platform voor kennis, nieuws en debat
platform voor kennis, nieuws en debat
Verslag

De Campus en de Stad: voorbeelden en lessen uit Rotterdam en Utrecht

De Campus en de Stad: voorbeelden en lessen uit Rotterdam en Utrecht

17 feb 2015 - Een samenhangende visie op de ontwikkeling van stad en campus loont. Hoe geven verschillende belanghebbenden in universiteitssteden vorm aan gewenste groei, vernieuwing, bereikbaarheid, leefbaarheid en aantrekkingskracht? Welke ruimtelijke overwegingen spelen een rol? Hoe wordt vorm gegeven aan samenwerking? Delft richt de blik naar buiten: Rotterdam en Utrecht bieden inspiratie en voer voor debat. De campus Woudestein van de Erasmus Universiteit in Rotterdam heeft een ingrijpende herontwikkeling ondergaan, waarbij vooral geïnvesteerd is in een hoogwaardig verblijfsklimaat voor studenten. Voor Utrecht Science Park/De Uithof is de economische ontwikkeling in het gebied en de regio een belangrijke drijfveer.

Lessen uit ‘De Campus en de Stad’

Proces

- Een gedragen visie op de ontwikkeling is van belang, alsmede het betrekken van naastliggende gemeenten en coördinatie op bovengemeentelijk niveau.

- Met het oog op acquisitie, meer naar buiten treden met de plannen voor ontwikkeling. Deelgebieden met eigen signatuur creëren, met inzet van tijdelijke functies (Delft).

- De capaciteit van de samenwerkende partijen gebruiken: proberen het verhaal in de hoofden te krijgen en kleine stapjes in de goede richting te zetten.

- Omwille van snelheid en het kunnen inspelen op kansrijke situaties gelijktijdig werken aan ontwerp, financiering en participatie (Rotterdam).

- Onderzoek plaatselijk valoriseren en proeftuinen creëren. Een horizontale manier van werken in een “leaderless network” (Utrecht Science Park).

Inhoud

- Een ‘ecosysteem’ creëren waarin hoogstaand onderwijs samengaat met een prettig verblijfsklimaat. Een volwaardige campus die goed verbonden is met de stad (Rotterdam). Functiemenging, waaronder wonen-werken, draagt bij aan de sociale veiligheid en belevingswaarde. De perceptie van de campus door potentiële bewoners vormt een belemmering.

- Behoud van landschappelijke waarde in combinatie met dichte bebouwing (Utrecht). Door bouwgrond schaars te maken, dwing je verdichting en compactheid af, en een hoge bevolkingsdichtheid in de buitenruimte.

- Meer samenhang (concentratie van het parkeren) biedt perspectief op het ontstaan van een groene campus en een stedelijk park (Delft). De High Tech Campus Eindhoven is hier een goed voorbeeld van.

 
Hieronder volgen conclusies en leerpunten uit de paneldiscussie tussen betrokkenen van de Rotterdamse, Utrechtse en Delftse campus. Voor een verslag van de presentaties, zie:
- Rotterdam: visie op kwaliteit (Huub Juurlink en Jaakko van ‘t Spijker)
- Utrecht: campus in context (Dries Berendsen)
- Naar science park en Health Valley (Ralph Kohlmann)

Draagvlak door dynamiek

Een gedragen visie op de ontwikkeling is van belang. De uitgewerkte visie voor de Rotterdamse universiteitscampus van Bureau Juurlink en Geluk en Bureau jvantspijker heeft in eerste instantie tot draagvlak onder het College van Bestuur van de EUR geleid, zegt Geert Gerritse, directeur Erasmus Facilitair Bedrijf. ‘Toen het paviljoen openging in september 2013, werd het voor iedereen, inclusief de wetenschappelijke staf, echt duidelijk dat de campus ging leven, waardoor we met volle vaart verder kunnen. In 2020 is 90 procent van het plan uitgevoerd.’ De beperkte ruimte is een luxe, het plan heeft het juist als kracht naar voren gebracht. ‘De structuur werkt, de functionaliteit van gebouwen blijft wel “onplanbaar”.’

Rust in de hof

Voor Utrecht Science Park/De Uithof is de ambitie fors: uitgroeien tot een internationaal toonaangevend kenniseconomisch gebied. Biedt het plan van OMA nog voldoende houvast? Dries Berendsen, beleidsdirecteur Vastgoed & Campusontwikkeling, zegt van wel: ‘Bestuurders hadden er nooit zo veel mee, maar meer recent is er juist begrip gekomen voor aspecten van het plan, zoals het behoud van landschappelijke waarde in combinatie met dichte bebouwing. Dat geeft rust, ook in ruimtelijke zin. We proberen die kwaliteit in stand te houden, ook door te kijken naar andere geschikte vestigingsplekken voor nieuwe spelers in de regio. Bereikbaarheid blijft het voornaamste knelpunt.’

