Interview Een gebiedsbiografie heeft niet alleen meerwaarde als instrument om de karakteristieken van een locatie te benoemen. Het kan ook gebruikt worden om de planontwikkeling van de nodige extra inhoudelijke input te voorzien. Vanuit het Rijk is de toepassing van de gebiedsbiografie gestimuleerd bij de 16 NOVEX-gebieden die Nederland telt. Bij bureau BMC werd de vraag neergelegd – door het ministerie van OCW – om te onderzoeken wat dit streven concreet heeft opgeleverd.
De afgelopen tijd is de gebiedsbiografie van meerdere kanten belicht op Gebiedsontwikkeling.nu. In het eerste deel van ons drieluik bracht historisch geograaf Theo Spek het instrument ter sprake in het interview over zijn magnum opus, de lijvige publicatie waarin alle landschappen van Nederland zijn beschreven. Hij gaf aan geen zicht te hebben op de doorwerking van gebiedsbiografieën op de planontwikkeling in de betreffende gebieden: “Ik zie heel vaak die biografieën uitkomen en daar ben ik soms ook bij betrokken. Ik lees ze en ik koop ze en ze liggen allemaal hier in de kast. Maar hoe dan die doorwerking is? De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed laat nu een onderzoek doen. Ik hoop dat we daar meer over weten komen.”
Onderzoeker Frank Strolenberg kon vervolgens in deel twee van de mini-serie aanhaken op die doorwerking in ruimtelijke plannen; hij ging in oktober specifiek in op de opkomst van de gebiedsbiografie in de afgelopen jaren en welke trends hij daarbij bespeurt. Strolenberg worstelde zo’n 60 recente gebiedsbiografieën door en concludeerde dat er meerdere ‘smaken zijn’: van beschrijvende leesboeken (bedoeld voor een breed publiek), via de biografieën die het ruimtelijke verhaal beschrijven én vooral richtinggevend willen zijn voor toekomstige inrichtingsopgaven tot en met biografieën die een mix vormen van beide vormen. Strolenberg zegt over deze drie soorten: “De RCE zette aanvankelijk, toen het instrument in opkomst was, nadrukkelijk in op die eerste categorie. Men wilde vooral waardenvrije kennisproducten maken. Maar partijen die bezig zijn met ruimtelijke ontwikkelingen willen niet eerst een boek van 400 pagina’s doorwerken, zelf conclusies trekken wat de belangrijkste waarden zijn en ook nog zelf bepalen hoe er met die waarden moet worden omgegaan. Die vragen echt om concrete handvatten, uitspraken en sturing. Die willen een gebiedsbiografie met handen en tanden.”
Inzet bij NOVEX-gebieden
Met die laatste opmerking over de rollen van partijen kunnen we een bruggetje maken naar deel drie van ons drieluik over de gebiedsbiografie; dat wordt namelijk gevormd door een gesprek met Charlotte Nauta en Ruby Marseille van BMC (respectievelijk managing consultant BMC Fysiek Domein en senior adviseur Verstedelijkings- en gebiedsopgaven). Zij onderzochten in opdracht van het ministerie van OCW (dat de afgelopen jaren het gebruik van de gebiedsbiografie stimuleerde bij grootschalige gebiedsontwikkelingen) hoe het cultureel erfgoed wordt meegenomen in de planontwikkeling van de NOVEX-gebieden. Met daarbij als belangrijke vraag: helpt het instrument van de gebiedsbiografie hierbij?

‘Charlotte Nauta’ (bron: BMC)

‘Ruby Marseille’ (bron: BMC)
Hoe is dit onderwerp bij jullie op het bureau beland?
Nauta: “Zowel qua inhoud als proces past het onderwerp goed bij ons. Veel van wat wij doen heeft te maken met bestuur en beleid en besluitvorming; dan ligt een thema als de doorwerking van erfgoed in gebiedsontwikkeling dichtbij.”
Marseille: “Het instrument van de landschapsbiografie – een van de vormen van een gebiedsbiografie – was mijzelf ook niet onbekend. Ik heb zelf in het verleden de nodige erfgoedstudies verricht rondom de Nieuwe Hollandse Waterlinie, waarbij de relatie tussen behoud en ontwikkeling evenzeer aan de orde kwam.”
Wat vinden jullie zelf van het instrument gebiedsbiografie? Even los nog van hoe het wordt toegepast in gebiedsontwikkeling of specifiek in de NOVEX. Heeft het een meerwaarde wat jullie betreft?
Nauta: “Ik denk dat het een nuttig instrument is, dat heel inspirerend kan zijn. En dat het zo ook gebruikt kan worden, niet alleen door de plannenmakers, maar bijvoorbeeld ook door bestuurders. Het ‘zoet’ bij heel veel ‘zuur’ werd het instrument ook wel genoemd, het heeft een positieve connotatie door de verbinding met identiteit en trots. Dus dit is iets waarmee je goed naar buiten kan gaan als bestuurder. En het is mooi wanneer je op deze manier alle informatie bij elkaar hebt over een gebied. Of dat dan precies en per se in de vorm van het instrument gebiedsbiografie moet, dat weet ik niet. Maar deze vorm dit werkt wel.”
