platform voor kennis, nieuws en debat
platform voor kennis, nieuws en debat
Artikel

Een decennium Praktijkleerstoel Gebiedsontwikkeling

Een decennium Praktijkleerstoel Gebiedsontwikkeling

15 jun 2017 - Friso de Zeeuw is bezig aan zijn vierde termijn als praktijkhoogleraar Gebiedsontwikkeling aan de TU Delft, inmiddels is hij bijna twaalf jaar in functie. Aan het einde van dit jaar neemt hij afscheid. We blikken met hem terug op het afgelopen decennium, de financiële crisis en de bestendigheid van het vak- gebied. Terloops reageert De Zeeuw ook op de uitspraken van collega’s over belangrijke ontwikkelingen richting de toekomst van het vak.

Vakgebied gebiedsontwikkeling en de strijd tegen de patatsnijders 

De Zeeuw: ‘De rode draad in mijn beroepsmatige leven is de strijd tegen doorgeschoten sectoraal denken, tegen bureaucratie en tegen de verwijdering tussen de publieke en de private wereld. Wat mij motiveert – en waarom ik het vakgebied nog steeds zo boeiend vind – is dat in een complexe wereld heel sectoraal gedacht en gehandeld wordt. Het is eigen aan gebiedsontwikkeling om zaken te bundelen, de verkokering te doorbreken, in breder perspectief te zien en terug te brengen tot de essentie. Daarmee is gebiedsontwikkeling ook een voorbeeld voor andere vakgebieden. Neem de wateropgave die in ons land nu breed wordt opgepakt. Vanuit de watersector wordt al een tijd met grote nieuwsgierigheid gekeken hoe wij bij gebiedsontwikkeling onze ruimtelijke opgaven integraal aanpakken. Hetzelfde geldt voor zorg en welzijn. Kim Putters, directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau, heeft op ons jaarcongres wel eens aangegeven onder de indruk te zijn van hoe wij in het fysieke domein de opgaven integraal benaderen. En ook internationaal staan wij in de voorste linies met onze aanpak; dat buiten we nog te weinig uit.’ 

Toch ligt in een aantal belangrijke ruimtelijke opgaven de verkokering op de loer. De Zeeuw: ‘In de discussie over het klimaat is een soortement van kerkgenootschap ontstaan, de zogenaamde kantelkerk. Ik ben voor de aanpak van het klimaat, maar niet vanuit een beperkte, sectorale visie. Ook daar is een integrale benadering noodzakelijk. De discussie over duurzaamheid en klimaat bevindt zich in sommige kringen nog in een puberaal stadium. Dat zagen we aanvankelijk ook bij de wateropgave, maar daar is intussen de brede benadering van de opgave doorgedrongen.’ 

Positie en rol binnen de universiteit 

In tegenstelling tot Heleen Aarts (zie interview hier) gelooft Friso de Zeeuw niet dat het vak van gebiedsontwikkeling waardevrij is. De Zeeuw: ‘We zijn allemaal behept met waarden, impliciet of expliciet. Ik ben vaak erg uitgesproken in mijn opvattingen, wat betekent dat ik sterk impliciet van waarden uitga. Natuurlijk helpt onderzoek mee bij het objectiveren daarvan. Je kan het overdrijven met je waarden en normen, dan wordt het ideologie. Een voorbeeld daarvan is de kerk van de “stadmakers” die organische gebiedsontwikkeling heilig hebben verklaard. Maar ik hecht veel meer aan het begrip onafhankelijk. Je moet onafhankelijk kunnen opereren, maar vanuit je eigen waarden- en normenpatroon. Daarnaast moet je kritisch blijven. In mijn geval doe ik dat vanuit nieuwsgierigheid, met een grondhouding van interesse en sym- pathie voor de mensen in de praktijk. Dat zijn mijn bondgenoten, zowel aan de kant van de overheid als aan de kant van bedrijven. Gesprekken met hen vind ik het meest interessant en daar haal ik ook het meeste uit. Vaak probeer ik als hun tolk te fungeren, want ze hebben zelf over het algemeen de tijd niet om hun opgedane kennis en ervaring allemaal te boekstaven. En ik kan behoorlijk kletsen en schrijven. Tegelijkertijd probeer ik hun kennis naar een hoger abstractieniveau te brengen, wat natuurlijk eigen is aan wat een universiteit hoort te doen. 

