Analyse Flip ten Cate stopte in 2023 na 21 jaar als directeur van de Federatie Ruimtelijke Kwaliteit. In het recent verschenen boek Mooiwaarts bundelt hij succesvolle en frustrerende pogingen om in Nederland ruimtelijke kwaliteit te realiseren. Ten Cate spreekt graag van “schoonheid als kwaliteit van de leefomgeving”. In dit artikel legt hij uit waarom, waar het goed gaat en waar het beter moet. “De enige weg voorwaarts is die van de integratie van opgaven.”
Laten we het weer eens hebben over schoonheid. We zijn dat woord verloren, in de stedenbouw en in de architectuur. De allereerste schoonheidscommissies gingen al gauw welstandscommissies heten. Iemand heeft ooit bedacht dat schoonheid als begrip zo subjectief is, dat we beter kunnen spreken over ‘redelijke eisen van welstand’. Beauty is in the eye of the beholder en over smaak valt niet te twisten. En hoewel we al sinds 1898 met adviescommissies oordelen uitspreken over de schoonheid van onze leefomgeving, hebben we dat voor iedereen begrijpelijke woord ‘schoonheid’ vervangen door de ongrijpbare 'redelijke eisen van welstand'. Niemand weet eigenlijk wat dat betekent, maar het suggereert dat er niets onredelijks wordt gevraagd, en dat armoedigheid uit den boze is.
En de ‘eisen’ suggereren dat die welstand iets meetbaars en beoordeelbaars is, met de introductie van welstandscriteria in 2002 als overtreffende trap. We hebben daar als welstandsadviseurs fanatiek aan meegedaan. Ik ook. In de voorbereiding op het boek Mooiwaarts, dat terugblikt op 21 jaar werk aan ruimtelijke kwaliteit, stuitte ik op een U-bocht waarin ik uitleg dat ‘redelijke eisen’ gaan over eisen waarin de ‘rede’ centraal staat. Het tegendeel van ‘redelijke eisen van welstand’ is niet ‘onredelijke eisen’, maar ‘onnavolgbare eisen’. Kunt u ’t nog volgen?
Betekenis
Terug naar schoonheid. Ik vroeg de afgelopen zomer aan een orakel wat schoonheid is. “Schoonheid,” zei het orakel, “is dat wat van binnen verborgen zit en door jouw glimlach zichtbaar wordt.” En dat is het! Schoonheid is niet de eigenschap van een ding. Een gebouw is niet mooi, een auto of een mens evenmin. Schoonheid ontstaat pas als de toeschouwer er die betekenis aan geeft. Ja, schoonheid ligt inderdaad in het oog van de toeschouwer. En toch is het voor ontwerpers en kunstenaars noodzakelijk om te streven naar schoonheid.
Een goed ontwerper, leerde ik ooit van de Belgische architect Bob van Reeth, verbindt zich met hart en ziel aan zijn ontwerp. Zij, of hij, verdiept zich in de geschiedenis, zij spreekt met de mensen die de plek kennen en liefhebben, zij vraagt zich af welke maatschappelijke en culturele betekenis deze ruimtelijke ingreep heeft voor deze plek. Met al die bagage plus haar vakmanschap als ontwerper maakt zij het mooiste wat ze maken kan, in de hoop dat er ooit iemand langs komt die met zijn glimlacht de schoonheid tot leven roept. Schoonheid gaat over verlangen.
Essentie van de plek
Dat is dus heel wat anders dan ‘perfecte ruimtelijke kwaliteit’. “Er zit een barst, een barst in elk ding – zo komt het licht erin,” zong Leonard Cohen. De essentie van het werk van adviescommissies voor ruimtelijke kwaliteit gaat niet om het beoordelen van de perfectie van het ontwerp, maar om de vraag of de ontwerper met vakmanschap en vooral met hart en ziel gezocht heeft naar de essentie van de plek en van het gebruik van die plek en zich daardoor heeft laten inspireren.

‘Wijk in aanbouw’ door Martin Bergsma (bron: shutterstock)
Het gaat om het vormgeven van het “niet-meetbare, het essentiële,” zei ingenieur Eo Wijers van de Rijksplanologische Dienst al in 1982. En op basis daarvan ontwikkelde zijn medewerker Peter Dauvellier het begrip ruimtelijke kwaliteit als het samengaan van gebruikswaarde, toekomstwaarde, herkomstwaarde en belevingswaarde. Kwaliteit ontkiemt in de harten van mensen, staat in het vijftien jaar oude pleidooi van de initiatiefgroep Mooiwaarts. In het niet-meetbare, het essentiële, dus. Kwaliteit wordt werkelijkheid als die harten zich verbinden met vakmanschap, daadkracht, geld en met de ziel van de plek. De Genius Loci.
De ooit integrale Omgevingswet is nog voordat hij werd ingevoerd opgeknipt, versnipperd, tot welles-nietes gereduceerd in een digitaal stelsel
Verbinding en bezieling. Dáár moet het gesprek in de schoonheidscommissies over gaan! Maar ja, hoe anders is de werkelijkheid. Er is in 2012 een Omgevingswet gemaakt. We hebben er hard aan meegewerkt en we zijn er als Federatie zelfs in geslaagd om ‘omgevingskwaliteit’ in de hoofddoelstelling van die wet opgenomen te krijgen. Naar mijn smaak was dat een geweldige en revolutionaire wet, waarin het overkoepelende ‘streven naar goede omgevingskwaliteit’ belangrijker gemaakt was dan normen en regels. Een integrale afweging moet ervoor zorgen dat de kwaliteit van de omgeving steeds beter wordt. En als kers op de taart werd ‘goede omgevingskwaliteit’ in het belangrijkste document over de ruimtelijke ordening van ons land ook nog eens verheven tot een Nationaal Belang.