Herordening campus TU Delft

Anja Stokkers, directeur FMVG TU Delft, herkent in de eerste visie (Campus Woudestein) ordenende principes die de TU Delft ook aan het toepassen is om de ruimtelijke kwaliteit te verbeteren. ‘Wij zijn een niet zo rijke universiteit in een niet zo rijke stad; eigenlijk moeten we vooral opruimen.’ Ze denkt daarbij aan het sorteren van parkeergelegenheid op een paar herkenbare plekken zodat al die parkeerplaatsen achter losse gebouwen kunnen verdwijnen en gebouwen aan meer zijden herkenbaar en beter toegankelijk worden (alzijdigheid). Meer samenhang biedt perspectief op het ontstaan van een groene campus en een stedelijk park. ‘Hetgeen past in de ambitie van de gemeente Delft om een groene gemeente te zijn. Dat proberen we samen uit werken.’

Vermenging en versmelting

Kun je een meer gemengd milieu scheppen door wonen op de campus door andere burgers dan (internationale) studenten te stimuleren? Gerritse betwijfelt het. De wat oudere mensen die dit zouden willen, missen waarschijnlijk gepaste voorzieningen. Stokkers ziet hiervoor in Delft wel mogelijkheden op terreinen om en nabij de centrale campus. Wytze Patijn (Stadsbouwmeester Delft) verwijst naar onderzoek door Alexandra den Heijer en mist in de visies op Rotterdam en Utrecht toch de ‘vermenging en versmelting met de stad’ die sommige Amerikaanse campussen zo succesvol maakt. Berendsen: ‘Twee faculteiten – circa 10.000 studenten ofwel een derde van de universiteitspopulatie – zijn gevestigd in de Utrechtse binnenstad. Daar is bewust voor gekozen om de binding met de binnenstad te behouden. Op de campus buiten de stad zou ik best een ander woonsegment willen toevoegen, zoals artsen in opleiding of promovendi.‘ De functie wonen brengt de sociale veiligheid naar een hoger plan en de vermenging van functies schroeft de belevingswaarde van de campus op. ‘Dat is zeker het ideaalbeeld dat we nastreven’, zegt Huub Juurlink. De perceptie van de campus door potentiële bewoners is momenteel echter te star om dit voor elkaar te krijgen.

Organiseren ook op regionaal niveau

Joost Schrijnen, zelfstandig consultant, merkt op dat er met het oog op de gewenste vermenging en versmelting een ander analyseniveau nodig is. ‘We moeten een stap zetten op programmaniveau en ruimtelijke structuurniveau naar een hogere schaal.’ Berendsen benadrukt het belang van het betrekken van naastliggende gemeenten en van de coördinatie op bovengemeentelijk niveau. Lodewijk Lacroix (Metropoolregio Rotterdam Den Haag) pleit voor het opstellen van een agenda op regionaal niveau samen met InnovationQuarter, de regionale ontwikkelingsmaatschappij voor Zuid-Holland.

Samenwerking door netwerken

Voor de positionering en marketing van Utrecht Science Park, vertelt Berendsen, wordt vooral geprobeerd capaciteit van de samenwerkende partijen te gebruiken. ‘Er is geen RvB-achtig orgaan dat er bovenop zit. We proberen het verhaal in de hoofden te krijgen en kleine stapjes in de goede richting te zetten. Er zit wel een groot netwerk, maar geen grote geldmachine achter.’

De situatie in Delft

Wethouder Lennart Harpe benadrukt dat er in Delft al vlak naast de campus van de TU Delft wordt gewoond – meer dan ten opzichte van de campussen in Rotterdam en Utrecht – en dat er plannen liggen om dit verder te ontwikkelen. De TU heeft Delftenaren als naaste buren. ‘Ondernemers beginnen ook te vragen of zij op de campus mogen’, zegt Stokkers. ‘“Heel graag”, is mijn antwoord. We kunnen elkaar aanvullen.’ De TU, legt ze uit, probeert op het grote campusterrein drie kernen te maken met elk een eigen signatuur, ook met tijdelijke functies, en wil met het oog op acquisitie, meer naar buiten treden met de plannen voor ontwikkeling. ‘Waarbij je als universiteiten elkaars science parken niet moet beconcurreren maar wel probeert gepaste bedrijven aan je te binden.’