De sterke oriëntatie van onze leerstoel op de praktijk is een groot voordeel voor mijn positie en rol als hoogleraar, daarin nemen wij binnen de TU Delft een unieke positie in. Wat ik ook een groot voordeel vind van de praktijkleerstoel, is dat wij voor het overgrote deel extern bekostigd worden. Wij moeten de partners in de SKG – die niet direct van ons diensten ontvangen; we zijn immers onafhankelijk – blijvend binden en moeten onszelf elke dag weer bewijzen. Dat houdt ons scherp en dwingt ook om ons op het vakgebied gebiedsontwikkeling duidelijk te manifesteren en zichtbaar te zijn. Onze hechte, kleine ploeg bij de praktijk- leerstoel is daarom zeer productief. Een bijkomend voordeel van onze relatieve distantie van de universiteit, is dat we in belangrijke mate gevrijwaard zijn van de universitaire bureaucratie. Al mag ik dat natuurlijk niet zo zeggen.’ Dat betekent overigens niet dat de praktijkleerstoel los van de universiteit opereert. 

De Zeeuw: ‘Bij de start van de leerstoel heeft Hans de Jonge – die toen afdelingsvoorzitter was – benadrukt dat je het parttime hoogleraarschap niet solo moet uitoefenen, maar verankering op de universiteit nodig hebt. Met het aantrekken van Agnes Franzen is daar onmiddellijk invulling aan gegeven en dat is succesvol gebleken. We zijn complementaire types.’ 

Tijden van crisis 

De Zeeuw: ‘Terugkijkend op de afgelopen termijnen in Delft, vormt de financiële crises het hart van het hoogleraarschap, inhoudelijk en in de tijd gezien. Dat was natuurlijk een bijzondere tijd. Maar ik ben er altijd van overtuigd geweest dat de paradigma’s van gebiedsontwikkeling, zoals we die aan het begin van de SKG en de oprichting van de leerstoel hebben ontwikkeld, de crisisperiode glansrijk zouden doorstaan. Weliswaar met wat kleine aanpassingen; de crisis heeft ons paradigma wel verrijkt, maar daar in essentie niets aan afgedaan. Sommigen dachten dat de crisis het einde zou betekenen van het vakgebied gebiedsontwikkeling. Daar zat vaak wensdenken achter: anti-Vinex, anti-kapitaal en anti-marktpartijen. In de hoogtijdagen voor de crisis reikten de plannen tot in de hemel; wat dat betreft was het ook wel tijd voor ontnuchtering en back to basics. 

In die crisisperiode is veel onzin verkondigd. Dat wat ik bestempel als het Pakhuis-de-Zwijger-idioom maakte op- gang. Daarbij werden twee fouten gemaakt. Men zag niet in dat het ging om een uitbreiding van het repertoire van gebiedsontwikkeling en niet om algehele vervanging. En in de tweede plaats deed “voodoo” zijn intrede in onze vakwereld, zoals de verkondiging van die zogenaamde nieuwe verdienmodellen. Wat mee- stal inhoudt dat de rekening ergens anders wordt neergelegd. Van het bestrijden van al die onzin hebben wij een aparte tak van sport gemaakt. Ikzelf heb er wel aardigheid in om de boel een beetje op stang te jagen, dus ik vind dat niet vervelend.’ 

