Verslag
Thumb_samenwerking en allianties_0_1000px

Loslaten met visie

Dag van de ruimte 18 november 2010: Nieuwe idealen

Door Arienne Mak

18 nov 2010 - De opzet van de Dag van de ruimte 2010 was geheel in lijn met de nieuwe praktijk van ruimtelijke ordening: een scala aan programmaonderdelen, inbreng vanuit politiek en praktijk, een onverwacht intermezzo, out-of-the-boxdenken en debat. Ook de locatie – het Nirov is gehuisvest in het voormalige PTT-gebouw, Bink36 -, had een inspirerende voorbeeldfunctie in de discussie over de kantorenmarkt. Andere centrale thema’s waren krimp, water en duurzaamheid en nieuwe proces- en financieringsvormen. De actieve vorm van de programmaonderdelen dwong tot een creatieve, betrokken houding zoals ook in de praktijk nodig is. Grote dilemma’s werden aan de orde gesteld: hoe vind je de balans tussen ruimte voor lokaal experiment en het vasthouden van een lange termijnvisie? Wie gaat waarover? En hoe kan de eindgebruiker betrokken worden? In een tijd met zeer beperkte politieke en financiële ruimte, kan dit grote zorgen geven. Echter, “we moeten strijdbaar zijn”, aldus Hugo Priemus.

Schaarste leidt tot creativiteit

Siebe Riedstra (SG Ministerie van Infrastructuur en Milieu) noemde dit als positief punt in tijden van grote bezuinigingen. Teveel geld leidt volgens hem zelfs tot “luiheid en domheid”. Naast creativiteit is vooral selectiviteit een kernwoord. Onder het welbekende motto “Decentraal wat kan, centraal wat moet”, moet het publiek belang versterkt worden. Op nationaal niveau wordt ingezet op mainports, brainports en greenports. Procesmatig wordt gestreefd naar het vereenvoudigen van de regelgeving (bijv. de Wabo) en het terugdringen van bestuurlijke drukte. Dit vatte Riedstra samen in een tweede motto: “je gaat erover, of je gaat er niet over”.

Inspiratie door co-creatie

Vanuit deze invalshoek van nationale politieke kwesties, verschoof Geurt van Randeraat (SITE Urban Development/directeur MCD) de focus op bottom-up initiatieven. Dit onder het motto ‘iedereen heeft een fundamenteel recht op inspiratie’. Aandacht voor idealen is volgens hem nodig om een nieuw gedeeld verlangen te creëren. Nu heerst nog vaak de angst voor de complexe wereld.
Van Randeraat haalde uiteenlopende voorbeelden aan van innovatieve bottom-upstrategieën. Zo noemde hij de handmatige plastic afvalscheiding op de vuilnisbelten van Sao Paulo; deze mensen ontwikkelden een eigen distributiesysteem. In het project Carrotmob worden sociale netwerken ingezet om een lokale onderneming op één dag een zeer veel klandizie te bezorgen. Met de eigenaar wordt overeengekomen dat een percentage van de meeropbrengst aan een lokaal, duurzaam project (bijv. straatverlichting) ten goede komt.
Van Randeraat ziet in de programmering en financiering van Nederlandse projecten een rol weggelegd voor kennisinstituten. Een voorbeeld hiervan is de RDM-campus in Stadshavens Rotterdam, waarbij opleiding en bedrijvigheid worden gecombineerd.
De genoemde voorbeelden hebben gemeen dat nieuwe samenwerkingsvormen zijn toegepast en dat er wordt uitgegaan van de intrinsieke kracht van een plek. Projecten moeten zich meer richten op de eindgebruiker. Deze leer je natuurlijk niet kennen door consultatie van enkele projectontwikkelaars. Van Randeraat ziet marktconsultatie niet als iets vrijblijvends, zoals de nieuwe Reiswijzer Gebiedsontwikkeling suggereert, maar vindt dat dit verplicht moet zijn.

Krimp betekent groei van de ruimte

In één van de inspiratiesessies deelde Reimar von Meding (KAW architecten en adviseurs) zijn visie van een meer organische vorm van wijkontwikkeling, waarin veel ruimte is voor het opnemen van bewonerswensen. Volgens Von Meding draait het in de nieuwe aanpak van gebiedsontwikkeling om het faciliteren van initiatief binnen een kader van hoofdkwaliteiten. Kleinschalige transformatie zorgt ervoor dat tussentijdse bijsturing mogelijk is en bewoners betrokken kunnen worden. Deze strategie is door KAW uitgewerkt voor de wijk Crabbehof in Dordrecht. De aanpak staat in groot contrast met het modernistische totaalconcept dat aan dit type wijk ten grondslag ligt. Door kavels in partjes uit te geven binnen minimale randvoorwaarden, ontstaat een grote variëteit aan mogelijke uitbouw- en nieuwbouwcombinaties. Niets doen is nadrukkelijk ook een optie. ‘De balie’ zorgt voor het bij elkaar brengen van (bewoners-)initiatieven en mogelijkheden.