Verbinding
Dit alles is geschiedenis. We zijn nu bijna vijftien jaar verder. De ooit integrale Omgevingswet is nog voordat hij werd ingevoerd opgeknipt, versnipperd, tot welles-nietes gereduceerd in een digitaal stelsel en ook nog eens op een belangrijk punt geprivatiseerd. En dan wordt deze wet (die beschouwd kan worden als de grootste dereguleringsoperatie in de geschiedenis) ook nog eens verminkt door gemeenten te verbieden met eigen beleidsregels afwegingsruimte te creëren die voor omgevingskwaliteit zo noodzakelijk is.
De enige weg voorwaarts is die van de integratie van opgaven
Om omgevingskwaliteit toch integraal in beleid op te nemen en in vergunningen af te wegen, moet elke gemeente opnieuw de planologische instrumenten én het bouwrecht heruitvinden. Het Rijk heeft het maken van omgevingsplannen zonder nadere handreiking gedecentraliseerd. En tegelijkertijd wordt het gemeenten verboden om politieke wensen in beleid te vertalen. Duurzame energie, biodiversiteit, circulair bouwen, betaalbaar wonen – lokale ambities op al die terreinen van omgevingskwaliteit zijn niet toegestaan. Integraal afwegen is uitermate lastig: hoeveel extra architectonische kwaliteit mag je vragen als een geluidsnorm met 2 decibel wordt overschreden? Hoe beoordeel je die extra kwaliteit op een manier die ook bij de Raad van State standhoudt? De wetenschap blijft stil, ondanks oproepen van de Federatie Ruimtelijke Kwaliteit. En de VNG weet het ook niet. Met doormodderen en weer oppoetsen slaagt een enkele gemeente aarzelend in zijn taak. Dat is problematisch voor gemeenten, die echt geloven in goede omgevingskwaliteit, maar ook voor het Rijk, omdat dat nationale belang nu niet goed wordt behartigd.
Kwaliteitsdeal in NOVEX-gebieden
Hoe kan het beter? Leer de les van de Erfgoed Deal. Sinds een jaar of 15 moet erfgoed verplicht beschermd worden in het bestemmingsplan. Dat wou niet erg vlotten. Overheden en maatschappelijke partijen in de erfgoedsector staakten hun gemopper en sloten een Erfgoed Deal. Met een relatief bescheiden bedrag zijn ruim 50 omvangrijke projecten ondersteund en die projecten laten zien dat grote vraagstukken van wateropvang, klimaatadaptatie, woningbouw en energietransitie, geen hinder ondervinden van beschermd erfgoed maar er juist enorm veel profijt van kunnen hebben. Technisch, financieel, conceptueel profijt en met een hoge ruimtelijke kwaliteit als resultaat.
En nu is het ‘omgevingskwaliteit’ waar het in het beleid niet zo mee wil vlotten. Ook nu lijken sectorale, urgente vraagstukken niet van de grond te komen door de wettelijke noodzaak om kwaliteit tot stand te brengen en ontstaan er uitzonderingsposities. Maar wie anderen aan de kant zet in het belang van de eigen ‘absolute prioriteit’, heeft straks het nakijken als een ander domein hetzelfde doet. De enige weg voorwaarts is die van de integratie van opgaven. Die integratie gaat haast vanzelf als het gedeelde belang de ‘goede omgevingskwaliteit’ is. Zet dus kwaliteit als nevengeschikt doel in alle Rijksprogramma’s en sluit een ‘Kwaliteitsdeal’, naar analogie van de Erfgoed Deal of de Woondeal, in elk NOVEX-gebied. Met processen en monitoring om te leren van mislukkingen en om successen te vieren.
Schoonheid – ook in 2050
21 jaar heb ik me, samen met tientallen anderen, ingezet voor welstand, ruimtelijke kwaliteit, voor bouwcultuur en schoonheid – misschien wel in een zoektocht naar verbinding. Verbondenheid is, naar mijn smaak, misschien wel het belangrijkste woord van dit decennium. Verbinding, niet alleen met je naasten, met je landgenoten, met de professionals die je ontmoet, maar verbinding ook met de natuur, met je omgeving, met de plaats waar je gehecht en geworteld bent. Met de plek die je liefhebt. Verbondenheid, liefde en schoonheid.
We waren de schoonheid verloren. We hebben haar teruggevonden, we geven haar door.
We werkten tegen de klippen op om het weergaloze weerloze, het essentiële, het wezenlijke te laten doorklinken in die schijngestalten van welstandscriteria, spreadsheets en aanbestedingscriteria, open en gesloten normen in omgevingsplannen of verhullend taalgebruik. Zo de schijn ophouden heeft ons geen goed gedaan. We waren de schoonheid verloren. We hebben haar teruggevonden, we geven haar door. Stoppen met het bevorderen van schoonheid is geen optie. Want, zo parafraseer ik graag Stendhal, schoonheid is de garantie op geluk.
Dit artikel verscheen eerder op de website ruimtelijkeordening.nl.
Cover: ‘Bouw van moderne gezinswoningen in Zutphen’ door Martin Bergsma (bron: Shutterstock)








