ook nog eens goedkoper. Dát zijn langetermijninvesteringen in flexibiliteit en woonkwaliteit.”

Geen overmaat

Helaas blijft het gros van de woningbouw in woonkwaliteit ver achter bij dit soort initiatieven. “Waar blijven de studies over de recente evolutie van het grondplan van het standaardappartement, helemaal in relatie tot de oppervlakten en inboedel die gezinnen met verschillende profielen minimaal nodig hebben om het wonen prettig en leefbaar te houden? Waar zijn we eigenlijk mee bezig wanneer niemand nog de kast van oma kan erven, puur uit ruimtegebrek, omdat alle ‘oppervlaktemarges’ inmiddels als kostenverhogende overmaat zijn weggegomd?”

Eersel, Nederland. Nieuwbouw woningen met een gemeenschappelijke tuin. door Lea Rae (bron: Shutterstock)

‘Eersel, Nederland. Nieuwbouw woningen met een gemeenschappelijke tuin.’ door Lea Rae (bron: Shutterstock)


Natuurlijk is ook het delen van voorzieningen in principe prachtig. Het helpt om het wonen diverser, prettiger en betaalbaarder te maken. “Mijn probleem is alleen dat het nu vaak als aflaat gebruikt wordt voor die kleinere woning", zegt Lyppens. “Bewoners worden gelokt met prachtige visualisaties van collectieve tuinen en speelplekken, badend in het groen. Daartussen staat dan steevast de burenbarbecue met bijhorende vlaggetjes. In de praktijk komen dit soort programma’s lang niet altijd van de grond. En als het wel gebeurt, is het de vraag of het ook echt gaat werken.” 

Conflicten en collectieve woonstress liggen op de loer, simpelweg omdat we in plannen de psychologische component vaak overslaan. “Cohousing en woonvoorzieningen delen: dat kan en wil niet iedereen. Niet zelden leidt het tot meeting fatigue. Het jongste Woononderzoek in Vlaanderen laat zien dat 70 procent van de respondenten het niet ziet zitten om een stukje tuin te delen met de buren. Dat is een probleem, want collectieve woonvormen zijn op veel vlakken wel degelijk een oplossing voor de grote maatschappelijke problemen van nu.”

Ruimtelijke casco’s

Een vaste receptuur voor wat wel en niet werkt, bestaat niet. Collectiviteit ontstaat niet zomaar. “Het hangt in belangrijke mate af van de aard van de bewoners, en veel minder van de architectuur. De vraag die we onszelf als architecten moeten stellen, is hoe wij ruimtelijke casco’s kunnen ontwerpen waarin collectiviteit kan groeien, maar ook kan verdwijnen, zonder negatieve gevolgen.” 

In zijn doctoraatsthesis deed Lyppens een poging om principes naar voren te schuiven voor meer robuuste collectieve woonvormen. “Kort gesteld zit het in een goed gepositioneerde tussenruimte: een hof, een groene plek die even lucht geeft in de stad en die toegankelijk is vanuit de publieke ruimte.” Hoewel zeker niet zaligmakend, is het van oorsprong middeleeuwse Begijnhof in Amsterdam een mooi voorbeeld. Het haalt de collectieve kwaliteit en sociale gebruikswaarde uit de ruimtelijke structuur. Van een afgesloten woonplek is het in de loop der eeuwen geëvolueerd tot een groene ruimte die overdag publiek toegankelijk is, midden in de stad. “Veel van dit soort hoven zijn in de loop der tijd geheel of gedeeltelijk afgesloten. Toch geven ze met het groen, de woonfunctie en de typologie nog altijd kwaliteit terug aan de stad.” 

