Bourtange, Groningen door Rudmer Zwerver (bron: Shutterstock)

Zo is Nederland in 2.000 jaar tijd ingericht

25 augustus 2023

10 minuten

Recensie Het is een uitgave die iedere Nederlander kan interesseren: de ‘Historische atlas van Nederland’. Recensent Frits Verhees nam de 35 hoofdstukken tot zich en paste de methode van tijd en lagen toe op West-Nederland.

Reinout Rutte, docent aan de TU Delft en tevens fervent fietser, heeft een belangwekkende combinatie vervaardigd van boek en atlas. Het belang van dit werk (een uitgave van Uitgeverij Thoth) is gelegen in de samenhang die hij beschrijft en onderbouwt met teksten en prachtig kaart- en fotomateriaal. De samenhang betreft in eerste instantie de tijd. Dat is knap, het gaat immers over een periode van 2.000 jaar. Maar het gaat ook om de samenhang in de lagen die de inrichting van Nederland hebben bepaald – en dat nog steeds doen.

Rutte omschrijft het mooi op het einde van het boekwerk: “Leg je de inhoud, de kaarten, de foto’s en de kunst uit de voorgaande hoofdstukken denkbeeldig in lagen over elkaar, bestudeer je al fietsend de landschappen, de steden, de dorpen en de bebouwing, dan ga je begrijpen waarom Nederland er tegenwoordig zo uitziet als het eruitziet.” Hij probeert een en ander samen te vatten in een kaart in het laatste hoofdstuk van het boek.

Opnemen in de opleiding

Iedere Nederlander heeft iets aan deze prachtige uitgave. Dat geldt zeker ook voor de professionals, de overheid en de studenten planologie, stedenbouw, architectuur. Een goed begrip van de krachtige achterliggende factoren die onze ruimtelijke orde bepalen is voor al deze groepen belangrijk. Laat ik het bij mezelf houden. In mijn opleiding planologie in de jaren tachtig en wat ik nu als gastdocent vanaf 2007 zie aan de planologie-opleidingen in Groningen en Nijmegen, maakten fysische geografie, ruimtelijke economie, stadsgeografie, demografie en planningtheorie onderdeel uit van het curriculum. Maar nooit kwam daarbij de samenhang in tijd en lagen scherp in beeld.

Het doet me deugd dat diverse docenten positief reageerden op mijn oproep op LinkedIn om dit boekwerk annex atlas onderdeel te maken van de opleidingen die zich richten op de fysieke leefomgeving. Op het einde van deze bespreking maak ik duidelijk waarom het begrip van deze samenhang zo belangrijk is in de opleidingen van onze toekomstige ruimtelijke planners en beleidsmakers.

Rutte beschrijft elke laag afzonderlijk en legt dan hier en daar verbindingen met de andere lagen. Daarmee moet je dan zelf aan de slag

Rutte beschrijft en verbeeldt de afzonderlijke lagen per hoofdstuk, waarbij hij veel aandacht besteedt aan de dragende lagen: de Nederlandse cultuurlandschappen en de waternetwerken. We hebben in totaal tien cultuurlandschappen in dit land; denk aan de veenontginningen, de rivierkleilandschappen, de zandontginningen, de droogmakerijen et cetera. Zij waren (en zijn dat in feite nog steeds) sturend voor het gebruik van het land en de inrichting. Sturend voor de lagen die Rutte verderop bespreekt: de vorming van steden en stadsontwikkeling vanaf de vroege middeleeuwen, het nieuwe land, de infrastructuur van dijken, kanalen, spoorlijnen en rijkswegen, de jonge landschappen in het zuiden en oosten, de grote werken (Zuiderzee, Delta), de ruilverkavelingen, de expansie van steden via overheidsbeleid en de nieuwe ‘landschappen’ (industrie IJmond, Haven Rotterdam, Schiphol).

Aan de slag ermee

Rutte wil dat we zelf actief de ontwikkeling van ons land ontdekken (ik verwijs naar het bovenstaande citaat). Hij doet dat letterlijk, door ons uit te nodigen te gaan fietsen en de meesterwerken zelf te aanschouwen. Maar ook intellectueel worden we geprikkeld. Hij geeft de samenhang in onze ruimtelijke inrichting niet zomaar prijs. Hij beschrijft elke laag afzonderlijk en legt dan hier en daar verbindingen met de andere lagen. Daarmee moeten we vervolgens zelf aan de slag. Dat is de kracht van dit werk. Ik heb deze uitdaging op me genomen met als voorbeeld de geschiedenis van West-Nederland. Hoe kunnen we dit gebied lezen in termen van het aanbrengen van samenhang in tijd en lagen? Ik ga hiervoor (dus) dwars door het boek heen.

