Thumb_ontwerp en proces_0_1000px

Schaalsprong van de Amsterdamse stedenbouw

29 oktober 2010

12 minuten

Nieuws
Alle ophef over de stand van de stedenbouw is wat doorgeschoten, menen Ton Schaap en Gert Urhahn. Deze mannen met jarenlange ervaring in het vak, zien de crisis niet zo. Zij benadrukken liever de schaalsprong die de stedenbouw nu maakt, van de enkele stad naar het regionale niveau. Kan de stedenbouwer ook op dat niveau een omgeving scheppen die mensen gelukkig maakt?

Dubbelinterview Gert Urhahn en Ton Schaap

Ton Schaap is met zijn jarenlange staat van dienst bij Dienst Ruimtelijke Ordening (DRO) Amsterdam bijna de verpersoonlijking van het huidige elan in de Amsterdamse stedenbouw. Hij tekende onder meer plannen voor het Oostelijk Havengebied, de IJ-oevers en IJburg. Met zijn nuchtere, relativerende houding pareert hij de waan van de dag en tekent hij ondertussen gewoon door aan de opgaven in uitvoering. Stedenbouw is een kwestie van lange adem, en Schaap weet dat de ingewikkelde kwesties waar iedereen over valt uiteindelijk tot praktisch werkbare opgaven worden teruggebracht. Kijk naar de IJ-oevers, dat oorspronkelijk megalomane project waarin alles met alles verknoopt was, net als de Zuidas nu. ‘De stad móest de Zuidas wel als een groot samenhangend project op de kaart zetten, maar uiteindelijk breekt na de fase van chaos altijd het gezond verstand weer door. En nu gaat het uitgevoerd worden.’ De malaise in de stedenbouw waar het kabinet over rept, gaat grotendeels aan Schaap voorbij. ‘Ik zit in een paradijsje hier natuurlijk. De stad heeft een stevige traditie aan stedenbouw en ik ben daar een onderdeel van. Alles is hier eerst stedenbouw, voordat het infra of architectuur wordt. Elders is dat anders. In Enschede bijvoorbeeld moet stedenbouw echt bevochten worden. Daar gaat het eerst over een museum en o ja dan is er ook nog eens een context. Amsterdam is wat stedenbouw betreft zo ongeveer het laatste communistische bolwerk ter wereld, samen met Dubai, alleen met een andere agenda...’

Structuurvisie

Alle ophef over stedenbouw is misschien een beetje doorgeschoten, denkt Schaap. ‘In het buitenland is helemaal geen stedenbouw, en daar zijn ze ook gelukkig. Je moet je plek ook verdienen, het is niet vanzelfsprekend.’ Gert Urhahn kwam meer dan 25 jaar geleden uit Duitsland bij de toenmalige dienst Stadsontwikkeling binnen. Hij was verbaasd over het grote aantal mensen dat er werkte, zo’n driehonderd man. Maar de dienst deed dan ook álles zelf, van allerhande onderzoek tot tekenen. Voor particuliere bureaus was nog geen ruimte. Vijftien jaar geleden maakte Urhahn de overstap en richtte Urhahn Urban Design op, dat werkt voor opdrachtgevers in publieke en private sector. Ook Urhahn spreekt niet van een crisissituatie in de stedenbouw, hij vindt wél dat het vak stedenbouw te gesloten en maatschappelijk weinig zichtbaar is. ‘Er is op het niveau van de projecten natuurlijk wel de gebruikelijke participatie, maar op het niveau van de stad is er maatschappelijk nauwelijks aandacht voor de opgaven die er spelen. Ook in het college van Rijksadviseurs ontbreekt de stedenbouw. Terwijl stedenbouw toch echt iets anders is dan architectuur of landschapsarchitectuur.’

