Interview De provincie Limburg werkt aan een omvangrijke verstedelijkingsslag rond de zes intercitystations in de provincie. Onder de noemer ‘Limburg Centraal’ ontwikkelen provincie, ProRail, NS Vastgoed, Rijk, gemeenten en waterschap een gezamenlijke visie die richting geeft aan de gebiedsontwikkelingen. Gedeputeerde Michael Theuns (CDA) licht het plan toe.
Woningbouw, economie en bereikbaarheid komen in Limburg Centraal samen rond de stations. Met de verstedelijkingsstrategie verruilt de provincie losse lokale plannen voor een regionale, op knooppunten gebaseerde aanpak, waarin de afzonderlijke gemeenten nog wel hun eigen keuzes kunnen maken. Volgens gedeputeerde Michael Theuns kruipt Limburg met deze visie “collectief uit zijn schulp” en positioneert de provincie zich als groeiregio. De strategie richt zich op de zes Limburgse intercityknooppunten Maastricht, Heerlen, Sittard-Geleen, Roermond, Venlo en Weert. Voor deze locaties onderzoeken de betrokken partijen hoe nieuwe stedelijke milieus kunnen ontstaan waarin wonen, werken en bereikbaarheid samenkomen. De provincie heeft hiervoor vijftig miljoen euro gereserveerd.
Aantrekkelijke woon- en leefomgeving
De provincie wil met de nieuwe plannen voorkomen dat stationsgebieden functioneren als restgebieden aan de rand van het centrum. Historisch gezien lagen veel Limburgse stations buiten de stad, vaak naast emplacementen of onderhoudsterreinen. “Als je het station uitloopt, sta je niet vanzelf in het centrum,” zegt Theuns. “Dat zie je niet alleen in Limburg, maar ook in een stad als Tilburg.” Volgens Theuns ontstaat daar een klassieke gebiedsontwikkelingsopgave: het station vormt geen vanzelfsprekend stedelijk knooppunt, maar eerder een barrière tussen stadsdelen. “Je hebt vaak een voorkant die profiteert en een achterkant die achterblijft,” legt hij uit. “Dan wordt een station geen plek om te verblijven, maar een grens die je zo snel mogelijk wilt passeren.”

‘Michael Theuns’ (bron: Provincie Limburg)
Juist daarom is het volgens hem essentieel dat stationsgebieden niet langer worden benaderd als infrastructuurzones, maar als volwaardige stedelijke gebieden. “Je wilt dat het stationsgebied een aantrekkelijke woon- en leefomgeving is, niet een begrenzing aan de rand van je centrum.” Voor de gebiedsontwikkeling betekent deze keuze voor stations als ontwikkelpunten een dubbele opgave: ‘verdichten’ en ‘verbinden’. Het gaat niet alleen om het toevoegen van extra woningen, maar vooral om het beter insluiten van stationsgebieden in de stedelijke structuur. De provincie stuurt daarbij op de samenhang tussen programmering, bereikbaarheid en stedelijke functies, terwijl gemeenten de lokale uitwerking verzorgen.
Heldere taakverdeling
Theuns noemt de combinatie van verdichten en beter verbinden een noodzakelijke stap om de centra van de steden sterker te maken en de bestaande openbaar vervoer-infrastructuur optimaal te benutten. Dit ruimtelijke perspectief op stationsontwikkeling is vastgelegd in de verstedelijkingscontour. Naast wonen speelt economie een belangrijke rol in de strategie. Limburg Centraal zet in op het concentreren van stedelijke economische functies in stationsomgevingen, waar bereikbaarheid en voorzieningen samenkomen. De gedeputeerde wijst erop dat stationsomgevingen kansen bieden om deze functies te versterken en beter te verbinden met de stad. Hij ziet daarbij onder meer kansen in Heerlen om onderwijsinstellingen zoals hogescholen ruimtelijk dichter bij het station te positioneren, zodat uitwisseling tussen opleidingen, bedrijven en stedelijke functies eenvoudiger wordt.