Helderheid over privaat, publiek en collectief

Er zijn meer historische woonmodellen met een duidelijke meerwaarde. De rode draad is dat ze allemaal helderheid scheppen als het gaat over wat privaat, publiek en collectief is. En je hoeft niet ver te zoeken om dat soort vormen te vinden. “Zelf woon ik in een rijtjeshuis, in een stadswijk met dorpse kwaliteiten. Wanneer we een speelstraat organiseren, worden hekken aan de straatuiteinden geplaatst, gaan de voordeuren open, lopen kinderen binnen en buiten, verzamelen buren zich rond klaptafels en ontstaat er pop-up-collectiviteit. Ooit waren bijna al onze straten permanent collectief. Wonen en werken vloeiden in elkaar over en buurtbewoners stonden in voor de aanleg en het beheer ervan.”

Ook op meer (groot)stedelijke schaal zijn er voorbeelden te over. Neem de Parijse appartementsgebouwen uit de jaren twintig, of de diepe en gelaagde woonkazernes in Berlijn. Ze hebben een formele buitenkant die zich presenteert aan de straat. Via een poort of voeg kom je in een collectieve tussenruimte die toegang geeft tot ateliers. De verticale circulatie leidt vervolgens naar de private wooneenheden.

Geliefde plekken

Ook de eengevelhuisjes aan een smalle steeg, zoals de negentiende-eeuwse speculatieve hofjes of beluiken die je in veel Nederlandse en Vlaamse steden aantreft, zijn voor Lyppens goede voorbeelden. “Geen van die woningen heeft een eigen buitenruimte. Voordeuren zitten steevast aan een collectieve tussenruimte die aanleiding geeft voor ontmoeting en zelforganisatie. Het zijn voor veel mensen nog altijd geliefde plekken om te wonen.”

Prachtig is ook het uit 1922 stammende Justus van Effenblok in Rotterdam. Ooit een voor arbeiders toegankelijk en betaalbaar ‘modern Begijnhof’, vandaag een gated community voor hen die er een gerenoveerde unit kunnen veroorloven. Desondanks blijft het, een eeuw na realisatie en ondanks veranderende woonculturen en beheervormen, een buitengewoon aangename woonvorm.

Echte regie is binnen het wonen afwezig en wat we doen is sterk geld-gestuurd
Glenn Lyppens, POLO Labs

In architectuuropleidingen wordt de kwaliteit van beproefde concepten nog altijd herkend. Hetzelfde geldt voor de waarde van grondgebonden woningen in hoge dichtheid. “Toch bouwen we ze vrijwel nooit meer. In onze huidige stadsontwikkeling lijken we de kunst van het maken van die tussenruimte vergeten. En waar we het nog wel doen, is het een uitzondering die de regel bevestigt.”

Perverse economische prikkels en een mismatch tussen architect, ontwikkelaar en beleid zorgen dat veel kwaliteit wordt tegengehouden. ‘Er wordt te veel in aantallen en een snelle return on investment gedacht. Waarom zou je goede tussenruimte maken als je een kavel ook gewoon dubbel kunt bebouwen?” Een Justus van Effenblok in eenentwintigste-eeuwse vorm is haast ondenkbaar.

Het Begijnhof Amsterdam Noord-Holland Nederland door Uriel Queiroz (bron: Shutterstock)

‘Het Begijnhof Amsterdam Noord-Holland Nederland’ door Uriel Queiroz (bron: Shutterstock)


“We zijn in een gevaarlijke evolutie terechtgekomen. Echte regie is binnen het wonen afwezig, en wat we doen is sterk geld-gestuurd. In Vlaanderen kopen veel ontwikkelaars bijvoorbeeld grond terwijl er geen juridisch verankerd masterplan ligt. Dat wordt dan gaandeweg ontwikkeld, maar veelal zonder samenhang, laat staan met een integrale visie.”

In Antwerpen zorgt de afwezigheid van visie en regie dat een groot deel van de gebouwde ondergrondse parkeerplaatsen niet gebruikt wordt. Als gevolg van een stringente bouwcode zijn er simpelweg te veel gebouwd. “De kosten moeten alleen wel verrekend worden in de appartementen. Daarbij dient een ontwikkelaar verplicht af te zien van koppelverkoop. Dat zorgt voor risico’s en onzekerheid in de ontwikkeling. En daar dekt men zich vervolgens weer tegen in.”

