platform voor kennis, nieuws en debat
platform voor kennis, nieuws en debat
Interview

Pros en cons van de nieuwe Omgevingswet: Fred Hobma, hoofddocent bouwrecht TU Delft

Pros en cons van de nieuwe Omgevingswet: Fred Hobma, hoofddocent bouwrecht TU Delft

21 okt 2014 - De ambities van de Omgevingswet zijn hoog. Minder regels, meer flexibiliteit, snellere procedures. Het is nu aan de Tweede Kamer om te oordelen of al die beloftes waargemaakt kunnen worden met de concept-Omgevingswet. In aanloop naar het Congres Omgevingswet 2014 op 29 oktober peilt gebiedsontwikkeling.nu alvast de meningen in het veld. Zo ook bij Fred Hobma, universitair hoofddocent bouwrecht aan de TU Delft en gespreksleider van de parallelsessie ‘Flexibiliteit en afwegingsruimte: waarom niet?’.

De concept-Omgevingswet biedt de kans om een harmonisatieslag te maken binnen het ruimtelijke veld en dat is volgens Fred Hobma, universitair hoofddocent bouwrecht aan de TU Delft, een unieke kans. “Het omgevingsrecht is los van elkaar gegroeid. We hadden al de wetgeving van de ruimtelijke ordening, in de jaren zeventig en tachtig kwam daar geluid bij en daarna is er wetgeving gekomen op het gebied van externe veiligheid. Nu wordt dat allemaal met elkaar in samenhang gebracht en op elkaar afgestemd. Dat biedt de mogelijkheid om te ontdubbelen en overbodigheden te schrappen.” Hobma vindt die zoektocht naar een nieuw samenhangend stelsel niet alleen een bijzondere uitdaging, hij denkt ook dat de nieuwe wet met één plan en één vergunning het mogelijk zal maken om efficiënter met de inrichting van onze omgeving om te gaan.

Minder onderzoekslast

Wat vooral voor de private sector veel geld- en tijdwinst op moet leveren is de verminderde onderzoekslast. “Dat gaat nu bij een nieuw plan vaak niet om een paar onderzoekjes die gedaan moeten worden, maar vaak om tientallen. Dat is te veel geworden. Ik las pas een artikel waarin stond dat het in de jaren zeventig nog veertien maanden duurde voordat met de bouw van woningen begonnen kon worden, nu ligt dat op ongeveer zeventig maanden. Door de voorbereidingstijd sterk te verminderen kunnen plannen sneller gerealiseerd worden en dat scheelt geld.” Hobma benadrukt overigens dat hij er geen voorstander van is ‘om zomaar overal te bouwen’. “Maar als besloten is dat bijvoorbeeld ergens woningen moeten komen, dan kan ook snel gehandeld worden. Op die manier kan dat ook goed ingespeeld worden op de actuele vraag.”

Winst voor flora en fauna bij digitalisering wet

Hobma heeft ook wat kritische kanttekeningen bij de Omgevingswet zoals die er nu ligt. “We hebben straks maar één wet, maar dat is wel een hele dikke. De winst is voor een deel optisch, ook al is dat voor een deel te ondervangen door de aangekondigde digitalisering. Die digitalisering geldt niet alleen voor de beschikbaarheid van plannen maar ook voor data op het gebied van flora en fauna. Dat is informatie die nu vaak nog moeilijk te vinden is. Dat kan veel tijdwinst opleveren, zeker als het mogelijk wordt om op één specifiek kavel in te zoomen, dan kan snel duidelijk zijn wat op die plek nodig is voor de planvorming.”

Flexibiliteit en afwegingsruimte: nog zoeken naar balans

Niet zozeer een kritiekpunt, maar eerder een voorlopige onduidelijkheid is het feit dat de wet nog niet is uitgewerkt in zogenoemde algemene maatregelen van bestuur (AmvB’s). “Het ministerie is daar nog mee bezig, waardoor het nu nog niet bekend is wat flexibiliteit en afwegingsruimte in de praktijk gaan betekenen.” Volgens Hobma is het voor iedereen wel duidelijk dat gemeenten nu tegen wettelijke grenzen aanlopen, maar de vraag is welke ruimte straks ontstaat. “We houden bijvoorbeeld dezelfde meeteenheden voor geluid. En ontploffingsgevaar blijft ook straks ontploffingsgevaar.” Het zou echter kunnen dat gemeenten bijvoorbeeld een milieucirkel in kunnen perken of meer decibellen in een gebied toe kunnen staan. Ook zou er meer ruimte kunnen komen om mensen binnen een geluidscontour te laten wonen en hen op een andere manier voor die geluidsbelasting te compenseren. “Het is dan wel de vraag hoe een balans tussen nieuwe flexibele mogelijkheden en een gezond leefklimaat gevonden kan worden.”

Het kostenverhaal: wie betaalt de publieke voorzieningen?

Serieuzere vraagtekens zet Hobma bij het ‘gemeentelijke kostenverhaal’. Het gaat daarbij om de kosten voor infrastructuur en andere publieke voorzieningen die betaald moeten worden als een gebied ontwikkeld wordt. “Veel gemeenten willen organische groei stimuleren en zijn afgestapt van de oude gebiedsontwikkeling waarbij grote gebieden in één keer ontwikkeld worden. Dat blijkt voor ontwikkelaars vaak ook niet meer haalbaar te zijn. Die nieuwe manier van ontwikkelen, heeft gevolgen voor de inkomsten die de gemeente ontvangt van bouwende partijen voor de noodzakelijke infrastructuur. Maar ik zie in de concept-wet geen oplossing hoe die kosten voor publieke voorzieningen gedekt kunnen worden.” Hobma heeft onlangs overigens in opdracht van het ministerie wel een verkennende studie gedaan naar de manier waarop daar in het buitenland mee omgegaan wordt. “Je zou kunnen denken aan een fonds waarbij een ontwikkelaar een bedrag per vierkante meter betaalt. De gemeente zou dan naar eigen inzicht moeten bepalen waar en wanneer binnnen de gemeentegrenzen een investering in infrastructuur nodig is.”

Handhaving onzeker post voor gemeenten

Een ander punt dat de bouwjurist van belang vindt heeft te maken met vergunningen en de onduidelijkheid die daarmee kan ontstaan. “Straks is het zo dat er zogenoemde ‘algemene regels’ gelden. Als een ontwikkelaar denkt dat hij met zijn plan binnen die regels valt, dan is een vergunning niet nodig. Maar de overheid kan tijdens een handhavingsactie tot een andere conclusie komen en dat kan er uiteindelijk toe leiden dat in het algemeen toch veel steviger op handhaving ingezet zal moeten worden. Dat kost menskracht en geld.”

Zie ook:

Auteur

Portret - Joost Zonneveld
Joost Zonneveld

Zelfstandig journalist en onderzoeker, onder meer voor Het Parool en Nul20

Bekijk alle artikelen
Blijf op de hoogte