Het Groene Hart door Peter van Haastrecht (bron: Shutterstock)

‘Het Groene Hart’ door Peter van Haastrecht (bron: Shutterstock)


West-Nederland is een cultuurlandschap van veenontginning (de eerste laag). Het was in aanvang een moeilijk gebied: waterrijk, drassig maar wel erg vruchtbaar. De graven en bisschoppen lieten hun rechten gelden en ontgonnen de gebieden met regelmatige strokenverkavelingen en waterlopen, met de boerderijen op de koppen van de kavels. Hierdoor werd akkerbouw mogelijk en kregen de dorpen hun uiterlijk van linten. Dit is nog mooi zichtbaar in de Krimpenerwaard en Alblasserwaard en bij Schoonhoven. Rechten en plichten van de boeren werden vastgelegd in Cope-contracten, vandaar plaatsnamen als Boskoop en Nieuwkoop.

Afwatering regelen

Deze veenontginningen legden de basis voor de verdere ontwikkeling van dit gebied. Ze maakten economische bloei mogelijk. Een stap (laag) verder borduurde hierop voort en dan hebben we het over het waternetwerk. Immers, door ontginning daalde het maaiveld en moest de afwatering geregeld worden (dit is dus niet een nieuw verschijnsel waar we ons in het westen van Nederland nu zo druk over maken). Zo kwamen er sluizen, dammen en kanalen en ontstond een fijnmazig watersysteem, noord-zuid gericht en dwars op de grote rivieren die oost-west gericht zijn.

Voor het waterbeheer hadden we waterschappen nodig en die kwamen er dus ook. Door het dalende maaiveld verschoof de akkerbouw naar de veeteelt vanaf de veertiende eeuw en ontstonden de uitgestrekte veenweiden. Verder moesten er dijken komen (weer een laag) en polders, allemaal vanwege de maaivelddaling.

Turf als brandstof

Vervolgens zag men ook nieuwe kansen vanwege de voortgaande vernatting: het scheppen van turf als brandstof. De Vinkeveense en andere plassen hebben we hieraan te danken. Die turf kwam goed uit want door de ligging nabij (de grote) rivieren, de ontginning en de noord-zuid waterverbindingen ontstonden en groeiden handelssteden als Amsterdam, Leiden, Rotterdam. Ook de nog grotere zuidelijke Nederlandse steden als Antwerpen en Brugge hadden op grote schaal turf nodig als brandstof.

Antwerpen, België door STLJB (bron: Shutterstock)

‘Antwerpen, België’ door STLJB (bron: Shutterstock)


De verstedelijking in het westen van Nederland (alweer een volgende laag) kreeg een enorme impuls door een belangrijke historische gebeurtenis in de tachtigjarige oorlog: Antwerpen werd in 1585 ingenomen door de Spanjaarden. Daarna namen de Hollandse steden de rol van deze grote handelsstad over. Vele zuidelijke Nederlanders trokken naar Amsterdam en andere steden in het westen. Deze specialiseerden zich en de stedelijke burgerij trok de macht naar zich toe. Mede hierdoor werd Noord-Nederland in de zeventiende eeuw, inmiddels de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, de grootste wereldmacht.

Geboorte van de grachtengordel

Het waternetwerk (oorspronkelijk voor de afwatering bedoeld en ‘binnen dunen’ genaamd) kon goed gebruikt worden voor het transporteren van de turf naar de groeiende steden en voor de wereldhandel. Later werden voor dit doel de Veenkoloniën (in Drenthe en Groningen bijvoorbeeld) ontgonnen. Al deze welvaart leidde tot forse stadsuitbreidingen. Een stad als Amsterdam werd in korte tijd vier keer zo groot. Toen al sneuvelde de middeleeuwse stadsmuur en werd de grachtengordel geboren. Maar het leidde ook tot de eerste vorm van geplande stedenbouw middels sociale en functionele segregatie en het aanstellen van de ‘stadsfabriek’ (het door het stadsbestuur ingehuurde stedelijke bouwbedrijf dat de aanleg en onderhoud van straten en dergelijke op zich nam).

Er verrezen nieuwe gebouwen ‘onder architectuur’ zoals het nieuwe stadhuis van Jacob van Campen (het huidige Koninklijk Paleis op de Dam) en de Waag in Leiden. Het neoclassicisme (later Hollands classisme) raakte in de mode voor al die nieuwe gebouwen, stadspoorten, markhallen en pakhuizen.