DRO verzorgde met curator Zef Hemel een onderdeel van de jongste architectuurbiënnale. Het doel van de Amsterdamse bijdrage, met Amsterdam Vrijstaat was om vrij te denken over de toekomst van de stad en daarmee een impuls te leveren voor de Structuurvisie die in de maak is. Gert Urhahn: ‘Amsterdam heeft een grote traditie in stedenbouw, maar DRO is erg op zich zelf gericht. Het thema, van de Biënnale, Open City, is daarmee echt van toepassing op Amsterdam. Vragen die daarbij van belang zijn: waar gaan we naartoe met de Metropoolregio Amsterdam? En ook: wat is de trigger, om Rotterdam aantrekkelijk te maken?’ In de Amsterdamse en de Rotterdamse inzending voor de Biënnale was een duidelijk verschil van benadering te zien, van het visionaire dromen versus het oplossingen zoeken voor de problemen van vandaag; het verschil ook tussen een succesvolle, groeiende stad en een stad in crisis die zijn middenklasse vrijwel geheel heeft verloren. Ton Schaap: ‘Down to earth problemen oplossen, zo zit ik ook in het leven. Ik ben in wezen geen Structuurplan-man, ik teken liever een wijk.’ De noodzaak voor een Structuurvisie ziet Schaap dan ook alleen als het om substantiële overheidsinvesteringen voor politieke doelstellingen gaat, zoals voor infrastructuur en duurzaamheid. En dat grand design? ‘Dat hebben we al, dat is de in de jaren dertig ontworpen lobbenstructuur.’

Harnas

Het met werkelijk iedereen bespreken van de Structuurvisie is iets waar Schaap zich allang bij neer heeft gelegd. ‘Dat zit ingebakken in de brave sociaaldemocratische genen van deze dienst. We willen met iedereen tot een consensus komen. En dus worden er 24 metropolitane plekken getekend en zes metrolijnen. Dat is niet per se fout, maar gewoon een onderdeel van het proces. Straks staan we weer met beide benen op de grond. Dit overleg komt voor een deel in de plaats van de planologische survey. Belangen en strevingen van partijen komen in de plaats van veronderstelde wetmatigheden.’ Urhahn vond de Biënnale inspirerend voor het vak en toonzettend voor het nieuwe Structuurvisie. ‘Het inspirerende is dat er over de grenzen wordt gekeken, het wordt een Structuurvisie van de metropoolregio, dus niet van de stad. Amsterdam binnen zijn grenzen zit op slot, er zijn weinig mogelijkheden meer. Andere stakeholders worden nu mee om tafel gevraagd en dat heeft in deze eerste fase heel positief gewerkt. Voor de eerste keer is ook in de regio een goed gevoel ontstaan bij dit plan. Nu is het aan de politiek en DRO om te focussen en te kiezen, want je kunt je natuurlijk niet in alle richtingen ontwikkelen.’

De regionale schaal is dus zeker relevant voor de stedenbouwkundige opgave, zegt Urhahn. ‘De metropoolregio is voor heel veel mensen gewoon dagelijkse realiteit. Alleen de politiek en de diensten worstelen ermee.’ Ook Schaap vindt dat een regionale visie nodig is, als het gaat om de keuze waar uiteindelijk de metrolijn getekend gaat worden. Getuigt de uitspraak van de voormalige directeur van DRO Klaas de Boer tijdens zijn afscheidssymposium dat één tramlijn met eindpunt IJburg wel genoeg is, niet van weinig feeling met de regio? In hoeverre denkt Amsterdam echt regionaal of is het niet meer een oplossing van de eigen problemen zoals het wegzetten van de woningbehoefte in Almere? Schaap: ‘Klaas de Boer is heel pragmatisch, en die houding deel ik met hem. De regiogedachte kent een paar sterke trekkers binnen de dienst, met grote verdiensten. Het gaat erom tafels te organiseren waar de waan van de dag met de rekensommen wordt geconfronteerd. Overal wil men wat anders, daar moet je mee kunnen dealen. De stad is geen harnas, zo moet het niet meer.’

