2013.04.20_de stad als ecosysteem_680

De stad als ecosysteem

15 april 2013

7 minuten

Nieuws
De wijk en de stad zijn schaalniveaus die elkaar niet uitsluiten. Natuurlijk omvat de stad de wijk. Maar de stad is geen blokkendoos waarin de wijken de blokken zijn. Net zo goed ‘omvat’ de wijk de stad. Ze draagt immers bij aan wat de stad is. Wijken hebben ook de stad nodig als omgeving, maar zonder wijken geen stad. In dit essay wil ik de mogelijkheden verkennen van de organische benadering. Een organisme is veel meer dan de optelsom van de organen. Door vanuit een organische metafoor te vertrekken kun je ook anders naar wijkontwikkeling kijken, ontstaan er andere beelden van wat je op wijkniveau kunt doen. Maar laat ik meteen preciezer zijn: ik zal vooral het buurtniveau bedoelen waar ik spreek over het wijkniveau. Voor veel sociale processen is dat immers relevanter dan het wijkniveau.

Nieuw is het niet om in organische termen over steden te praten. Jane Jacobs heeft deze metafoor uitgewerkt in de vorm van een socratische dialoog. Daarin richt ze zich vooral op de ontwikkeling van stedelijke economieën. De term ‘organisch’ komt al langere tijd regelmatig terug als het gaat om stedelijke vernieuwing. Maar wat moeten we er onder verstaan? In de organische wereld passen begrippen als ‘groei’, ‘leven’ en ‘voortplanting’. Om meer grip te krijgen op de verwevenheid van wijk en stad en tegelijkertijd op het eigene van een sociale aanpak, wil ik enkele kenmerken van de organische metafoor belichten. Ik zal ingaan op:

• exponentiële groei
• het microniveau
• zelforganisatie
• de omgeving

Exponentiële groei

Organische groei is exponentiële groei. In een proces van celdeling wordt een cel twee cellen, die zich ook weer delen. Dat levert de reeks 1, 2, 4, 8, enzovoort op. De aangegroeide massa is drager van nieuwe groei. Een dergelijke exponentiële groeicurve kun je ook waarnemen bij de waardeontwikkeling van onroerend goed. Op ieder punt in de tijd wordt er waarde gecreëerd en die gecreëerde waarde gaat op zichzelf ook weer bijdragen aan de waardeontwikkeling in de toekomst. Rente op rente, als het ware. Dat maakt dat de waardeontwikkeling niet lineair is maar exponentieel. Dit in tegenstelling tot fysieke processen, die wel lineair verlopen. Alle energie en materiaal om te kunnen bouwen moeten als het ware van buitenaf toegevoerd worden. Zijn je middelen op, dan stopt het proces onherroepelijk. Het gebouw bouwt zichzelf niet af. Organische groei verloopt wel ‘vanzelf’.

Ik wil de exponentiële waardeontwikkeling nog wat nader beschouwen. Het was alweer Jane Jacobs - waarom lezen we haar niet beter? - die het onderscheid tussen cataclysmic capital en gradual capital aanbracht. Gerben van Straaten heeft daar een interessante beschouwing aan gekoppeld. In de traditionele benadering van waardeontwikkeling wordt er massief geïnvesteerd in een gebied wanneer het op een dieptepunt in haar waarde zit. Het gevolg is dat de waarde sprongsgewijs stijgt. Maar omdat voortgaande investeringen vaak achterblijven daalt de waarde daarna ook weer. In navolging van Jacobs noemt hij deze benadering ‘lawinekapitaal’. Hij plaatst daar tegenover de notie van ‘geleidelijk kapitaal’. Hierbij wordt ook weer ingestoken op het dieptepunt van de waarde. Juist vanwege dat dieptepunt biedt het gebied kansen voor culturele en creatieve voorhoedes. Wanneer die het in bezit nemen ontstaat er een creatief en economisch klimaat dat de waarde doet stijgen, en dat schept de voorwaarden om te investeren. Investeringen vinden stapsgewijs plaats, steeds reagerend op waardeontwikkeling zoals die zich daadwerkelijk voordoet. Het gevolg is dat er een organisch groeiproces ontstaat, niet schoksgewijs maar veel meer volgens een groeicurve. Het model van ‘geleidelijk kapitaal’ heeft grote voordelen. Het is niet gebaseerd op een verwachte waardeontwikkeling, integendeel: de basis is de ontwikkeling zoals die daadwerkelijk plaatsheeft. Omdat de investeringen stapsgewijs - en door verschillende actoren die in het gebied ‘hun ding doen’ - plaatsvinden zijn de benodigde bedragen en de risico’s kleiner. De feitelijke waardeontwikkeling van het gebied is steeds de toets voor het realiteitsgehalte van verwachtingen.

