platform voor kennis, nieuws en debat
platform voor kennis, nieuws en debat
Verslag

Soort zoekt soort: sociaal-economische scheidslijnen in Nederland

Soort zoekt soort: sociaal-economische scheidslijnen in Nederland

Thumb_Openbare ruimte_1_1000

2 sep 2013 - Op 13 juni 2013 troffen 65 onderzoekers en stedelijke professionals elkaar in Pakhuis de Zwijger in Amsterdam. Het gemêleerde gezelschap van economen, geografen en sociologen kwam bijeen om een interdisciplinair vraagstuk tegen het licht te houden: hoe zien de nieuwe sociaal-economische scheidslijnen in Nederland eruit en wat zijn de gevolgen hiervan? Uitgangspunt is de observatie dat mensen van een bepaald opleidingsniveau en inkomen elkaar steeds meer opzoeken. Dit brengt enerzijds agglomeratievoordelen met zich mee maar anderzijds veroorzaakt dit segregatie en een groeiende tweedeling in het land en in de stad. Tijdens de workshop, georganiseerd door de Vrije Universiteit Amsterdam, afdeling Ruimtelijke Economie en Platform31, werd het vraagstuk vanuit verschillende invalshoeken belicht.

Kracht van de stad verklaard

Professor Bas ter Weel (Centraal Planbureau en Universiteit Maastricht) ging in zijn presentatie in op de vraag wat steden nu zo krachtig maakt. Hij stelde dat sterke steden in staat zijn om slimme mensen aan te trekken en vast te houden (magneetfunctie). Steden zijn uitermate geschikt om te profiteren van nieuwe ontwikkelingen in de communicatietechnologie, omdat het uitwisselen van kennis hier eenvoudig is en omdat er een grotere kans is op een match op de arbeidsmarkt. In productieketens draait het niet langer om bedrijfssectoren, maar om de taken van bedrijven. Met oog op de groeiende internationale concurrentie is het voor Nederland van belang om de taken, die niet eenvoudig te verplaatsen zijn en/of te splitsen, te binden aan de steden. Het opleidingsniveau van de beroepsbevolking speelt een belangrijke rol bij het aantrekken van deze taken. Het is nog onzeker hoe de ontwikkelingen zich zullen voortzetten de komende jaren. Ter illustratie presenteerde Ter Weel twee scenario’s uit de CPB- publicatie ‘Netherlands 2040’. Het eerste scenario was gebaseerd op spreiding en gelijkheid en groei van de lokale en regionale economie, terwijl het tweede scenario uitging van een concentratie van economische activiteiten in een beperkt aantal gespecialiseerde steden. Na afloop brak de discussie los of de groeiende ongelijkheid tussen Nederlandse steden en dorpen wel wenselijk is. Als alle slimme mensen naar de stad trekken, welk gevolg heeft dit voor de opleidingskansen van de mensen die achterblijven? Daarnaast werd de vraag gesteld of het wel welvaartsverhogend werkt om alles in te zetten op één of enkele steden. Dit betekent dat de steden zullen moeten compenseren voor het verliesgevende platteland. Dit terwijl juist de steden momenteel de grootste economische problemen kennen (gelet op bijvoorbeeld werkloosheid) en niet zozeer de meer perifere regio’s.

Brain Drain of Brain Gain?

In de parallelsessie Arbeidsmarkt ging professor Jouke van Dijk van de Rijksuniversiteit Groningen in op de vraag in hoeverre gemeenten zich zorgen moeten maken dat alle slimme mensen naar de stad trekken. Hij deed dit op basis van het Kennis voor Krachtige Steden onderzoek Brain Drain of Brain Gain? Hij stelde vast dat het merendeel van de Nederlandse bevolking aardig honkvast is en dat we dus niet hoeven te vrezen voor een massale leegloop. Een substantieel deel van de bevolking verhuist echter wel om studie-, woon- of werkredenen. De verhuismobiliteit is het grootst onder hoger opgeleiden. Uit het onderzoek blijkt tevens dat wonen een meer plaatsbindende factor is dan werken. Daarbij komt dat Het Nieuwe Werken het eenvoudiger maakt om wonen en werken ruimtelijk te scheiden. Uit het onderzoek komt naar voren dat er sprake is van ‘brain drain’ richting de Randstad. Na het afstuderen in de stad spreidt de bevolking zich uit naar minder stedelijke en meer rurale gebieden. Amsterdam (en in mindere mate Rotterdam) vormt hierop echter een uitzondering. Zij oefenen namelijk ook een magneetwerking uit op afgestudeerden uit andere steden. Voor Groningen geldt het tegenovergestelde; daar vertrekt men juist na het af studeren.

Effect van hoger opgeleiden in de stad

In hoeverre gemeenten afgestudeerden voor de eigen arbeids- en woningmarkt kunnen behouden is afhankelijk van de werkgelegenheid in de stad en regio. Uit het onderzoek van Stefan Groot van de Vrije Universiteit Amsterdam blijkt dat de aanwezigheid van hoogopgeleiden een positief effect heeft op het loonniveau. Ook bestaat er een positief verband tussen het aantal banen en het loonniveau. Groningen had in de jaren negentig de twijfelachtige eer dat zij de hoogst opgeleide werklozenbevolking had van Nederland. Voor steden zoals Amsterdam en Rotterdam – die een grotere werkgelegenheid hebben – kan het wel degelijk nut hebben beleid te voeren op het behouden van afgestudeerden. Het beleid kan zich in dit geval het beste richten op het in beeld brengen van (nu nog vaak latente) woonwensen van de doelgroep, gerelateerd aan de eigen, voor de stad kenmerkende, ‘amenities’.