Sturing en vrijheid

Urhahn Urban Design werkt de laatste jaren ook veel in Londen, waar een strategisch plan, The London Plan, ontwikkeld is, dat hoofdlijnen en zaken als infrastructuur, verdichting en transformatie helder aangeeft. Gert Urhahn: ‘Die kracht moet je op metropolitaan niveau organiseren, bijvoorbeeld met een IBA-achtige organisatievorm, die dwars door de verschillende niveaus heen kan opereren.’ De toekomst van de haven bijvoorbeeld is een regionale opgave waar verschillende gemeenten bij zijn betrokken. Of het feit dat Amsterdam geen goedkope werkruimte meer heeft. Er is geen keus meer in Amsterdam, onvoldoende variatie, alles is duur. Op de metropolitane schaal gekeken wordt Zaanstad dan interessant, ineens ontstaat er een groot aanbod aan goedkope bedrijfsruimte in de regio. Omgekeerd kan Zaanstad nu ook een herkenbare speler worden in de Amsterdam Metropool Regio, met bijvoorbeeld aantrekkelijke milieus aan het water. Urhahn: ‘Wij hebben als bureau in opdracht van de gemeente Zaanstad aangegeven hoe Zaanstad zich op een nieuwe manier naar het water en op Amsterdam kan richten. Stedenbouw is altijd een balans tussen sturing op het hogere niveau, en vrijheid op het lagere niveau. Zowel van die sturing als die vrijheid hebben we meer nodig. Maar een opdrachtgever op het regionale schaalniveau is er niet.’

Ondertussen is het nota bene het rijk dat zich de regionale opgave met de RAAM-visie Amsterdam-Almere toe-eigent. Heeft de regio dit besteld? Schaap: ‘Het is regionaal omarmd maar het initiatief komt nu van Almere. Een tunnel willen leggen op de plek waar het IJmeer het breedst is, ziet er op de kaart nog niet erg logisch uit. Het zou in de eerste plaats om duurzaamheid moeten gaan, om dichtheid en waar je die kunt realiseren.’ Volgens Urhahn is het cruciaal om vanuit de Structuurvisie de volgende stap te maken naar het formuleren van urgente regionale projecten en daar passende opdrachtgevers bij aan te zoeken.

Belangen

Stedenbouw is een spel van de grootste belangen, dat is altijd al zo geweest, zegt Schaap. Kijk maar naar de IJmeerlijn, met grote voorvechter Duivesteijn. ‘Grote stedenbouw is altijd het gevolg geweest van iemand die met zijn vuist slaat en zegt zo gaan we het doen. Terwijl, misschien is de meest ideale stedenbouwer wel iemand die tussen Moses en Jacobs in zit.’ Op de paar grote namen na is de stedenbouwer een redelijk anoniem persoon. Voor een architect is het gemakkelijker om roem te verwerven, hij zet met zijn gebouw iets neer dat al dan niet tot de verbeelding spreekt. In de stedenbouw is voor helden in de categorie ‘Idols’ geen plaats, zegt Schaap. Stedenbouw gaat over samenwerken. Urhahn relativeert. ‘Anderzijds komen alle goede stedenbouwkundige projecten in Amsterdam voort uit een persoonlijk handschrift. De kracht van een helder, relatief neutraal ontwerp dat een duidelijke sfeer kan communiceren. Dat met de juiste stedenbouwkundige principes of spelregels is ingevuld, specifiek is gemaakt. Die invulling kan helemaal mis gaan, kijk maar naar het plan voor het westelijke deel van het NDSM-terrein. Ook met dezelfde dichtheden zou daar iets sfeervollers kunnen ontstaan dan de blokken die nu bedacht zijn. De nieuwbouw van het hoofdkantoor van HEMA belooft niet veel goeds voor de toekomst.’