Meestal is het de menselijke activiteit die de groei veroorzaakt. ‘Groei’ is niet iets wat van buitenaf tot stand komt. Een investering op zichzelf doet niets. Het is de betekenis voor mensen, de relatie met de menselijke activiteit en het feit dat mensen het een plek geven in hun levensproject, die het proces aanjaagt. De mentale toe-eigening van de gebouwde omgeving is een activiteit van de mensen zelf, niet van de gebouwen. Uiteindelijk komt ook groei vanuit de samenleving zelf. Dat geldt ook voor de stedelijke vernieuwing. Niet het beleidsprogramma op zichzelf ‘maakt’ de stedelijke vooruitgang. Vernieuwing is belangrijk en schept condities voor groei, maar het groeien zelf, dat doet de samenleving. Dit inzicht kunnen we vertalen naar sociale aanpakken. Stel dat een professional bewoners in een buurt wil activeren. Hij spreekt een bewoner aan en die doet mee: hij of zij pleegt een sociale investering in de buurt, en zal daar al snel een andere bewoner bij betrekken. Dan zijn er dus op het volgende tijdstip twee mensen die sociaal investeren in de buurt. Stel ze spreken er ieder weer een aan, dan zijn het er het volgende moment vier. Als de geschiedenis zich herhaalt worden het er 8, 16, 32 enzovoort. Een exponentiële functie dus. De groeicurve ontstaat doordat de bewoners die je activeert op zichzelf ook weer gaan activeren. Dit lijkt te banaal voor woorden, maar toch is het ongebruikelijk om zo te denken. De meeste sociale interventies worden beoordeeld op de directe output, dus bijvoorbeeld op het aantal bewoners dat direct door de professional bereikt wordt. Dat is een lineaire benadering: als je in één uur één bewoner kunt bereiken, dan zou je voor duizend bewoners dus duizend uur in moeten zetten. Werk je echter met een groeicurve dan ben je er in tien stappen, dus met een inzet van tien uur. De veronderstelling bij dit voorbeeld is dat iedere bewoner er in slaagt om een andere bewoner te activeren. Dat kan misschien onrealistisch ogen, maar vergelijk het eens met de verwachting dat een opbouwwerker duizend bewoners één op één kan activeren. Als de buurvrouw het niet kan, hoe groot is dan de kans dat de opbouwwerker het wel kan? En bovendien, opbouwwerkers komen en gaan, maar de buurvrouw blijft. Als zij de bewoners activeert dan is dat een duurzaam effect. Bewoners hebben over het algemeen een structuur in hun relaties, en dat maakt dat zij in hun eigen netwerk beter kunnen activeren dan beroepskrachten. Als die structuur er niet is dan is een buurt los zand en dat is een probleem op zichzelf. Als het proces voorspoedig verloopt kan de opbouwwerker zich al spoedig op andere taken richten. De goeden onder hen doen dat overigens ook al snel.

