platform voor kennis, nieuws en debat
platform voor kennis, nieuws en debat
Boekrecensie

Stadsvernieuwing 2.0

Stadsvernieuwing 2.0

Recensie Vernieuwing van de stadsvernieuwing

7 feb 2014 - De stadsvernieuwing bestrijkt de periode 1970 – 1990 en betreft de ingrijpende vernieuwing van onze vooroorlogse buurten. Het was de tijd van ‘bouwen voor de buurt’, voortgekomen uit protest tegen grote stadsdoorbraken voor grootschalige infrastructuur en rigoureuze stadssanering door sloop. De ‘Vernieuwing van de stadsvernieuwing’ gaat in sterke mate over het verbinden van deze stadsreparaties met de rest van de stad. De auteurs van het gelijknamige boek constateren dat de stadsvernieuwing te autonome en te monofunctionele (i.e. wonen) gebieden hebben opgeleverd. Veel voorzieningen (winkels, buurtfuncties en kleinschalige werkruimtes) werden weggesaneerd om er niet meer terug te komen. De eerste conclusie van dit boek is dat de stadsvernieuwing tussen 1970 en 1990 geïsoleerde en in zichzelf gekeerde woonwijken heeft opgeleverd, omdat de oriëntatie van deze wijk op de stad feitelijk is afgezwakt. Hoe nu verder, is de centrale vraag. Dat is waar het pleidooi voor ontwerpkracht wordt ingezet. In het boek worden vier stadsvernieuwingswijken uitvoerig tegen het licht gehouden, gelardeerd met essays van Henk Engel, Endry van Velzen en Olof van de Wal over de actualisatie van de stadsvernieuwing.

Essays

Henk Engel zet in zijn bijdrage ‘Tussen wederopbouw en stedelijke vernieuwing’ de geschiedenis van de stadsvernieuwing helder en overzichtelijk neer. Rond 1970 goed op gang geholpen door staatssecretaris Jan Scheafer, duurt de operatie een jaar of twintig. Sinds de nadruk (vanaf de Vierde Nota) op de internationale concurrentiekracht van Nederlandse steden, ging het ‘bouwen voor de buurt’ over in een nieuwe fase van ‘stedelijke vernieuwing’ met meer nadruk op de stad als geheel.
Olof van de Wal stelt in ‘Strategieën voor ontwikkeling op uitnodiging’ de actuele vraag of de stadsvernieuwing werkelijk effect heeft gehad en legt uit dat het huidige tijdgewricht zich (noodgedwongen) afkeert van ‘fysiek determinisme’ en de maatschappelijke agenda zich heeft verplaatst naar het sociale domein. Met andere woorden, het realiseren van de sociale, politieke agenda ligt niet langer op het bord van de ruimtelijk ontwerper. En dat biedt mogelijkheden voor nieuwe relevantie voor het ontwerp. Van de Wal noemt dat: ‘van plannen op wat moet, naar sturen op wat kan’.
Endry van Velzen pleit in ‘Ontwerpen voor een andere aanpak’ voor radicale bescheidenheid, nu gebleken is dat ‘stedenbouw en architectuur stedelijke problematiek in brede zin niet oplossen’. Daarmee is de ontwerper bevrijd van de verwachting om vorm te geven aan maatschappelijke doelstellingen en kunnen ontwerpers zich, volgens Van Velzen, weer richten op verbetering van de fysieke structuur van de stad. De vier ontwerpstudies moeten in dat licht worden gezien.
In deze, op zichzelf zeer lezenswaardige essays is overigens wel sprake van enige overlap, met name waar de auteurs in hun individuele bijdragen de vier projecten bespreken.

Vier keer stadsvernieuwing 2.0

In vier grote steden – Leiden, Den Haag, Rotterdam, Amsterdam – is een stadsvernieuwingslocatie gekozen, allemaal met het predicaat probleemwijk. Het is schrikken om te zien hoeveel kaalslag in die periode heeft plaatsgevonden, wat goed in beeld is gebracht met historische kaarten en foto’s. Vier buitenlandse bureaus (geen ‘usual suspects’) zijn gevraagd om met hun ‘buitenstaandersblik’ op deze locaties te reflecteren, met zeer verschillende aanpak en uitkomst tot gevolg.
De wat voorzichtige aanpak van De Smet Vermeulen Architecten voor de Oostzijde van de historische binnenstad in Leiden resulteert in een subtiel voorstel om twee nog niet gerealiseerde plannen (van Zumthor en Lola) te verbinden en nog beter tot hun recht te laten komen, enkel op basis van een aangepast rooilijnenplan en de oproep tot flexibele, aanpasbare gebouwen. Het is een dienstbaar voorstel, maar de analyse zet wel aan tot nadenken en ververst onze kijk op het gebied.
In de Schilderwijk in Den Haag, waar Adri Duivesteijn zich ooit zo hard voor maakte, ziet het Brusselse 51N4E als belangrijkste opgave om ‘de eilanden van bedrijvigheid’ weer te verbinden. Een reeks van ‘mogelijke productieve ruimten’ worden in een voorbeelduitwerking aan de bestaande structuur van de wijk toegevoegd. Langs de randen vooral gericht om het leggen van verbindingen met omliggende gebieden, in het hart van de wijk gericht op het laten van ruimte voor (particuliere) initiatieven. Voor Fusi & Ammann Architekten is de Rotterdamse casus aanleiding voor reflecties over de hedendaagse Europese metropool. De wijk Feijenoord is sinds de ontwikkelingen op de Kop van Zuid een beetje de ‘achterkant van Rotterdam Zuid’ geworden. Een betere aansluiting wordt voorgesteld door een derde stadsbrug (vaker ter sprake gekomen) aan te leggen en de morfologie van de stadsvernieuwing aan te passen. Het levert een tamelijk traditioneel plan op, een massastudie waarbij gebouwen als contramal voor de nieuwe, gewenste openbare ruime dienen.
De casus in Amsterdam richt zich op het Flevopark, de toegankelijkheid van deze ‘verborgen groene parel’ en de betere aanhechting met de omringende stad en de Indische buurt in het bijzonder. Het bureau East stelt een hele reeks van relatief kleine interventies voor, gebaseerd op lokale initiatieven. Het gaat hun vooral over de leesbaarheid van de openbare ruimte. Het samenhangende idee moet ontstaan door verbinden, verlevendigen en ‘catch and steer’ van andere initiatieven van zowel binnen als buiten het plangebied.