Marseille: “Wat echt wel meerwaarde heeft ten opzichte van andere documenten, zo bleek uit de interviews, is de ontwikkelingsgerichtheid van de gebiedsbiografie. Het is niet puur beschrijvend in de zin van: dit is wat we zien in het landschap en we moeten er wat mee. Er wordt echt gekeken van: hoe hebben we toen gehandeld, wat voor ruimtelijke oplossingen heeft dat toen opgeleverd en wat betekent dat voor ons handelen in het heden? Uiteraard verschilt het nog wel per NOVEX-gebied en ook wanneer de gebiedsbiografie precies in de tijd is ingezet en hoe de gebiedsbiografie is ingestoken. De gebiedsbiografie heeft een redelijk vrije vorm, hoe je de biografie aanpakt en wanneer je dat doet. Maar er zitten wel echt hele goede voorbeelden bij waarin het wel degelijk tot handelingsperspectieven leidt.”
In Brabant kreeg de tekst van de gebiedsbiografie expliciet een hoofdstuk toebedeeld in het NOVEX-plan
Marseille: “Van de 16 NOVEX-gebieden hebben er zeven gebruik gemaakt van de gebiedsbiografie. Inhoud en vorm verschilden, evenals het moment waarop de biografieën zijn opgesteld. In veel gevallen is dat pas recent gebeurd, dus hoe ze doorwerken in de uiteindelijke ruimtelijke plannen, dat is nog afwachten. Vanuit het ministerie van OCW zijn er specifiek gelden beschikbaar gesteld voor de NOVEX-gebieden om een biografie op te stellen. In een enkel geval lag er al een gebiedsdocument – waarvoor de provincie de opdrachtgever was – dat vervolgens in het NOVEX-proces is ingeschoven. Sowieso hebben we met de provincies wel een belangrijke speler in deze te pakken; ze zijn vaak de trekkers van de NOVEX-ontwikkelingen en hebben daarbij vaak al decennialang informatie en kaarten verzameld, waar gebruik van kan worden gemaakt.”
Conclusies en aanbevelingen uit de zeven cases
Uit een documentenscan die onderdeel uitmaakte van het BMC-onderzoek is gebleken dat “in ruimtelijke plannen met een gebiedsbiografie gemiddeld 53 directe verwijzingen naar erfgoed te vinden waren, tegen een lager aantal in gebieden zonder biografie. Gebieden met een gebiedsbiografie tonen meer concrete en kwalitatieve verwijzingen naar erfgoed in ruimtelijke plannen, wat wijst op een sterker handelingsperspectief.” Uit de interviews met betrokkenen blijkt dat “het instrument helpt om draagvlak te creëren en cultuurhistorische waarden integraal mee te nemen in de plannen.” Daarbij is “onderlinge samenwerking tussen opstellers en ontwikkelaars van plannen essentieel voor het optimaal benutten van het instrument in de verdere planvorming.”
In de conclusies en aanbevelingen wordt op deze constateringen voortgeborduurd door de onderzoekers. Hoewel het volgens hen nog te vroeg is om iets te zeggen over de doorwerking, is duidelijk dat gebiedsbiografieën een inhoudelijke en procesmatige meerwaarde hebben. Om het instrument goed te benutten, is het zaak er wel meer bekendheid aan te geven. Belangrijk in de toepassing is een “bewuste maatwerkkeuze”, aldus BMC: “De inzet van gebiedsbiografieën moet aansluiten bij de schaal en context van de plannen. In vroege fasen bieden ze abstracte informatie; in latere fasen gedetailleerde, locatiegebonden inzichten. Ze dienen aangepast en relevant te zijn voor verschillende fasen en doelgroepen binnen het planningsproces.”
Charlotte, jij gaf aan dat de aandacht voor cultureel erfgoed eventueel ook via andere instrumenten georganiseerd zou kunnen worden – en niet per se dwingend bovenaf via een gebiedsbiografie. Kun je daar nog wat meer over zeggen? Zeker omdat gebiedsontwikkelaars vaak al klagen dat ze zoveel gestapelde ambities in één gebied moeten bundelen.
Nauta: “We zagen in Brabant dat de tekst van de gebiedsbiografie expliciet een hoofdstuk kreeg toebedeeld in het NOVEX-plan, een mooie vorm waarbij de ‘verinnerlijking’ door de partijen van het erfgoed-gedachtengoed waarschijnlijk al verder was voortgeschreden. In Utrecht hebben ze een andere keuze gemaakt: daar was de afgelopen decennia al zoveel opgehaald aan materiaal en kaarten, het had daar weinig zin gehad om nog eens een extra biografie op te stellen.”