Kwaliteit = gezelligheid = geen auto’s

Anka Mulder, lid van het CvB TU Delft, merkt, als niet-stedenbouwkundige, op dat volgens haar bij “gezelligheid”, als doel van ruimtelijke ontwikkeling, geen auto’s horen. ‘Mensen wel. Toch gaan heel veel discussies altijd weer over parkeren. Wat is jullie kijk daarop?’ Berendsen antwoordt dat het op een campus inderdaad gaat om wat er in de gebouwen gebeurt, om kennis en mensen. ‘Ik zeg dan: willen jullie een gebouw met ruimschoots parkeergelegenheid voor de deur, dan moet je toch ergens in een randgemeente zijn waar hiervoor wel ruimte is.’ Juurlink verwijst naar het naar zijn mening goede, niet dure voorbeeld van de High Tech Campus Eindhoven.

PRESENTATIES

Rotterdam: visie op kwaliteit

In 2007 vroeg de Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR) een aantal bureaus om een visie op herstructurering en kwalitatieve verbetering van de universiteitscampus. Dit met het oog op verwachte groei en versterking van de internationale concurrentiepositie. Bureau Juurlink en Geluk en Bureau jvantspijker bundelden de krachten en maakten een masterplan dat gefaseerd wordt uitgevoerd.

Presentatie Huub Juurlink en Jaakko van ‘t Spijker
Campus Woudestein behelsde in feite niet veel meer dan een verzameling uit de kluiten gewassen gebouwen en parkeerterreinen. Een duidelijke hoofdstructuur, met een hoofdentree, en identiteit ontbraken. De strategie, licht Huub Juurlink toe, is om een ‘ecosysteem’ te creëren waarin hoogstaand onderwijs samengaat met een prettig verblijfsklimaat. Dit gebeurt aan de hand van ‘mondiale succesfactoren’. De kwaliteit van de buitenruimte, een bruisend hart en een heldere infrastructuur met een formele entree, de aanwezigheid van verschillende soorten voorzieningen, de combinatie van wonen, werken en studeren, een herkenbare identiteit, gebruik van duurzaamheidsprincipes; al deze factoren dragen bij aan een voor internationale studenten aantrekkelijke leeromgeving.

Eigen terrein

De economische grondslag van het masterplan is transformatie en mogelijke uitbreiding ‘op eigen terrein’. Dit heeft geleid tot een ontwerp voor een autoluw, openbaar gebied met een natuurlijke centrale ontmoetingszone ‘Erasmus Plaza’ – met een architectonisch bijzonder paviljoen als passtuk en epicentrum – en een inrichting in twee sferen: een landschappelijk en een stedelijk deel. Dit laatste op basis van een grid van smalle straten en een hoge dichtheid van bebouwing.

Verbinding

Het masterplan is ook aangewend om de discussie over de positie van de campus, op enige afstand van het stadscentrum, te beslechten. Jaakko van ’t Spijker: ‘Het bestuur van EUR heeft nadrukkelijk ingezet op ontwikkeling van een volwaardige campus die goed verbonden is met de stad dankzij aantakking op tram-, bus- en metrohaltes.’ Een hoofdstructuur van twee kruisende assen met twee herkenbare hoofdentrees op de koppen van de noord-zuidas biedt die aansluiting. Waarmee de verbinding met het stadscentrum en andere onderwijsvoorzieningen wordt verbeterd.

Programma

Het programma voorziet, behalve in studieplekken, in huisvesting voor internationale studenten, kantoren, een hotel en voorzieningen voor cultuur, recreatie en horeca. ‘Dit ruimtelijk plan biedt de mogelijkheid om een omwenteling te maken van een verspreid, uitdijend systeem naar een centraal, compact campusterrein waar veel reuring in het centrum ontstaat.’

Flexibiliteit voor variatie

Een belangrijke keuze in het ontwerp betreft de bouwmaat van het grid, die het toelaat om zowel een parkeergarage (onder het maaiveld) als een hotel of een studentenhuisvesting te realiseren. Voor de openbare ruimte worden drie maten aangehouden om te kunnen variëren van festivalruimte tot knus plekje. Van ’t Spijker: ‘We zijn in staat gesteld om de parkeergarage en het bovenliggende plaza integraal te ontwerpen, waardoor de lagen helemaal op elkaar zijn afgestemd.’

Interdisciplinair

Ongeveer een kwart van de voorziene ontwikkeling is inmiddels gerealiseerd. Juurlink legt uit dat het traditionele planproces werd verlaten en dat, omwille van snelheid en het kunnen inspelen op kansrijke situaties, gelijktijdig aan ontwerp, financiering en participatie is gewerkt: een integraal proces. ‘Daartoe hebben we een breed team geformeerd, waarvan behalve verschillende ontwerpdisciplines, financieel experts, traffic engineers en technici deel uitmaakten.’