De rolverdeling tussen provincie, Rijk en gemeenten is volgens Theuns helder. De provincie werkt samen met het Rijk aan de verstedelijkingsstrategie en de hoofdlijnen van het programma. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de planvorming en uitvoering op lokaal niveau. Theuns omschrijft het proces als “twee dingen tegelijk maken,” namelijk de strategie op regionaal niveau en de businesscases per stationsomgeving. Die businesscases geven inzicht in de mogelijke programma’s, de benodigde publieke investeringen en de financiële haalbaarheid. “We zorgen ervoor, dat er per stationsomgeving een uitgewerkte businesscase ligt.” Gemeenten kunnen daarmee hun ontwikkelkeuzes onderbouwen en naar marktpartijen stappen met een consistent verhaal.
Hergebruik van spoorgronden
De ontwikkeling rond het station in Heerlen illustreert hoe Limburg Centraal voortbouwt op bestaande projecten en tegelijk nieuwe kansen ziet. Het Maankwartier, de herontwikkeling rond het station in de jaren tien van deze eeuw, geldt als voorbeeld van een geïntegreerde stationsontwikkeling, waarbij het station is verbonden met de omliggende stedelijke structuur en nieuwe stedelijke functies zijn toegevoegd. Toch vindt Theuns dat de opgave in Heerlen ook nu nog omvangrijk is. Hij wijst op de terreinen ten noorden van het station, waar onder meer het voormalige CBS-gebouw staat. “Daar ligt nog heel veel ruimte.”
Samenwerking met de spoorsector is een structureel onderdeel van de strategie. ProRail en NS Vastgoed zijn betrokken bij het onderzoek naar de ruimtelijke en technische mogelijkheden rond de stations. Samenwerking met de spoorsector is een structureel onderdeel van de strategie. ProRail en NS Vastgoed zijn betrokken bij het onderzoek naar de ruimtelijke en technische mogelijkheden rond de stations. Volgens Theuns is dat voor gebiedsontwikkelaars van belang, omdat veel ruimtewinst in Limburg kan worden gevonden in het hergebruik van spoorgronden.
Theuns vertelt dat de provincie samen met de Spoorbouwmeester werkbezoeken bracht aan Breda en Tilburg, juist vanwege de verschillende ruimtelijke situaties. In Breda is het station sterk verweven met het stedelijk centrum, terwijl Tilburg laat zien hoe een station met een groot emplacement en voormalig industrieel gebruik kan worden herontwikkeld zonder directe centrumligging. Die contrasten herkent Theuns in meerdere Limburgse stationsomgevingen, waar stations vaak niet vanzelfsprekend onderdeel zijn van het centrum, maar wel grote ontwikkelpotentie hebben. In Maastricht is bovendien opdracht gegeven om te onderzoeken welke delen van het spoor- en emplacementsterrein op termijn minder nodig zijn voor spoorgebruik en daardoor ruimte kunnen bieden aan stedelijke functies.
Provincie als meerkernige stad
Theuns plaatst Limburg Centraal nadrukkelijk in een regionale benadering van ruimtelijke ordening. Hij beschouwt Limburg daarbij als een ring van steden rond een groot groen middengebied. Door de relatief korte afstanden vormen de verschillende stedelijke kernen samen één regionaal systeem. Volgens de gedeputeerde vraagt dat om maatwerk per stationsomgeving, in plaats van één uniform ontwikkelmodel voor alle zes steden. De ambitie om Zuid-Limburg te ontwikkelen tot een ‘dertigminutenregio’, waarin belangrijke voorzieningen binnen een half uur per openbaar vervoer bereikbaar zijn, past in dit denken.
Wij hoeven in Limburg geen grote investeringen te doen in extra spoor- of stationscapaciteit
De provincie schrijft in de plannen dat de groei van economie of woningvoorraad niet in één stad mag worden geconcentreerd, maar evenwichtig verdeeld moet worden. Theuns benadrukt dat de ruimte voor stedelijke ontwikkeling weliswaar aanwezig is, maar begrensd. “Die groei is zeker mogelijk, maar niet tot in het oneindige. Je moet met elkaar nadenken over de balans tussen die verschillende steden.” De uitzonderlijk hoge dichtheid aan treinstations in Limburg vormt een belangrijk vertrekpunt voor de verstedelijkingsstrategie. In vergelijking met andere regio’s beschikt Limburg over relatief veel stations, soms zelfs twee in kleinere gemeenten. Theuns noemt zijn eigen woonplaats Beek, met 16.000 inwoners en twee stations.