Nieuwe manieren om te bouwen

In de periode na het rampjaar 1672 zakten de Hollandse steden weg. Soms halveerde het inwoneraantal, tot een nieuwe bloeiperiode aanbrak door de aanleg van grote infrastructuren (de laag spoorwegen en kanalen) in de 19de eeuw. Dit gaf ook de aanzet voor de late industrialisatie in Nederland, voornamelijk op de tot dan toe lege arme zandgronden in Brabant en Overijssel (Twente). In de grote steden in het westen werd ruimte gezocht en gevonden voor de nieuwe grote gebouwen van die tijd zoals stations, hotels, schouwburgen en universiteitsfaculteiten, vaak in neostijlen of mengelingen qua architectuur.

Central Station, Amsterdam door Steve Photography (bron: Shutterstock)

‘Central Station, Amsterdam’ door Steve Photography (bron: Shutterstock)


Nieuwe bouwmaterialen en -technieken (staal, beton) deden hun intrede. Dit bleek voor de oude steden in het westen zeer ingrijpend. Ze kregen er vaak (naast het gezicht aan de waterzijde) een nieuw zwaartepunt bij, aan de andere kant en richting het (nieuwe) treinstation. Rotterdam, Den Haag en Amsterdam groeiden door de Nieuwe Waterweg en het Noordzeekanaal en de grote rivieren en het opkomende Ruhrgebied in Duitsland. De steden groeiden uit hun voegen, er ontstonden erbarmelijke woonsituaties.

De tram ging rijden

De woningwet van 1901 betekende het startsein voor de overheid om de stadsontwikkeling en ruimtelijke ordening naar zich toe te trekken. Stedenbouw en planologie werden heuse professies. Sociale ‘woningbouwpaleizen’ verrezen (Rutte laat een foto van het prachtige woningbouwproject ‘De Dageraad’ van Michel de Klerk en Peter Kramer zien als uithangbord van de baksteenarchitectuur van de Amsterdamse School). In Amsterdam (als voorbeeld) werden op planmatige wijze de oude hoofdroutes verbreed en hier kwamen grote gebouwen als winkels, warenhuizen, kantoren; er gingen trams rijden. Diverse grachten en havens werden gedempt.

De functies uiteen

Na de verwoestingen van de Tweede Wereldoorlog braken in de wederopbouw de hoogtijdagen aan van de stedenbouwers en planologen. Die stonden sterk onder invloed van de modernistische gedachte van ruimte, lucht en licht en (dus) de scherpe scheiding van functies in strakke lijnen en met veel groen. Dat ging goed samen met de massaproductie van woningbouw die deze tijd nodig had, vanwege de grote woningnood. Zo ontstonden wijken als de Bijlmermeer. Rutte laat een plaat van de naoorlogse wijk Bilgaard in Leeuwarden zien (1957-1959).

Kritische noot: ik had hier graag de naam van Van Eesteren gezien, de Nederlandse stedenbouwer die (samen met Le Corbusier) een leidende rol had in de zeer invloedrijke modernistische stedenbouwkundige principes van het internationale CIAM-congres van 1933. Van Eesteren was de vader van het Algemeen Uitbreidingsplan van Amsterdam (AUP) dat ook grotendeels gerealiseerd, gebaseerd op de ‘functionele stad’ van CIAM. Maar dat heeft Reinout Rutte niet gedaan.

Elke stap in de tijd bouwt voort op de ingeslagen route en raakt diep ingesleten

De planners introduceerden de Nota’s Ruimtelijke Ordening. De eerste ging over het westen des lands, wat ik in deze boekbespreking als voorbeeld opvoer. Hier was de ruimtelijke druk het hoogste. De (wereld)beroemde planologische concepten Randstad en Groene Hart worden geïntroduceerd. Rutte voert de opvallende ‘blokjeskaart’ van de Tweede Nota op en constateert dat de werkelijke stedelijke uitbreiding en ontwikkeling van ons land er niet veel van afwijkt en dus de sporen draagt van de ‘gebundelde deconcentratie’ met zijn groeikernen (Derde Nota).

Door de groei van de wereldhandel door de globalisering (zeker vanaf de jaren negentig) nam het tonnage van schepen toe en verplaatsten de wereldhavens van Rotterdam en Amsterdam zich richting de zee. Dit leidt tot de tweede Maasvlakte en tot herontwikkeling van de oude haventerreinen, inmiddels onderdeel van de kern van de steden. Denk aan de Kop van Zuid in Rotterdam en het Oostelijk Havengebied van Amsterdam.

Internationaal verbonden

De Vierde Nota, die in dit boek vooral aan bod komt als het gaat om woningbouw (Vinex-wijken), speelt qua infrastructuur handig in op de globaliseringstrend. Internationale verbindingen vanuit het westen (de Mainports in de Randstad) van spoor (HSL, Betuweroute) en luchtvaart (uitbreiding Schiphol) worden gepland en na veel maatschappelijke en politieke discussies gerealiseerd. Reinout Rutte besteedt hier helaas weinig aandacht aan. Het is een ‘laag’ met veel invloed op onze ruimte, niet alleen direct door de doorsnijdingen van het landschap, maar ook indirect. Denk daarbij aan de ‘verdozingsdiscussie’ die momenteel woedt.