De woonmentaliteit in Nederland en België 

Alle problemen op de woningmarkt – waarin België en Nederland overigens niet voor elkaar onderdoen – versterken het inzicht dat het anders moet. Moet grond niet altijd collectief eigendom zijn? Kan er geëxperimenteerd worden met woonrecht? En hoe ontwikkel je nieuwe coöperatieve woonvormen? 

“Academici en politici roepen dat Vlaanderen voorop moet lopen in collectief wonen. Wanneer ontwerpers vervolgens op het innovatieorgel gaan, heb ik moeite om niet cynisch te worden. Het gaat bij innovatie niet om de vorm: onze dorpen en steden zitten al vol goede voorbeelden. De innovatie behoort te zitten in ons systeem en ons denken.”

Het gaat bij innovatie niet om de vorm: onze steden zitten al vol goede voorbeelden
Glenn Lyppens, POLO Lab

Illustratief is dat die uitspraak over vooroplopen in collectief wonen diametraal tegenover de huidige, vastgeroeste situatie staat. “In België is het hebben van een vrijstaande woning al meer dan 70 jaar het ideaalbeeld. De politiek heeft dat nota bene mogelijk gemaakt. Ons hele systeem is gericht op individueel eigendom. Dat wreekt zich steeds vaker. Veel woningen uit de jaren vijftig, zestig en zeventig moeten nu gerenoveerd worden. Het pensioenplan van de eigenaars zakt vervolgens in elkaar, omdat die woningen, vaak verkerend in slechte staat en op afstand van publieke voorzieningen, veel minder waard blijken te zijn.”

In Nederland is dat anders. Hoewel ook hier individueel eigendom al geruime tijd bevorderd wordt, is huren nog veel gewoner. “Je zou kunnen stellen dat Belgen een huis kopen voor het leven, terwijl Nederlanders meer doen aan een wooncarrière. Het is het ene uiterste tegenover het andere.”

Verdichting is gaande

Toch merkt Lyppens dat Nederland en Vlaanderen steeds meer op elkaar gaan lijken. “Sinds de Tweede Wereldoorlog is Vlaanderen uitgesmeerd geraakt. Zelfs de Nederlandse Vinex is nog compacter dan hetgeen we hier hebben gedaan. Maar inmiddels is in Vlaanderen een noodzakelijke verdichtingsslag gaande. Eindelijk heeft men door dat de kosten die het verspreide wonen met zich meebrengt, bijvoorbeeld voor infrastructuur, te hoog zijn.”

In Nederland is het de laatste pakweg twee decennia precies andersom. Daar is de rijke volkshuisvestingstraditie ingeruild voor een neoliberale woningmarkt. Het is veel individualistischer geworden. De grap is dat we elkaar nu ergens halverwege tegenkomen. De twee landen staan ongeveer op hetzelfde punt, beide inziend dat het anders moet.

Stadsontwikkelingsbedrijven nemen het voortouw

Gelukkig gaan er ook dingen wél goed. Eigenlijk altijd zijn die het gevolg van beter beleid, doordachte plannen met een lange tijdhorizon en veel meer overleg en samenwerking tussen overheid, ontwikkelaars en ontwerpers. In Vlaanderen zijn het vaak autonome stadsontwikkelingsbedrijven die voorop lopen. Hun doel: goede en betaalbare woningen in de stad realiseren. “Sogent in Gent en AG Vespa in Antwerpen zijn wat mij betreft de kroonjuwelen, alleen al omdat ze het heel anders trachten te doen dan in de doorsnee projectontwikkeling gebeurt.”

