platform voor kennis, nieuws en debat
platform voor kennis, nieuws en debat
Column

Groepen komen en gaan in de krentenbollendorpen

Groepen komen en gaan in de krentenbollendorpen

7 apr 2014 - Intrigerend vond ik het plaatje dat Kim Putters, directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP), onlangs liet zien op het jaarlijkse Praktijkcongres Gebiedsontwikkeling. Het was een grafiek van de ruimtelijke verschillen in ’sociale status’. De grote én kleinere dorpen in de buurt van de steden zijn op afstand de koplopers. Het maakt maar eens te meer scherp dat het de stedelijke regio’s zijn waarnaar het zwaartepunt verschuift, en dus niet de stad alléén.

Ook binnen (potentiële) krimpregio’s treden behoorlijke verschillen op. Het ene dorp is het andere niet. Met name de afgelegen dorpen verkeren in een heikele positie: ze dalen in status, verliezen inwoners en voorzieningen brokkelen af. Voorzieningen die wegvallen zijn deels op te vangen met vrijwilligerswerk. De participatiegraad is in de dorpen namelijk aanzienlijk hoger dan in de stad. Mensen zullen meer moeten organiseren en doen als manier van voortbestaan. De overheid kan niet (meer) subsidiëren en de boel op de oude voet gaande houden.

Maar bewoners kunnen niet alles oplossen. Om een zeker niveau van basisvoorzieningen in stand te houden, komt de methode van gebiedsontwikkeling te hulp. Concentreren en combineren van voorzieningen wordt een sleutel. Denk aan een ‘zorguitgiftepunt’ in een van de leegstaande gebouwen. De combinatie van een huisarts, apotheek, eerstelijnszorg, bibliotheek, buurthuis en gemeenteservicepunt in, zeg, een herontwikkelde kerk, maakt ook op dorpsniveau het instandhouden van voorzieningen mogelijk. Maar let wel, dit kan niet overal. Een duidelijke ruimtelijke concentratie in ’regiosteden’ en ’regiodorpen’ is onontkoombaar. We moeten accepteren dat er ’krentenbollendorpen’ ontstaan, waar de enig overgebleven bakker simpelweg niet rond kan komen van de verkoop van een paar krentenbollen per dag. Heel erg hoeft dat niet te zijn. Er zijn genoeg voorbeelden die bewijzen dat ook zonder of met heel weinig subsidie een nieuwe maatschappelijk dynamiek kan ontstaan vanuit initiatieven van bedrijven en burgers. Ook trekken juist nieuwe groepen naar de krentenbollendorpen toe, omdat ze de rust en kwaliteit van het landelijk wonen zoeken.

Tegelijkertijd moeten we realistisch blijven. Met name mensen die afhankelijk zijn van zorg, zullen uiteindelijk niet meer in deze krentenbollendorpen kunnen blijven wonen. Zij zijn aangewezen op de regiosteden of regiodorpen en zullen onontkoombaar moeten verhuizen. De zorgdruk op de steden en regiopdorpen zal dus toenemen. En juist in de steden is de participatiegraad een stuk lager, aldus de cijfers van Kim Putters. Tel daarbij op wat de steden met de komende decentralisatie en vermindering van budgetten toch al op hun bordje krijgen, en je begrijpt dat de verzorgingsstad met name in organisatievermogen een krachttoer van jewelste wordt. De divergerende tendensen van groei en krimp lopen gelijk op met een mega-decentralisatie en dito bezuinigingsoperatie. Veel antwoorden zijn er nog niet. Wat we wél kunnen doen is inzetten op een ruimtelijke concentratie en bundeling van voorzieningen. De krentenbollendorpen zijn op zich niet het probleem.

Krimp is immers alleen een probleem als je denkt vanuit het gelijkheidsdoctrine, behouden wat er is en het idee dat de groei wel weer terugkomt. De ruimtelijk-economische, sociale en demografische verschillen tussen regio’s en binnen regio’s zijn voor het overgrote deel onvermijdelijk. Daar moeten we aan wennen. En tegelijkertijd de middelen inzetten die we wél voorhanden hebben. Daarover zei Kim Putters iets opmerkelijks. Het paradigma van gebiedsontwikkeling is voor hem een gids om kwesties van zorg en voorzieningen aan te pakken, ook los van de vastgoedkant. De oplossing vinden door de verkokering te doorbreken, de sectorale begripsvernauwing te verwerpen en uiteenlopende belangen op één lijn brengen. Die kant moeten we op. Sterker nog, het lijkt de enige weg, want nieuwe subsidiepaden zijn er in ieder geval niet.

Auteur

friso
Friso de Zeeuw

Emeritus Praktijkhoogleraar Gebiedsontwikkeling TU Delft

Bekijk alle artikelen
Blijf op de hoogte