Vinex-wijk door Martin Bergsma (bron: Shutterstock)

‘Vinex-wijk’ door Martin Bergsma (bron: Shutterstock)


Dit alles voor wat de samenhang in tijd en lagen betreft. Wat leert deze boek-atlas combinatie nog meer? Welnu, in mijn promotieonderzoek besteed ik aandacht aan het fenomeen dat in de complexiteitswetenschappen ‘padafhankelijkheid’ wordt genoemd. Een (ruimtelijke) ontwikkeling gaat een bepaald pad op. Elke stap in de tijd bouwt voort op de ingeslagen route en raakt diep ingesleten. Dat wil zeggen dat er niet of nauwelijks nog rigoureuze wijzigingen van dit pad mogelijk zijn. De Nederlandse ruimtelijke ordening met haar nota’s heeft dit aangevoeld door de gegroeide situatie, die Reinout Rutte zo goed beschrijft, als uitgangspunt te nemen. Hieraan werden (beginnende) trends als suburbanisatie of globalisering steeds gekoppeld. Hierdoor kreeg het ruimtelijk beleid in Nederland een sterk ‘begeleidend’ karakter. Dat is wat mij duidelijk werd bij het doornemen van dit boekwerk.

Ruimtelijke ordening is leidend

Dat is tevens een les voor de rijksoverheid, die op dit moment weer van de grond af de ruimtelijke planning wil gaan opbouwen. De introductie van ‘water en bodem sturend’ wil echter niet zeggen dat we afscheid kunnen nemen van het grote ruimtelijke aanpassingsvermogen van de Nederlanders en de gegroeide ruimtelijke orde. Mijn (boek)bespreking maakt duidelijk dat juist water en bodem elke keer weer aangepast werden aan de economische voordelen die we zagen en hadden in bepaalde gebieden. We liepen er niet met een boog omheen maar pakten aan.

Sterker nog, eerder uitgevoerde aanpassingen zoals het waternetwerk in het westen werden later weer functioneel aangepast als de situatie erom vroeg. Van de eerste afwateringen schakelden we door naar het vervoer van brandstof voor de snelgroeiende steden en de wereldhandel. En was de afwatering niet meer bestand tegen de bodemdalingen dan vervingen we gaandeweg de akkerbouw door de veeteelt, in de veenontginningsgebieden. En weer later toen het natter en natter werd, schepten we er turf voor de groeiende stadsbevolking.

Ik ben dan ook benieuwd hoe we de ‘lessen in samenhang’ van Reinout Rutte gaan gebruiken in onze nieuwe ruimtelijke ordening. Een nieuwe nota is inmiddels in voorbereiding…


Cover: ‘Bourtange, Groningen’ door Rudmer Zwerver (bron: Shutterstock)


Frits Verhees door Frits Verhees (bron: LinkedIn)

Door Frits Verhees

Frits Verhees is senior consultant bij AT Osborne


Meest recent

De Demer, Zichem door Guido Vermeulen-Perdaen (bron: shutterstock)

Wat is natuur waard in gebiedsontwikkeling? Acht keer meer dan je er instopt

Een Vlaamse natuurorganisatie liet onderzoek doen naar de opbrengsten van investeringen in natuur. De conclusie: iedere euro die natuurherstel kost – in het geval van natuurgebied Demerbroeken – levert acht euro op.

Onderzoek

17 juli 2024

Elektriciteitskabels in de grond door m.jrn (bron: shutterstock)

Gemeenten en de integratie van energie-infrastructuur in de ruimtelijke ordening: een aanvulling op de VNG-Handreiking

Boven en onder de grond gaat onze energie-infrastructuur flink op de schop. Gemeenten spelen hierbij een belangrijke rol. De recente VNG Handreiking helpt ze op weg, maar het mag volgens Mark Koelman een stuk integraler.

Onderzoek

17 juli 2024

Oude Maas, Dordrecht door T.W. van Urk (bron: shutterstock)

Het Maasterras Dordrecht als omgevingsrechtelijke puzzel

Bij het Dordtse Maasterras komen tal van uitdagingen bij elkaar. Dat geldt zeker ook voor de relatie met de Omgevingswet. Hoe verhoudt deze complexe gebiedstransformatie zich tot dit nieuwe planologische regime? Voer voor debat aan de SKG-Thematafel.

Verslag

16 juli 2024