Ontwerp en onderzoek

Hoe reëel of uitdagend de ontwerpen ook zijn en hoe prachtig verbeeld, het blijven natuurlijk maar vingeroefeningen. Een volgende ontwerper zal waarschijnlijk met een ander voorstel komen. En hoewel lokale partijen zijn gevraagd om input te leveren, blijft de voorgestelde oplossing toch gebaseerd op een laboratoriumsituatie.
Persoonlijk vind ik de in brede kring veronderstelde relatie tussen ontwerp en onderzoek al gauw een problematische. Ontwerpen en onderzoeken zijn twee verschillende activiteiten die weliswaar parallel kunnen plaatsvinden en elkaar verder kunnen helpen, maar nooit tegelijkertijd het ene én het andere kunnen zijn. Je kunt immers niet anticiperen op een toekomst en tegelijkertijd achterom kijken. De betrokkenen bij dit project lijken zich daarvan bewust. Ze bedden het ontwerp zo zorgvuldig mogelijk in binnen het totale project en spreken met voorzichtige woorden over de betekenis van de vier voorstellen voor de praktijk. De ontwerpen worden nadrukkelijk gestuurd en gevoed door de input van de onderzoekers. Na afloop van de ‘vingeroefeningen’ (citaat van Fusi & Ammann) vindt kritische reflectie plaats door de samenstellers van het boek. In een proces van haasje-over worden de ontwerpers aan het werk gezet en wordt na hun ontwerpinspanning – die door de ontwerpers in voorzichtige bewoordingen (veel ‘zou kunnen’, ‘als’ en ‘biedt mogelijkheden’) wordt toegelicht – gereflecteerd op hun werk. Zo krijgt in dit boek het ‘exploratief ontwerpen’ betekenis in een reeks van onderzoek – ontwerp – onderzoek.

Tot slot

In dit no-nonsense vormgegeven boek, met sterke fotografie van Jannes Linders, speelt het verbinden van stadsvernieuwingswijken – zeker de problematische – met de rest van de stad een centrale rol. Ook constateren de samenstellers een verschuiving van de grootschalige gebiedsontwikkeling door publiek-private samenwerking met langjarige programma- en investeringsafspraken naar stedelijke vernieuwing op uitnodiging. Hieronder verstaan ze een strategisch ruimtelijke agenda, die richting kan geven aan uiteenlopende initiatieven en projecten. Daarmee verdwijnt de fysieke opgave van de politieke agenda en verschuift naar het sociale domein. Lokale bottom-up initiatieven zijn een welkome aanzet voor een andere aanpak, maar het werken aan de stad vraagt meer dan alleen deze initiatieven van onderaf. Deze moeten wel worden verbonden door een visie op het grotere geheel en de langere termijn, waarin private initiatieven en de publieke zaak samengaan.
Het boek eindigt met vijf aanbevelingen van de drie auteurs. Lees de stad in zijn gelaagdheid (de bestaande stad is het uitgangspunt), werk aan een strategisch ruimtelijke agenda (de aanpak van de bestaande stad is gebaat bij een agenda voor het grotere geheel en de langere termijn), stel interventies centraal (de daadwerkelijke verandering van de stad gebeurt door middel van interventies), verbreed het vakmanschap (de crux van de nieuwe praktijk is verbinden) en zoek de dialoog (belangrijk in de nieuwe praktijk is openheid).
Al met al een nuttig boek, met enigszins vrijblijvende maar prikkelende voorbeelduitwerkingen voor concrete locaties. Een aanrader voor alle ontwerpers, gemeenteambtenaren, institutionele partijen en ondernemende burgers die actief betrokken zijn bij de ontwikkeling van de bestaande stad.

Vernieuwing van de stadsvernieuwing
Pleidooi voor ontwerpkracht

Henk Engel, Endry van Velzen, Olof van de Wal
trancity*valiz
Bestel het boek

Zie ook:

Auteur

Portret - Jeroen Mensink
Jeroen Mensink

Redacteur Gebiedsontwikkeling.nu | architect/eigenaar bij JAM* architecten

Bekijk alle artikelen
Blijf op de hoogte