Onderzoek De Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli) stelt in een nieuw advies de vraag of de grondmarkt het moeilijk maakt om duurzame keuzes voor het landelijk gebied te maken. Ja, is het antwoord, en dat is lastig voor gebiedsontwikkelaars die hier aan de slag moeten. Raadslid Krijn Poppe licht de adviezen toe. “Toon als bestuurders een beetje meer moed. Wees niet te bescheiden.”
In het advies Grond voor verbetering: over de rol van grond in het landelijk gebied schetst de Raad welke rol de grondmarkt speelt bij het vinden van samenhangende oplossingen voor leefomgevingsopgaven in het landelijk gebied zoals natuur, grootschalige woningbouwlocaties, defensieterreinen, duurzame energieproductie, waterberging en de aanleg van nieuwe infrastructuur. Speciale aandacht is er voor de rol van de overheid. “De grond wordt intensief gebruikt, dat is in principe prima, maar dat gebruik is soms te intensief,” vertelt Krijn Poppe. Hij is Rli-raadslid en voorzitter van de commissie die het vandaag gepresenteerde advies opstelde.

‘Krijn Poppe’ door Rob ter Bekke (bron: Raad voor de leefomgeving en infrastructuur)
“En als je dan kijkt, vloeit er vanuit de Rijksoverheid heel veel geld naar het landelijk gebied en de boeren. Voor gebiedsontwikkelingen, projecten rondom windenergie, het opkopen voor natuur, het uitkopen van boeren. Dat geld zorgt ervoor dat de grondprijzen worden opgejaagd.” Om die dynamiek om te draaien, doet de Raad drie aanbevelingen voor het grondbeleid van overheden en voor het bredere overheidsbeleid dat effecten heeft op de grondmarkt en het gebruik van grond. “Wij constateren dat er heel veel geld de grond in gaat, maar dat dit geld dadelijk niet meer beschikbaar is voor nieuwe stallen of andere verduurzamingsprojecten. Er is de afgelopen jaren van de grond in het landelijk gebied een beleggingsmodel gemaakt.”
De drie adviezen die Poppe en zijn collega’s geven aan de overheid zijn: haal prikkels uit belastingregels en subsidies die de grondprijzen opdrijven, grijp actiever in op de grondmarkt en geef richting door onderscheid te maken tussen productielandbouw en maatschappelijke landbouw. “De provincie is het meest voor de hand liggende bestuursniveau om deze plannen te maken, in overleg met gemeenten en waterschappen.” Alleen dat blijkt in de praktijk nog niet zo eenvoudig. Zo constateerden onderzoekers van de Rekenkamer Oost-Nederland eind vorig jaar al dat actiever ingrijpen op de grondmarkt voor (provinciale) overheden makkelijker gezegd is dan gedaan.
Toon als bestuurders een beetje meer moed. Wees niet te bescheiden
Maar Poppe denkt dat met een combinatie van lef en de juiste tactiek er een heel hoop mogelijk is. “Toon als bestuurders een beetje meer moed. Je hebt een heel instrumentarium in de wet tot je beschikking, tot onteigening aan toe. Maar je hebt ook de Wet Voorkeursrecht gemeenten en de wettelijke kavelruil. En wees niet te bescheiden. De overheid treedt nu vooral op als marktspeler door geld in het systeem te stoppen door grond op vrijwillige basis te kopen. Maar we hebben een rijke traditie aan landinrichting, en daarvoor nog de ruilverkaveling. Maak gebruik van die instrumenten als er een goed plan ligt voor het gebied en van de fondsen die je tot je beschikking hebt.”
Geen zin
Als hij de gebiedsontwikkeling-bril opzet, verwacht Poppe het meest van de derde aanbeveling: het onderscheid tussen twee soorten landbouw. De Raad pleit voor twee ontwikkelrichtingen in het landelijk gebied: gebieden voor productielandbouw en gebieden voor maatschappelijke landbouw. “De meeste gemeenten hebben vijf soorten bedrijventerreinen, waarom hebben we maar één categorie voor landbouw? In de maatschappelijke landbouwgebieden zou je een nieuwe categorie moeten onderscheiden: landschapsgronden. Deze zit tussen landbouw en natuur in.”
Op die landschapsgronden moet je als overheid dan de subsidies inzetten, stelt Poppe. “In het opzetten van die landschapsgronden zit qua gebiedsontwikkeling de crux. En met het veranderen van die subsidies en verrijken van het instrumentarium verleid je de regio's om de keuzes te kunnen maken. Het zijn wat ons betreft ook de eerste gebieden waar je functies in plaatst als nieuwe wijken, nieuwe steden en defensieterreinen. Dat moet je niet op de beste landbouwgrond doen. Over zo’n nieuwe gebiedsindeling is natuurlijk wel eerder gediscussieerd. In Brabant is er bijvoorbeeld gewerkt met landbouwontwikkelingsgebieden. Ook hebben mensen het al jaren over een Agrarische Hoofdstructuur, als tegenhanger van de Ecologische Hoofdstructuur.”
Het begint met een visie. Heb je die niet, dan kan je nog zo veel lef tonen met je instrumenten, maar dat heeft dan geen zin
Zo’n categorisering ligt politiek gevoelig, weet ook de Raad. “Het is lastig om zo'n onderscheid te maken. Dan krijg je toch het idee dat er tweederangs landbouwgrond is en dat is een enorme afwaardering. Maar je mag wel hopen dat regio's zelf zien dat ze een gebiedsontwikkelingsopgave hebben. Het begint met een visie voor het gebied. Heb je die niet, dan kan je nog zo veel lef tonen met je instrumenten, maar dat heeft dan geen zin. Het kan zijn dat er een nieuwe stad moet komen of dat er een klimaatprobleem als verzilting is. Een directe aanleiding om iets met die grond te doen en dan zeggen wij: maak de keuze wat voor een gebied het wordt. Je lost dit soort problematiek of ontwikkelingen niet op met de huidige middelen.”
Misvattingen
De Raad wil met het voorstel niet al het gras voor de voeten van de regionale bestuurders wegmaaien. “Wij zijn niet voor het maken van centrale kaartjes. Je moet wel kaartjes hebben zoals in de Nota Ruimte, maar het lijkt ons niet verstandig om vanuit Den Haag precies aan te gaan wijzen wat er met bepaalde percelen of gebieden in de rest van Nederland moet gebeuren. Het zou wel helpen als er een nationale visie zou zijn waarin wordt geconstateerd dat we steeds meer een metropool zijn met straks 20 miljoen mensen. Daarbinnen heeft landbouw een heel andere functie dan toen we 10 miljoen mensen hadden in de jaren 50 van de vorige eeuw.”
“De aarzeling van bestuurders om grondinstrumenten in te zetten komt soms ook omdat ze denken dat het heel veel geld kost. In dit advies constateren wij dat dit heel erg meevalt. En in een aantal regio's is er ook nog te weinig kennis over deze mogelijkheden van verkaveling en dan kunnen er misvattingen ontstaan. Bijvoorbeeld over de duur van zo’n proces.” Poppe hoopt dat de ministers die het advies onder ogen krijgen, vooral naar het geheel van het pakket kijken. “Wij zullen benadrukken dat dit advies een totaalpakket is. Als de overheid zegt: we nemen alleen het advies wat betreft de fiscaliteiten over, dan komen we er niet. Ik hoop dat deze gebieden door dit advies ook echt een nieuwe toekomst krijgen en de koppeling tussen platteland en stad wordt hersteld.”
Cover: ‘Steenwijk, Overijssel’ door xlaura (bron: shutterstock)









