platform voor kennis, nieuws en opinie
Zoeken
platform voor kennis, nieuws en opinie

Arnold Reijndorp over het ontwerp bij regionale planning

Arnold Reijndorp over het ontwerp bij regionale planning

Lezing Drents Xplorelab in teken nieuwe realiteit

24 mrt 2013 - Corporaties, ontwikkelaars, gemeenten: iedereen moet in deze tijd een stap terug doen. Dat geldt ook voor regionale samenwerkingsverbanden zoals de Regio Groningen Assen. De groei is eruit en daarmee worden veel oude principes aan het wankelen gebracht. Stadssocioloog Arnold Reijndorp (UvA) liet op uitnodiging van het Xplorelab van de provincie Drenthe zijn licht schijnen over regionale planning nieuwe stijl. Een pleidooi voor de metropoolregio en het metropolitane landschap, ook in gebieden als Noord-Nederland.

Actualisaties en herijkingen zijn aan de orde van de dag, ook in de wereld van de planners. Bestaat er zoiets als ‘regionale adaptieve planning’, die inspeelt op de complexiteit van een gebied als Noord-Nederland? Die vraag legde het Drentse Xplorelab onlangs voor aan Arnold Reijndorp. Hij maakt met adviseur Han Michel en landschapsarchitect Dirk Sijmons deel uit van het kwaliteitsteam dat de Regio Groningen-Assen kritisch-opbouwend begeleidt. Steden zijn normaal gesproken zijn werkterrein en heel Noord-Nederland is hem een maatje te groot, maar Reijndorp kan naar eigen zeggen goed uit de voeten met een gebied als Groningen-Assen – waarbij steden interfereren met het landschap eromheen. De discussie in dit gebied ging vanaf het begin van de oprichting van het samenwerkingsverband van vier gemeenten en twee provincies heel sterk over ‘verdelen’: welke woningen, bedrijventerreinen en natuurgebieden komen waar? Medio 2012 was het kwaliteitsteam daar wat flauw van en publiceerde ongevraagd een eigen advies: over de noodzaak van een nieuwe regionale visie. Reijndorp: ‘Niet omdat de vorige visie oud was – dat was ie niet – maar wel omdat de manier van denken die eraan ten grondslag ligt verouderd is. De omstandigheden zijn namelijk compleet veranderd.’ Die stellingname illustreerde Reijndorp aan de hand van een aantal schema’s, waarin alle lijnen neerwaarts gaan: woningbouw valt terug, gemeenten zakken weg in de eigen grond, de uitgifte van bedrijfsterreinen stagneert compleet. ‘Gevolg is dat veel van de oude planologische middelen passé zijn. Het gaat niet meer over aantallen.’

Stad en landschap

Kijkend naar de Structuurvisie Infrastructuur en Milieu (2012) constateerde Reijndorp dat het denken over regio’s eveneens heeft afgedaan. Na de ‘compacte stad’ en de ‘netwerkstad’ is er vanuit het Rijk geen reden om een nieuw ordeningsprincipe te introduceren. Een gemiste kans, omdat het concept van de ‘metropoolregio’ wel degelijk perspectief biedt. ‘Het komt meer overeen met hoe wij als kwaliteitsteam de situatie ervaren. De metropoolregio dwingt je na te denken over hoe stad en omliggend landschap zich tot elkaar verhouden. Dat is ook buiten een stad als Amsterdam een actuele opgave.’ Thema’s als vrije tijd, beleveniseconomie en culturele planologie worden daarbij belangrijker: ‘We maken de omslag mee van abstracte noties over ruimte en de ordening daarvan naar de identiteit van concrete plekken en hoe mensen die ervaren.’ Een andere omslag volgens Reijndorp is die van de ‘aantrekkelijke stad’ naar de ‘creatieve stad’: ‘Het gaat er niet om zoveel mogelijk mensen van buiten aan te trekken. Zinvoller is het te onderzoeken hoe een stad zich verder kan ontwikkelen, gebruik makend van het creatieve potentieel dat reeds aanwezig is.’

Een verandering die daaraan parallel loopt vindt plaats in het landschap van actoren: ‘Aan de ene kant zien we hele grote organisaties ontstaan – corporaties, zorginstellingen, universiteiten – die meer dan planologen bepalen waar ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden. Aan de andere kant zien we juist kleinschalige initiatieven – CPO, buurtzorg, coöperaties – die belangrijker worden. Van de 7.500 coöperaties in Nederland zijn er 2.500 de laatste vijf jaar opgericht.’ Wie een nieuwe regiovisie opstelt, moet dus zowel met de groten als de kleintjes praten, aldus Reijndorp. Hij gaf afsluitend nog vijf tips mee in relatie tot regionale planning in Noord-Nederland:

  • kies de juiste referenties. Neem afscheid van de Randstad als referentie; andere regio’s (Nancy, Valencia, Kopenhagen) zijn veel interessanter;
  • de openheid van het noorden is een kernkwaliteit. Dit gebied is nooit overheerst door één bepaalde industrie. Dat maakt een open communicatie tussen de vier O’s: onderwijs/onderzoek, overheid, onderdanen en ondernemers mogelijk;
  • kijk meer naar de drijvende krachten die het metropolitane landschap vormen. Stedenbouwkundige Miranda Reitsma brengt die bijvoorbeeld in beeld met haar project ‘Nieuw Landschap’;
  • streef naar verbindingen, zoals het thema van de laatste Eo Wijers-prijsvraag voor de Veenkoloniën. Hier is nog onvoldoende mee gebeurd;
  • geef een belangrijkere rol aan het ontwerp. Besteed bijvoorbeeld aandacht aan thema’s als nieuwe agrarische landschappen, vrije tijdslandschappen en energie (Energy Valley): dat zijn thema’s die regionaal prima kunnen worden opgepakt. Het ontwerp kan daar als vijfde O een bijdrage aan leveren.

Meer over Xplorelab

Het XploreLab wil de verbinding maken tussen de eigen organisatie – de provincie Drenthe en het kennisnetwerk dat zich daaromheen bevindt. Dat gebeurt rond vier thema’s: gebiedsagenda’s, Noord Nederland (bijvoorbeeld rond de structuurvisie Noordervisie 2040), energie en vrije tijd. Resultaten die ‘buiten’ worden opgehaald, worden ook weer teruggegeven aan de eigen organisatie. De harde kern van het XploreLab bestaat uit een klein groepje provinciale medewerkers, die het lab en de provincie Drenthe op de kaart willen zetten. Onder hen was ook Paul van Eijk; hij maakte onlangs de overstap naar de Hanzehogeschool. Ter gelegenheid van zijn afscheid hield Arnold Reijndorp een lezing over regionale planning en de rol van het ontwerp daarbij.

Auteur

Portret - Kees de Graaf
Kees de Graaf

eigenaar Studio Platz

Bekijk alle artikelen