Technologische ontwikkelingen 

In het gesprek over tien jaar SKG kwam ook de invloed van technologische ontwikkelingen op de toekomst van gebiedsontwikkeling aan de orde. De Zeeuw: ‘Ik ben het niet eens met Hans de Jonge als hij stelt dat het vak radicaal gaat veranderen onder invloed van de technologische ontwikkeling. Ik blijf volhouden dat onze paradigma’s ijzersterk zijn en dat het nog steeds onvervreemdbaar mensenwerk blijft. De behoefte aan de persoon van de professionele ontwikkelaar – of herontwikkelaar – aan zowel de publieke als de private kant blijft recht overeind staan. Ontwikkelingen als big data nemen ontegenzeggelijk een vlucht. Maar belangentegenstellingen overbruggen, de verkokering doorbreken, het juiste ontwerpplan lanceren, de financiën op orde houden en al ploeterend de eindstreep bereiken, dat blijft onvervreemdbaar mensenwerk.’ 

Zeggenschap burgers 

In hetzelfde gesprek benoemt collega hoogleraar Ellen van Bueren het toenemend zeggenschap van burgers. De Zeeuw: ‘Daar zijn wel verschuivingen gaande. Zij noemt het klassieke voorbeeld van de energiewereld, waarbij steeds meer burgers zelf, op individuele schaal, stroom opwekken. Dat is op zichzelf prima – ik ben er niet tegen en wil het ook niet wegcijferen – maar we behouden daarnaast onze grootschalige voorzieningen en instituties. Denk aan het netwerkbeheer, de back-up voor de energievoorziening en grootschalige windparken op zee. Dat kan je niet opknippen in burgerbeheer. 

Tegelijkertijd zie je op andere punten dat ook andere grote ondernemingen enorm veel invloed krijgen, veel meer dan overheden in sommige opzichten. Neem Google of Apple. De machtsvraag – of zeggenschapsvraag – verschuift op verschillende fronten. Ik kan geen rode draad ontdekken waaruit blijkt dat alle macht richting de burger verschuift. Op sommige punten is wel degelijk sprake van meer invloed van burgers, maar op andere punten neemt die rol juist weer af. De ideeën over burgerparticipatie hebben soms een elitair karakter, geschikt voor een beperkte groep hoogopgeleide, kosmopolitisch ingestelde mensen. 

Je ziet dat de verwachtingen over participatie bij gebiedsontwikkeling momenteel te hoog gespannen zijn. Zo denken de makers van de Omgevingswet en ook Kamerleden dat als je de participatie nou maar goed organiseert, je dan vanzelf een prachtig plan krijgt waar iedereen achter staat. Dat komt wel voor en dat is mooi, want de fusie van belangen in een breedgedragen plan is het summum van gebiedsontwikkeling. Maar praktijkmensen weten dat de werkelijkheid weerbarstiger is, dat belangentegenstellingen niet altijd te overbruggen zijn. En dat soms klootzakken “participeren” waar geen land mee te bezeilen valt.’ 

Robotisering 

‘Robotisering zou tot werkloosheid leiden, maar dat lijkt mij zeer de vraag’, aldus De Zeeuw, verwijzend naar het interview met zijn collega’s. ‘Want dat betekent namelijk dat de productiviteit per mens verbetert en ruimte ontstaat voor andere banen. Een deel van het werk, vooral in die middencategorie, kan inderdaad geautomatiseerd worden. Maar de economie is dynamisch, daar komt ander werk voor in de plaats. In mijn beleving zal het deel van het werk waar wij het hier over hebben, voor gebiedsontwikkeling, mensenwerk blijven. En die hoeveelheid werk golft mee op de economische conjunctuur. En er komt onherroepelijk weer een nieuwe crisis; dan loopt het weer storm in Pakhuis de Zwijger, op zoek naar een nieuw evangelie. Het is echter een stuk simpeler: als het slechter gaat, zien we minder gebiedsontwikkeling, minder investeringen, worden de plannen kleinschaliger en zien we meer pauzelandschappen, meer bottom-up-plannetjes, en een aantal ondernemingen gaat op de fles. Aldus deze veteraan.’

Auteur

Portret - Jeroen Mensink
Jeroen Mensink

Redacteur Gebiedsontwikkeling.nu | architect/eigenaar bij JAM* architecten

Bekijk alle artikelen
Blijf op de hoogte