Marseille: “In de meeste andere gevallen is de gebiedskennis gebundeld in een afzonderlijk document. Soms betreft dit een beknopt en eenvoudig online raadpleegbaar stuk. In andere gevallen gaat het om een fraai vormgegeven publicatie, die ook fysiek wordt verspreid en bijvoorbeeld op als boek op de keukentafel wordt gelegd of als relatiegeschenk aan stakeholders wordt meegegeven.”
Zo'n gebiedsbiografie wordt op een gegeven moment dan geïntroduceerd in het proces. Hebben jullie een beeld gekregen van hoe de andere partijen daar vervolgens op reageren?
Nauta: “We hebben ze niet letterlijk gevraagd: wat vindt u ervan? Maar we hebben bijvoorbeeld wel gezien in het Groene Hart dat de gebiedsbiografie daar stevig omarmd is door de betrokken partijen; zij hebben de biografie flink gepromoot waardoor het een stevige plek kreeg in het proces. In het Noordzeekanaalgebied kregen we ook voorbeelden te horen van de betekenis die de biografie had om nieuwe ontwikkelingen ook in een breder historisch perspectief te kunnen plaatsen. Die vond ik ook wel heel mooi. In de regio Zwolle heb ik zelf ook aan de NOVEX-ontwikkeling ter plekke mogen werken. En daar is het gedachtengoed van de gebiedsbiografie geïmplementeerd in de regionale SPONS-strategie, als water- en bodemsturende basis onder de verdere ruimtelijke uitwerking.”
Marseille: “In veel gebieden is het zo dat de NOVEX-programmamanagers bewust zelf interesse hadden in de gebiedsbiografie en de meerwaarde ervan in zagen. Als je daar iemand hebt zitten die zegt van: ik weet niet of dit van belang is, dan wordt het minder snel meegenomen natuurlijk. Het moment waarop die gebiedsbiografie wordt geïntroduceerd is wel van groot belang. En ook het schaalniveau, dat komt ook wel heel erg terug. Als je voor het hele gebied iets gaat maken en je het vervolgens op een klein gebied moet toepassen, dan heb je niet direct de goede informatie bij de juiste schaal. Het is heel belangrijk dat je de cultuurhistorische dimensie op het juiste moment in het proces op de juiste schaal aan het toepassen bent. En dat zien we dus ook wel echt bij verschillende gebieden terug.”
De gebiedsbiografie is bedoeld om vanuit een ander perspectief te reflecteren op het gebied
Nauta: “Het gaat om een proces van informatieoverdracht dus de biografie moet zodanig zijn opgesteld en verwoord dat de ontvanger ook begrijpt wat hij ermee moet of kan. En dan ben je al een stuk verder. In relatie tot het proces is het meest gunstig als het niet een eenmalige actie betreft – hier is het rapportje en zie maar – maar als in verschillende fases in het hele planvormingstraject dit onderwerp ook weer terugkomt. Dus je moet het liefst iemand aan tafel hebben die op de goede momenten zegt: denk even mee, luister even, let op. Dat type ‘aandacht vragen voor’ is cruciaal voor wat er gebeurt. Wij denken dat maatwerk voor de fase waarin men actief is, heel erg belangrijk is.”
“Stel dat er bij een grote gebiedsontwikkeling tenders aanstaande zijn voor de deelplannen. Als er vervolgens eerst nog anderhalf jaar gestudeerd moet worden om eerst de gebiedsbiografie op te tuigen, dan ben je te laat. Dus je moet ook op het goede moment met het juiste product komen en het hoeft dan niet een wetenschappelijk allesomvattend document te zijn. Maar er moet iets liggen wat nodig is voor de besluitvorming op dat moment. Daarbij legt een gebiedsbiografie in veel gevallen helemaal geen belemmeringen op, het is veel meer een inspirerend document. En dat maakt de positie in het proces natuurlijk net even wat anders.”
Marseille: “Het is niet dat er een extra claim gelegd wordt, bovenop de claims die er vaak al liggen. De gebiedsbiografie is bedoeld om vanuit een ander perspectief te reflecteren op het gebied. Als we kijken naar wat we in het verleden hebben gedaan, wat kunnen we daarvan leren? Hoe kunnen we ook anders naar dat gebied kijken? Bij het genoemde Noordzeekanaalgebied, daar hebben ze echt gekeken naar hoe hebben we gehandeld rondom de aanleg van Noordzeekanaal zelf en wat leren we daarvan anno nu, als we de energietransitie toe willen gaan passen in dat gebied. Daarmee komen verleden, heden en toekomst op een interessante manier bij elkaar.”
Het complete rapport van BMC over de toepassing van de gebiedsbiografie in NOVEX-gebiedsontwikkelingen is hier te vinden.
Cover: ‘Donkse Laagten Alblasserwaard’ door jstuij (bron: Shutterstock)