Schaap noemt het voorbeeld van het Oostelijk Havengebied. Dat is geen succes door de grachtjes van Sjoerd Soeters of de laagbouwzee van Adriaan Geuze, nee het succes is de beslissing om de oorspronkelijke structuur van schiereilanden te handhaven. Dát maakt de sfeer. En de invulling daarna, de doorontwikkeling van het concept, dat is bijna ingenieurs-achtig werk waar vele stedenbouwkundigen en architecten aan hebben getekend. ‘Persoonlijk weinig eer aan te behalen maar erg mooi werk. Als je de drang hebt om de stad in een schema te dwingen met jouw handtekening eronder, dan moet je dit vak niet gaan doen.’ Toch trad Schaap onlangs uit de relatieve anonimiteit met zijn boek Amsterdam. Het heeft ook best voordelen, erkent hij, de naamsbekendheid. ‘Ben je ergens bezig en dan roepen ze weer om Jo Coenen, want die kennen ze.’

Monsterverbond

De objectieve stedenbouw van Urhahn schept op de achtergrond de voorwaarden voor het bijzondere, voor identiteit, het maken van een plek. Stedenbouw is daarmee méér dan het scheppen van condities, ze maakt in de invulling ook de sfeer en het karakter van een plek. Ieder plan heeft een briljant moment nodig. Urhahn heeft kritiek op het plan voor de Zuidas. ‘Amsterdam slaagt er tot dusver onvoldoende in om hier een aantrekkelijk stuk stad te maken. Hier dreigt ondanks onze stedenbouwtraditie en ondanks de krachtige dynamiek een steriel stuk stad te ontstaan.’ Voor een groot deel heeft dit volgens Urhahn te maken met de steeds verdergaande schaalvergroting door gebiedsontwikkeling. De overheid is al lang blij als de grote ontwikkelende partijen zich melden. Gebieden worden bijna automatisch verkaveld in grote ontwikkelingseenheden, met het blok als kleinste korrel.

De stelling van Urhahn is dan ook dat we in de Nederlandse stedenbouw het perceel als ontwikkelingseenheid zijn kwijtgeraakt. ‘Leg het business district van Manhattan eens op de Zuidas, dan zie je dat één blok van de Zuidas in Manhattan wel tien of vijftien percelen beslaat. Het is juist het karakter van een stad dat ze hoge dichtheid kent, en diversiteit. Ze moet vermaken, verrassen, onvoorspelbaar zijn. De stad leeft op ooghoogte, ze bestaat bij de gratie van de levendigheid, mensen zien.’ Schaap is het daar mee eens. ‘Ik heb het geprobeerd op Borneo-Sporenburg, maar dat pikt het Ontwikkelingsbedrijf niet vanwege al de verschillende eigendommen van percelen. Alsof we tegenwoordig geen computers hebben! De meest succesvolle stukken van IJburg zijn de straatjes met vrije kavels. Sinds Wibaut wordt de stedenbouw in Amsterdam gedomineerd door het monsterverbond van de stad met de corporaties.’

Openbare ruimte

Bob van Reeth is nu aangetrokken als supervisor om klus te klaren bij de Zuidas. Maar is de Zuidas niet gebaseerd op premissen die met het omvallen van de financiële sector in Amsterdam helemaal niet meer bestaan? Dat dit een top A1-bereikbaarheidslocatie is, staat buiten kijf, meent Urhahn. Maar de opgave bestaat er uit het financiële district te combineren met andere functies. ‘Hoe zorg je ervoor dat de kleine schaal die het leven leuk maakt er ook in wordt gebracht? Daarvoor is een goede ruimtelijke ontwikkelingsstrategie nodig. Hoe wil je het ontwikkelingsproces vormgeven, dát is de cruciale vraag.’ Gaat de stedenbouw dan ook over het programma? Voor Schaap niet. ‘Dat is echt iets voor de planologen en die kunnen het maar ten dele naar hun hand zetten. Het interessantst vind ik het stadium van de eerste link tussen programma en locatie, in drie dimensies, met een goede oplossing voor het verkeer erbij. En elk stedenbouwkundig plan doet uitspraken over het proces. Dat kan de zaak ook maken of breken. Andersom beïnvloedt het proces de planvorm.’