Utrecht: campus in context

Presentatie Dries Berendsen
De Universiteit van Utrecht heeft in de jaren 50 de sprong naar buiten gemaakt, voorbij de singels. Dries Berendsen, beleidsdirecteur Vastgoed & Campusontwikkeling vertelt over de aankoop van bijna 300 ha weiland, het gebied dat later De Uithof zou heten. ‘Labs, klinieken moesten ver weg van de stad komen en er werd flinke groei verwacht.’

‘Geen campus’

Een eerste stedenbouwkundig plan ging niet uit van het landschap maar legde een orthogonaal grid, een rechthoekig raster, neer. Dit werd in de loop van de decennia ten dele ingevuld met een aantal grote bouwvolumes. Maar ondanks de komst van Utrecht UMC wilde het terrein ‘maar geen campus worden’. Berendsen heeft het in dit verband over ‘de onplanbaarheid der dingen,’ en refereert daarbij ook aan de aanleg van de A28 en A27, een fysieke barrière tussen campus en stad. ‘De belangrijkste vraag voor ons is: hoe krijg je de relatie met de stad goed?’

De Uithof

OMA, vertelt hij, heeft begin jaren ’90 voor de universiteit het stedenbouwkundig plan De Uithof gemaakt. Dit schiep orde en legde wél de relatie tussen de bebouwing en het landschap. ‘Dit plan, later kreeg het de status van bestemmingsplan, heeft ons sindsdien geholpen stappen in de goede richting te zetten.’ Belangrijk was de komst van een aantal faculteiten van Hogeschool Utrecht in de loop van de jaren ‘90. De Hogeschool is anno 2015 goed voor zo’n 30.000 hbo-studenten op De Uithof, naast de 20.000 die de universiteit bezoeken. ‘Meer massa heeft ook geleid tot meer stedelijkheid.’ Inmiddels staan er circa 2.500 studentenwoningen en een deel van de campus ontwikkelt zich tot een science park: Nutricia heeft er de R&D-afdeling ondergebracht. ‘Door bouwgrond schaars te maken, dwing je verdichting en compactheid af, en een hoge bevolkingsdichtheid in de buitenruimte.’ Doordat tegelijkertijd de kwaliteit van het landschap wordt benut, ontstaat een sfeervolle campus. ‘De kunst is om veel mensen bij elkaar te krijgen, dan ontstaat het type campus dat studenten van overzee aantrekt.’

Naar science park en Health Valley

Presentatie Ralph Kohlmann
Utrecht UMC, de universiteit, de hogeschool, de gemeente en de provincie zijn partners in de ontwikkeling van Utrecht Science Park. Ralph Kohlmann, strategisch adviseur Regio Utrecht, schetst een beeld van de ontwikkeling van Utrecht Oost als vestigingsplaats voor bedrijven en economisch brandpunt van de regio. De regionale diensteneconomie is aan het veranderen in een economie van kennis en creativiteit. ‘Utrecht Science Park is een van de samenwerkingsverbanden die hieraan binnen een groter verband gestalte geeft. De ambitie is om plaatselijk onderzoek in duurzaamheid, gezondheidszorg en life sciences plaatselijk te valoriseren en proeftuinen te creëren.’ Er zou een internationaal toonaangevende Health Valley moeten ontstaan.

Samenwerken in allianties en netwerken

Verschillende publiek-private allianties van partijen in allerlei soorten en maten geven handen en voeten aan deelaspecten van de gewenste ontwikkeling; zoals het voorzieningenniveau, de versterking van de relatie tussen science park en stad, en de bereikbaarheid van Utrecht Oost (er komt een tramverbinding met station Utrecht Centraal in 2018). Deze horizontale manier van werken in een “leaderless network” zou in 2016 tot een integrale visie op de valleyvorming van Utrecht Oost moeten leiden. ‘Dit wordt dan nadrukkelijk geen ruimtelijk plan waarin van alles vastligt. We richten ons vooral op governance en samenwerking.’

28 januari 2015 | TOP Delft
Gespreksleider: Hans Reijnen

Dit was de tweede avond in het kader van de debat- en lezingenserie over “de Campus en de Stad” georganiseerd door TOP Delft. De achterliggende ambitie van overheden, kennisinstellingen en het bedrijfsleven is om ‘Delft’ tot een sterk en kansrijk complex te laten groeien als kennisstad en -regio. Belangrijke vragen daarbij zijn: hoe sturing te geven aan de versterking van de relaties tussen campus en stad, en hoe invulling te geven aan de kwaliteit van de campus? Het eerste debat vond plaats op 24 september 2014, en ging over de bijdrage van het nieuwe station Delft. Zie: De knoop en de kennisstad.

Beeld: Universiteit Utrecht

Auteur

Portret - Eric Burgers
Eric Burgers

Zelfstandig journalist

Bekijk alle artikelen
Blijf op de hoogte