Een ander middel om flexibel met ruimte om te gaan, is de door KAW ontwikkelde Woonbox: een unit bestaande uit een keuken, douche en toilet, waarmee een leegstaande ruimte direct bewoonbaar gemaakt kan worden.

In de discussie over krimp kwam naar voren dat het niet perse als probleem wordt ervaren: “krimp betekent groei van de ruimte, en dat is positief.” Eén van de deelnemers illustreert dit met haar ervaring bij de gemeente Spijkenisse: in de jaren negentig is gekozen voor het versterken van de binnenstedelijke (voorzieningen)kwaliteit in plaats van uitbreiding en dit is het centrumhart ten goede gekomen. De opgave is hoe je goed vormgeeft aan de overgangssituatie. Deze relativerende kijk vanuit het ruimtelijke perspectief geldt echter niet voor alle betrokkenen bij krimp: het is vooral ook een sociaal probleem, dat diepe impact kan hebben voor bewoners die worden geconfronteerd met waardedaling van hun woning en wegtrekkende voorzieningen. De meerderheid van de aanwezigen vindt dat het niet slechts een lokale opgave betreft, maar vooral ook een regionale. Als oplossingsrichting kwam naar voren dat vanuit deze beide perspectieven moet worden ingezet op andere voorzieningen, bijvoorbeeld zorgarrangementen voor ouderen. Daarbij is het belangrijk niet te stigmatiseren “zielige mensen/regio”.

In de ‘out of the box-sessie’ over de werking van de hersenen en besluitvorming werd door Anjo Travaille (Bovenkamers) vanuit de neurowetenschap duidelijk gemaakt dat gedrag meer overtuigd dan argumenten. Het onderbewuste heeft namelijk al lang gekozen, voordat we er bewust de argumenten bij bedenken. Wil je mensen ‘meekrijgen’ in je idealen, dan draait het volgens Travaille allemaal om inspelen op ieders onderbewuste streven naar zelfbehoud en reproductie. Dit kun je doen door het creëren van een ontspannen stemming en overtuigen van het belang van samenwerking. Daarbij moet je consistent zijn in je rol en voorbeeldgedrag tonen. Kortom, geef je zelf het goede voorbeeld, dan doen de spiegelneuronen (die zorgen voor imitatie van gedrag) de rest.

In de Gamezone konden deelnemers zich buigen over de waterbergingsopgave van Delft Zuidoost. Deze game, ontwikkeld door Tygron, werd in de praktijk al gespeeld door vier betrokken partijen. De game is een nieuw instrument in het multi-actoren beslissingsproces. Eerder werd door Tygron al de game ‘Krimpstad’ ontwikkeld. Met positieve reacties: het is dynamisch, er vindt een directe confrontatie plaats tussen de actoren en de verschillende belangen, en deze worden inzichtelijk gemaakt.

Strijdbaarheid

Hugo Priemus (em. hoogleraar TU Delft) gaf een reflectie op idealen vanuit zijn praktijkervaring. Hij noemde de meer organische en procesmatige benadering van de jonge generatie gebiedsontwikkelaars veelbelovend, maar benadrukte dat het grootschalige perspectief overeind moet blijven. Dit is geen dichtgetimmerd eindbeeld, maar ‘een stip op de horizon’. Hoewel het regeerakkoord hier nauwelijks over rept, zijn er landelijke ruimtelijke ordeningsthema’s die een kabinetsperiode overstijgen, zoals de Ecologische Hoofdstructuur. Roelof Bleker illustreerde dit in het slotdebat, met als voorbeeld de dijkophoging. In de huidige praktijk van kortetermijnplanning wordt steeds een stukje verhoogd, terwijl een structurele aanpak veel duurzamer is. Een lange termijnvisie blijft noodzakelijk als er bezuinigd moet worden, immers: “Slechte ruimtelijke ordening is kostbaar. Als je de ruimtelijke ordening goed doet, dan krijg je synergie en bespaar je,” aldus Priemus. De taak van het NIROV is dan ook dit tegenwicht te geven, strijdbaar te zijn. Het zijn niet langer de subsidies, maar tegenwerking die moet stimuleren. Volgens Priemus moeten de wetenschappelijke invalshoek en bevlogen idealen in de praktijk bij elkaar worden gebracht. Nu zijn het nog vaak gescheiden werelden. Als hoogste ideaal noemt hij “dat één aarde het kan bolwerken”. Daarom zijn ecologische randvoorwaarden en energietransitie van groot belang.

Hudig-penning

Hierna volgde een onverwacht intermezzo: Hugo Priemus ontving de Hudig-penning vanwege zijn grote bijdrage aan de volkshuisvesting en de ruimtelijke ontwikkeling uit handen van Joost Schrijnen.

Auteur:

Portret - Arienne Mak
Arienne Mak

Projectmedewerker bij Praktijkleerstoel Gebiedsontwikkeling TU Delft

Recente artikelen