Microniveau

Een tweede organisch aspect raakt hier onmiddellijk aan: organische processen beginnen op het microniveau. Het begint bij een cel die zich deelt. Het begint bij een persoon die een andere persoon aanspreekt. Die microprocessen in een stad hebben een massieve invloed omdat ze zo talrijk zijn en omdat ze steeds weer het begin van ketens van groei vormen. Om een beeld uit de organische wereld te gebruiken: microorganismen maken naar schatting 80 procent van de totale biomassa op aarde uit. Dat zijn organismen die wij niet kunnen zien. We hebben het niet over mieren of andere kleine beestjes, maar bijvoorbeeld over eencelligen. Het is een hypothese, maar ik denk dat het ragfijne weefsel van sociale interacties en de banden die daarin ontstaan, zich versterken of afsterven voor het stedelijke leven dezelfde massieve betekenis heeft voor de stad. Vergelijk het maar met het mycelium, de onzichtbare draden die ondergronds paddenstoelen met elkaar verbinden en die de voorwaarde zijn voor hun bestaan. Het grootste organisme op aarde is 9,7 vierkante kilometer groot en 2200 jaar oud, en bestaat uit mycelium. Ook in het sociale domein is het microniveau interessant. Het de-escalerende effect van oogcontact is bekend; iemands naam weten maakt alle verschil als je hem aanspreekt. Subtiele, non-verbale signalen spelen een enorme rol in de communicatie tussen mensen. Bewoners kennen het belang van het microniveau. Als ze straatafspraken maken, bijvoorbeeld in het Rotterdamse programma Mensen Maken de Stad, dan staat meestal bovenaan: ‘wij groeten elkaar’. En in dat opzicht is Nederland niet slecht af. Ook in deze tijd nog kent tweederde van de Nederlanders zijn buren persoonlijk, en 45 procent geeft aan zich door de buren veiliger te voelen. De meeste mensen vinden het positief als de eigen kinderen en die van de buren met elkaar omgaan. En dan zijn er de kleine vanzelfsprekende diensten die je elkaar bewijst: op het huis passen, pakketjes aannemen, de sleutel uitlenen, het spreekwoordelijke kopje suiker. Meestal volstaan incidentele contacten. Een kwart heeft behoefte aan meer contact met de buren. Burencontacten zijn speciaal; allerlei oordelen over sociale groepen verdampen als het om de buren gaat. Je kunt een hekel hebben aan Turken, maar je buurman is geen Turk, dat is Karim en die zorgt voor je katten als je op vakantie bent. Dat maakt ook dat de straat zo’n interessant niveau is. Als de tegenstellingen in een stad oplopen kun je op straatniveau altijd nog bruggen slaan.

Zie bijlage voor de volledige publicatie

Dit essay verscheen in de bundel 'Vooruit met de wijk'


Portret - Kees Fortuin

Door Kees Fortuin

Trusted expert on social value creation


Meest recent

Muziek en films door Maksim Safaniuk (Shutterstock)

Ontspannen genieten en bijleren deel 3 (slot): de GO.nu-films en muziek

De zomer is natuurlijk niet compleet zonder de lees- en luistertips van Gebiedsontwikkeling.nu. We vroegen de GO-redactie en het SKG-team van de TU Delft om hun suggesties. We sluiten het drieluik van favo’s af met de films en de muziek.

Persoonlijk

10 augustus 2022

GO zomertour door CrispyPork / Ineke Lammers (Shutterstock bewerkt door GO.nu)

GO zomertour 2022 #4: Boston

Voor aflevering 4 van de GO Zomertour steken we de oceaan over. In Boston nemen we onder leiding van Jaap Modder The Big Dig onder de loep, waarbij snelweg 93 onder de grond werd gebracht.

Casus

9 augustus 2022

Kloof wetenschap en praktijk door Margot Melissen (gebiedsontwikkeling.nu)

Waarom de schakel tussen wetenschap en praktijk juist moet schuren

Is de afstand tussen wetenschap en praktijk in de ruimtelijke ordening te groot? Die sombere conclusie valt niet in goede aarde bij SKG-directeur en hoofddocent gebiedsontwikkeling Tom Daamen, maar hij ziet wel ruimte voor verbetering.

Analyse

8 augustus 2022