platform voor kennis, nieuws en opinie
Zoeken
platform voor kennis, nieuws en opinie

Pros en cons van de nieuwe Omgevingswet: Planoloog José van Campen

Pros en cons van de nieuwe Omgevingswet: Planoloog José van Campen

21 okt 2014 - De ambities van de Omgevingswet zijn hoog. Minder regels, meer flexibiliteit, snellere procedures. Het is nu aan de Tweede Kamer om te oordelen of al die beloftes waargemaakt kunnen worden met de concept-Omgevingswet. In aanloop naar het Congres Omgevingswet 2014 op 29 oktober peilt gebiedsontwikkeling.nu alvast de meningen in het veld, onder andere bij zelfstandig planoloog José van Campen. José is samen met Sandra van Assen trekker van het onderzoek naar ruimtelijke kwaliteitsteams. Hun boek ‘de Q-factor’ komt eind november uit.

Over de doelstellingen van de Omgevingswet is José van Campen onomwonden enthousiast. “Meer flexibiliteit, een meer integrale benadering van planologie en de integratie van wetgeving, dat is een goede zaak.” Van Campen, die samen met Sandra van Assen recent onderzoek deed naar ruimtelijke kwaliteitsteams bij ruimtelijke ontwikkelingsprocessen, is vooral tevreden dat de versie van de wet die nu bij de Tweede Kamer ligt, ‘heel duidelijk een kwalitatieve component heeft’. “Vanuit het initiatief Mooiwaarts waar ik aan verbonden ben, pleiten wij daar al langere tijd voor. Er wordt straks niet alleen naar de leefomgeving gekeken op basis van toetsbare cijfers, maar er is ten opzichte van de vorige versie van de wet nu meer ruimte gekomen voor beoordeling en interpretatie. Het is mogelijk om oog te hebben voor wat we in een specifieke situatie prettig of belangrijk vinden in onze omgeving en er is ruimte gekomen om belangen beter op elkaar af te stemmen.”

Aandacht voor armslag kleine gemeenten

Volgens Van Campen is het alleen mogelijk om tot ruimtelijke kwaliteit te komen als er integrale afwegingen gemaakt worden waarbij ruimte voor interpretatie bestaat. Voor eventuele willekeur is Van Campen niet bang. “Ik denk dat het goed is dat afwegingen op lokaal niveau gemaakt kunnen worden en ik heb vertrouwen in lokale bestuurders die hun oren te luister leggen en in staat zijn om belangen tegen elkaar af te wegen.” De planoloog ziet wel een risico in de verschillende belangen van de gemeente zelf. “De gemeente heeft te maken met bewoners, met bedrijven maar heeft ook eigen belangen, bijvoorbeeld op het gebied van werkgelegenheid of als grondeigenaar. Het is de vraag of de ruimtelijke kwaliteit zo stevig verankerd kan worden dat de kwalitatieve ambities niet altijd verloren gaan, ook al kan ik me best voorstellen dat het belang van de gemeente als grondeigenaar in een bepaalde situatie de doorslag geeft. Dat hangt echt van de situatie af.” Van Campen wijst er daarbij op dat het wel van belang is dat afwegingen op basis van gedegen kennis moet gebeuren. Gemeenten hebben in de afgelopen jaren steeds meer menskracht verloren, dus daar zie ik nog wel een uitdaging. En dat geldt zeker voor de armslag van gemeenten die misschien weinig inwoners, maar wel een groot grondgebied hebben en juist met verschillende belangen op het gebied van wonen, natuur en economie te maken hebben.”

Betere borging transparantie en kwaliteit van advisering

Ook wijst Van Campen er op dat het besluitvormingsproces zo transparant mogelijk tot stand moet komen. “Dat aspect ontbreekt nog in de nieuwe wet.” Juist als meer ruimte voor interpretatie wordt geboden, dan moet de openheid van argumentatie beter geregeld worden. ” Ik zie die argumentatie het liefste in de wet zelf geborgd door daarover een passage op te nemen.” Kwaliteit krijgt wat haar betreft ook een nadrukkelijke rol in de uitwerking van de wet en de instrumenten die daar bij horen. “Ik ben geen voorstander van toetsen, want dat is een kwestie van lijstjes afvinken. Wat ik graag zou zien is dat van tevoren afgesproken wordt op basis van welke criteria de kwaliteit van een plan beoordeeld moet worden.”

Uit het onderzoek dat Van Campen en Van Assen deden naar ruimtelijke kwaliteitsteams kwam naar voren dat de status van die teams vaak niet helder is. “Vaak is er geen protocol voor de werkwijze en is het onduidelijk wat er uiteindelijk met het advies gebeurt.” Van Campen pleit er dan ook voor om de kwaliteit van de advisering over ruimtelijke kwaliteit beter te borgen. “Voor ruimtelijke kwaliteitsteams is niets vastgelegd, ze werken in vrijheid en dat wordt meestal als positief ervaren. Het nadeel is de genoemde onduidelijkheid en onzichtbaarheid. Voor welstandscommissies zijn nu nog veel voorschriften vastgelegd, dat kan belemmerend zijn maar heeft het afgelopen decennium ook geleid tot professionalisering en transparantie. Het zou goed zijn om de verworvenheden van beide werelden samen te brengen. Dat zijn de ruimtelijke kwaliteitsteams nieuwe stijl die echt het verschil kunnen maken.”

Omgevingsvisie verplicht

Onderdeel van de kwaliteitsborging betekent ook dat de niet-verplichte omgevingsvisie gewoon als verplicht in de Omgevingswet opgenomen zou moeten worden. “Het is een onmisbare basis voor de besluitvorming. De omgevingsvisie biedt bovendien een kans voor innovatie. Te gemakkelijk denken sommige gemeenten dat de huidige structuurvisie gewoon de naam omgevingsvisie mee kan krijgen. Maar de omgevingsvisie is hét instrument om de samenhang van de ruimtelijke inrichting in de gaten te houden.”

Kans op betere planologie

Van Campen ziet het borgen van de ruimtelijke kwaliteit als een kans voor betere planologie, wat immers het uitgangspunt van de Omgevingswet is. Tot veel extra tijd – versnelling is een ander belangrijke doelstelling van de nieuwe wet in wording – zal het volgens haar niet leiden. “Ik ben er ook niet voor om alles dicht te regelen, maar een paar extra ankertjes om de kwaliteit te borgen zijn denk ik belangrijk. De Omgevingswet biedt daar de kansen voor, net als om te versimpelen en regelgeving te bundelen.” Toch denkt Van Campen dat er binnen het werkveld, bij gemeenten maar ook bij andere betrokken partijen nog wel een cultuuromslag nodig zal zijn. “In de praktijk hoor ik te vaak ‘het blijft toch zoals het is’ en ‘niemand zit er op te wachten om het anders te doen’. Maar we kunnen deze ingrijpende hervorming aangrijpen om het kwaliteitsbeleid anders, moderner en effectiever in te richten. Dat kan uiteindelijk tot een betere ruimtelijke ordening en een prettige en dus duurzame leefomgeving leiden.”

*Het onderzoek is tot stand gekomen met subsidie van het Stimuleringsfonds voor Creatieve Industrie

Zie ook:

Auteur

Portret - Joost Zonneveld
Joost Zonneveld

Zelfstandig journalist en onderzoeker, onder meer voor Het Parool en Nul20

Bekijk alle artikelen