Voor Schaap moet de hele Zuidas-ontwikkeling radicaal vanuit de openbare ruimte worden vormgeven, met een paar eenduidige regels. Een raamwerk dat flexibiliteit toelaat maar zo dat iedereen verder zijn eigen zaakjes kan regelen. ‘Een gelaagdheid in verantwoordelijkheden leidt tot een interessant stuk stad. Het grid is van de stad, het blok ook nog en het pand is van iemand anders. Zorg maar dat je die auto’s onder je gebouw stopt, ik wil er maar zoveel zien in de openbare ruimte.’ De echte stad speelt zich af in de openbare ruimte, en dus is de openbare ruimte ook de kern van het vak stedenbouw. Urhahn beaamt dat, maar de openbare ruimte houdt voor hem niet op bij de gevel. ‘Het programma is net zo belangrijk. Een stedelijke plint maken gaat niet zozeer over hoogte en breedte, maar over het karakter, oftewel het programma.’

Geluk

Eén van de aandachtspunten van de architectuurnota was het opdrachtgeverschap, dat fragmenteert en op relevante schaalniveaus zelfs geheel ontbreekt. Het spectrum voor de stedenbouwkundige is in ieder geval breder geworden, met de mondige, competente burger en andere nieuwe partijen in het veld. In de metropoolregio Amsterdam ontbreekt het opdrachtgeverschap op het niveau van de regionale schaal constateerden Urhahn en Schaap in ieder geval al. Maar verder verandert er in de hoofdstad niet zo veel in de sfeer van het opdrachtgeverschap. ‘Als we vast zitten bellen we Ymere,’ grapt Schaap. Eén van de weinige corporaties trouwens die serieus openstaat voor participatie en aan schaalverkleining, zegt Urhahn. Schaap wordt vooral geïnspireerd door initiatiefnemers vanuit de stad zoals een directeur van het Filmmuseum, die zelf iets willen bouwen en daarbij een visie hebben.

In hoeverre ligt het uiteindelijk in de macht van de stedenbouw om het verschil te maken? Stedenbouw kan wel degelijk bijdragen aan het menselijk geluk, zegt Urhahn. ‘De opgave is om de juiste sfeer te creëren en de juiste verblijfskwaliteit met daarin ruimte voor het onvoorziene, voor verrassingen. Zo’n stad, waarin velen participeren, is als een levend organisme. De mensen vormen de stad en de stad vormt de mensen.’ Het klinkt truttig, denkt Schaap, maar hij vindt dat je met stedenbouw omgevingen kunt maken waar mensen zich prettig en veilig voelen, en waarmee je zoiets als fatsoenlijk gedrag, ja zoiets als beschaving afdwingt. ‘Dat mensen niet in hun joggingbroek de straat op gaan maar zich bedenken dat het beter past om een hoed op te zetten of iets anders dat gezien mag worden.’



Meest recent

Bryant Park in New York door Leonid Andronov (Shutterstock)

De maakbaarheid van een prettige leefomgeving

Integraal gebiedsbeheer kan helpen om de leefomgeving in bestaande en nieuwe buurten en wijken te verbeteren. Maar wat is het precies? Het Urban Land Institute maakt een ronde langs de experts en zoekt uit wat de kansen en bedreigingen zijn.

Analyse

15 augustus 2022

“Binckhorst Den Haag in tranformatie” (CC BY-SA 2.0) by nandasluijsmans

Wat participatieve placemaking bijdraagt aan gebiedsontwikkeling

Volgens TU Delft-onderzoeker Geertje Slingerland is de betrokkenheid van bewoners cruciaal bij placemaking en ontwikkelde daarvoor een aantal principes. Zij presenteerde dit tijdens het laatste jaarcongres Stedelijke Transformatie.

Verslag

15 augustus 2022

GO zomertour door CrispyPork / Ineke Lammers (Shutterstock bewerkt door GO.nu)

GO Zomertour 2022 #5: El Cabanyal in Valencia

Het pittoreske vissersdorp El Cabanyal werd jarenlang bedreigd door de sloopkogel om de toeristenindustrie in Valencia te versterken. In deze aflevering van de GO Zomertour gaan we naar wat een van de coolste wijken van Europa moet zijn.

Uitgelicht
Casus

12 augustus 2022