Volgens hem ligt in die dichtheid een strategisch voordeel. “Wij hoeven in Limburg geen grote investeringen te doen in extra spoor- of stationscapaciteit. Die capaciteit is er al. De opgave zit niet op het spoor, maar eromheen.” Limburg kan voortbouwen op bestaande netwerken en de focus leggen op gebiedsontwikkeling rond de stations. Dat betekent niet dat stationsgebieden eenvoudige ontwikkellocaties zijn, benadrukt Theuns. Juist de gebieden direct rond de stations vragen om zorgvuldige gebiedsontwikkeling. Geluid, spoortrillingen, bodemverontreiniging en de nabijheid van infrastructuur maken deze locaties complex. “Ook al ligt er vaak nog veel ruimte, het zijn niet de makkelijkste plekken,” zegt hij.
Door regionaal te werken, kun je keuzes beter onderbouwen en risico’s verdelen
Het verschil zit volgens hem in het type investering: niet grootschalig in spoorcapaciteit, maar gericht in de transformatie van het omliggende gebied. “Dan moet er soms iets gesloopt worden of gesaneerd. Dat is geen makkelijke opgave, maar wel een andere dan het uitbreiden van het spoor zelf.” Naast deze ruimtelijke complexiteit spelen ook andere randvoorwaarden een rol. Stikstof en netcongestie beïnvloeden het tempo en de locaties van gebiedsontwikkelingen, ook in Limburg. Stationslocaties liggen doorgaans iets verder van gevoelige natuurgebieden dan uitbreidingslocaties, waardoor de stikstofdruk daar relatief lager kan uitvallen.
Netbeheerder als partner
Regionale netbeheerder Enexis is vanaf het begin betrokken bij Limburg Centraal, om te voorkomen dat woningbouw en economische ontwikkelingen later vastlopen door onvoldoende netcapaciteit richting 2040. Juist om deze combinatie van ruimtelijke, technische en financiële complexiteit hanteerbaar te maken, kiest de provincie voor een regionale aanpak. Theuns benadrukt dat Limburg Centraal niet alleen een visie is, maar ook een manier om markt en overheid vroegtijdig bij elkaar te brengen. “Bij de werkbezoeken aan Tilburg en Breda waren gemeenten, marktpartijen, NS en ProRail allemaal samen aanwezig.” Door die gezamenlijke aanpak ontstaat volgens Theuns duidelijkheid over wat per stationsomgeving realistisch is, welke kwaliteit wordt nagestreefd en welke publieke inzet nodig is. Dat biedt marktpartijen houvast. “Je wilt voorkomen dat iedere locatie een losstaand verhaal wordt. Door regionaal te werken, kun je keuzes beter onderbouwen en risico’s verdelen.”
Limburg Centraal werkt met een uitgangspunt van circa 70 procent betaalbare woningen, wat de financiële haalbaarheid van stationsontwikkelingen onder druk zet. Volgens Theuns is die keuze bewust: juist door regionaal te sturen wil de provincie vooraf duidelijkheid scheppen over programma, kwaliteit en publieke inzet. De regionale aanpak moet voorkomen dat elke stationslocatie een afzonderlijke onderhandeling wordt. Door gezamenlijk kaders te stellen en businesscases parallel te ontwikkelen, ontstaat meer voorspelbaarheid voor marktpartijen en kunnen risico’s beter worden verdeeld. Dat maakt het volgens Theuns mogelijk om ook bij een hoog aandeel betaalbare woningen tot uitvoerbare plannen te komen.
Investeren weer zinvol
De grootste uitdaging zit volgens Theuns in de mentale omslag. Limburg had lange tijd te maken met bevolkingskrimp, waardoor investeren in verstedelijking niet vanzelfsprekend was. “Dan ga je anders kijken naar groei en ontwikkeling,” zegt hij. “Je praat vooral over behoud en voorzichtigheid.” Inmiddels groeit Limburg weer en dat vraagt volgens de gedeputeerde om een andere houding. “We moeten het niet blijven hebben over hoe het was,” zegt Theuns. “Het gaat erom hoe het nu is en waar we naartoe willen.” Hij benadrukt dat die omslag niet alleen bij overheden ligt, maar ook bij marktpartijen. “Je moet samen het vertrouwen hebben dat investeren hier weer zinvol is.”
Cover: ‘Station Roermond’ door Remke Luitjes (bron: shutterstock)