Belang van cultureel erfgoed

In de parallel sessie Ruimtelijke Segregatie spraken Willem Boterman van de Universiteit van Amsterdam en Mark van Duijn van de Vrije Universiteit Amsterdam over een toename van middenklasse gezinnen met kinderen die zich in stadscentra vestigen. Gentrificatie is hiervoor één van de oorzaken. De aanwezigheid van cultureel erfgoed speelt een belangrijke rol in deze aantrekkingskracht. Een concentratie van hoger opgeleiden (en dus hogere inkomens) versterkt vervolgens dit proces, wat resulteert in de vestiging van hoogwaardige dienstverlening en bedrijvigheid, wat op haar beurt weer bijdraagt aan de huizenprijzen die mensen bereid zijn te betalen voor het wonen in een stadscentrum met cultureel erfgoed. In de publicatie “Cultureel erfgoed op waarde geschat” kunt u meer lezen over de grote economische toegevoegde waarde van cultureel erfgoed.

Na afloop van de presentaties komt de vraag aan de orde in hoeverre steden die minder kunnen ‘bouwen’ op een historisch stadscentrum (zoals Rotterdam en Heerlen), toch aantrekkelijk kunnen zijn voor middenklasse gezinnen. Het voorzieningenniveau – in dit onderzoekskader ook wel op te vatten als cultureel (consumptie) kapitaal – is het belangrijkste aspect waar steden zelf invloed op kunnen uitoefenen.

Invloed etnische diversiteit op wijken

Na de twee parallel sessies sloot professor Evelien Tonkens (Universiteit van Amsterdam) de dag af met een presentatie over de invloed van etnische diversiteit op wijken en zelforganisatie. Zij stelde dat etnische diversiteit leidt tot minder vertrouwen in een wijk tussen etnische groepen. Automatisch volgt de vraag of het dan logisch en wenselijk is om homogeniteit ongebreideld toe te staan of zelfs te bevorderen via beleid. Tonkens is van mening dat sociale interventies en bijsturing – al dan niet gericht op zelforganisatie – wenselijk is om etnische diversiteit en het buurtvertrouwen een kans te (blijven) gunnen om zich te ontwikkelen.

Zelforganisatie en burgerinitiatieven

Uit Engels onderzoek blijkt dat burgers die actief zijn in zelforganisatie diegenen zijn die sociale en politieke activiteiten ontplooien. Deze groep is betiteld als de zogenaamde ‘civic core’. Deze groep is in het algemeen hoger opgeleid, van middelbare leeftijd, actief religieus, manager of professional, en minimaal 10 jaar woonachtig in dezelfde buurt. Als een gevolg van “soort zoekt soort” zijn burgerinitiatieven vaak ook geconcerteerd in bepaalde buurten en wijken, en woont de ‘civic core’ doorgaans niet in de kwetsbare wijken waar juist behoefte is aan zelforganisatie en burgerinitiatieven. Als een zekere mate van etnische diversiteit wenselijk wordt geacht, geldt voor het ruimtelijk beleid dat er woningen voor ‘bruggenbouwers’ beschikbaar moeten zijn in een wijk. Bruggenbouwers zijn mensen die beroepsmatig al gewend zijn om sociaal of verbindend op te treden, zoals onderwijzers of verpleegsters, en zij doen dit dan ook in hun eigen woonomgeving eerder. Beleid zou – volgens Tonkens – responsief moeten zijn op het feit dat uit onderzoek blijkt dat de mogelijkheid tot het maken van carrière in de ontplooiing van burgerinitiatieven aanstekelijk werkt, en daarnaast ook nog eens positief uitwerkt op sociale en politieke betrokkenheid. Momenteel onderzoekt Tonkens samen met collega’s de verschuivingen tussen professionals en vrijwilligers in de sociale sector in het Kennis voor Krachtige Steden onderzoek: Kunnen we dat (niet) aan vrijwilligers overlaten? Daarnaast was zij onder andere betrokken bij het onderzoek ‘Leren participeren: een onderzoeksagenda over de Wmo’ en het onderzoek ‘Burgers maken hun buurt’.

Meer informatie

De presentaties van de verschillende sprekers zijn hieronder te downloaden. Naar aanleiding van de workshop zal er in het najaar een publicatie verschijnen met bijdrages van de verschillende sprekers. De publicatie zal geïllustreerd worden met het werk van fotograaf Rufus de Vries. Hij fotografeerde afgelopen jaren de stedelijke vernieuwing in Amsterdam Nieuw West en maakte de serie Buurtbanden. Deze serie gaat over ontmoeting tussen mensen die elkaar kennen doordat ze bij elkaar in de buurt wonen. Het betreft de krachtwijk Slotervaart.

Zie voor de presentaties:

Blijf op de hoogte