Aanvankelijk was de core business van partijen als Sogent en AG Vespa de ontwikkeling van nieuwe woningen in probleembuurten. Gaandeweg maakten de stadsontwikkelingsbedrijven de sprong naar grotere gebiedsontwikkelingen, zoals de Vespa-projecten 't Groen Kwartier en Cadixwijk. 't Groen Kwartier onderscheidt zich met een mix van grondgebonden en gestapeld wonen, in combinatie met een tussenruimte met een groen en autovrij karakter.

De Pinte, België, augustus 2020: Luchtfoto van de buitenwijken van Gent in De Pinte, woonwijk gemengd met landbouw door Kristof Bellens (bron: Shutterstock)

‘De Pinte, België, augustus 2020: Luchtfoto van de buitenwijken van Gent in De Pinte, woonwijk gemengd met landbouw’ door Kristof Bellens (bron: Shutterstock)


Bij Cadixwijk is geprobeerd met bouwblokken en open binnengebieden de verhouding in balans te krijgen. “Wel voel je dat private ontwikkelaars er gaandeweg veel geld hebben betaald voor de grond, die ze vervolgens tot op het bot verdichten om hun investering winstgevend te maken. Die binnengebieden lijken vervolgens meer op lichtschachten dan op collectieve groenlandschappen.”

De kracht van deze ontwikkelingen zit in een sterk en op maat gemaakt masterplan, passend bij de context. Er is niet louter op geld gestuurd, maar juist gezocht naar een andere balans tussen opbrengst en kwaliteit, ook op de langere termijn. Meer samenwerking en transparantie tussen alle actoren binnen stadsontwikkeling: het is zonder twijfel een kansrijke richting die in onze steden voor meer kwaliteit en variatie gaat zorgen.


Dit artikel verscheen eerder op platformgras.nl. Het artikel maakte in de basis (en in iets andere vorm) onderdeel uit van het Out There Cahier #4 van de Zwarte Hond over de woningplattegrond. Daar heeft Peter Michiel Schaap (Platform GRAS) het oorspronkelijk ook voor geschreven. Het cahier bevat naast verschillende interviews een uitgebreide studie en analyse van de ontwikkeling van de (Nederlandse) woningbouwplattegrond. Maar bovenal is het een oproep om de plattegrond weer te omarmen als volwaardig onderdeel van de ontwerpopgave.


Cover: ‘Uitsnede van de tekening die Studio Nadia Nena maakte voor Out There’ door Studio Nadia Nena (bron: platformgras.nl)


Peter Michiel Gras door Peter Michiel Gras (bron: Linkedin)

Door Peter Michiel Schaap

Directeur-bestuurder bij GRAS


Meest recent

Vondelpark in Amsterdam door Wolf-photography (bron: Shutterstock)

Klimaatadaptatie in de stad, neem ook de effecten op de waterkwaliteit mee

De waterkwaliteit in Nederland staat volop in de belangstelling. Het stedelijk water doet daarin ook mee, mede in relatie tot de klimaatbestendige stad. Bart-Jan Vreman van Arcadis laat zien waar we op moeten letten bij klimaatmaatregelen.

Onderzoek

12 april 2024

Binnenkomst bij het SKG Jaarcongres 2024 door Sander van Wettum (bron: SKG)

SKG Jaarcongres 2024 – de sessies, deel 2

Tijdens het laatste SKG Jaarcongres zijn tijdens twaalf deelsessies actuele thema’s uit het gebiedsontwikkeling-vakgebied besproken. Vandaag vatten we de vijf ‘zachtere’ thema’s samen.

Uitgelicht
SKG Nieuws

12 april 2024

Weekoverzicht - Dit was een week om door te zetten door Gebiedsontwikkeling.nu (bron: Gebiedsontwikkeling.nu)

Dit was een week om door te zetten

Deze week ging het op Gebiedsontwikkeling.nu over doorzetten. Doorzetten om een transformatieproject in Bussum af te ronden, om kwaliteit van leven te verbeteren ondanks krimp of om de stad boven water te houden.

Weekoverzicht

11 april 2024