platform voor kennis, nieuws en opinie
Zoeken
platform voor kennis, nieuws en opinie

Meer massa en dichtheid brengen Brabant niet verder

Meer massa en dichtheid brengen Brabant niet verder

Thumb_Openbare ruimte_1_1000

18 dec 2013 - De kracht van Brabant is de vervlechting tussen kleine stedelijke agglomeraties en hun ommeland. Koester die kracht en zoek niet geforceerd naar meer verstedelijking

Van alle Nederlandse regio’s is Noord-Brabant het meest gericht op de (hoog)technologische industrie. Binnen Europa hebben Milaan, Helsinki en Boedapest een vergelijkbaar profiel, zo blijkt uit studies van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). Brabant heeft een aantrekkelijk vestigings- en leefklimaat door de fijnmazige vervlechting van relatief kleine steden en ommeland. Het PBL ziet dit voordeel tegelijkertijd als nadeel. Brabant mist namelijk ‘agglomeratiekracht’: te weinig echte stedelijkheid in termen van massa (omvang) en dichtheid.

Agglomeratiekracht speelt een rol in de internationale concurrentie met andere stedelijke regio’s, onder meer bij het aantrekken van internationaal talent en de vestiging van bedrijven. Het beleidsantwoord van overheden op de geconstateerde gemankeerde agglomeratiekracht is het opvoeren van de urbanisatiegraad: `Meer massa en dichtheid maken’. Zo algemeen geformuleerd trekt men mijns inziens aan de verkeerde touwtjes. Het is een slag in de lucht en ernstiger het kan leiden tot misplaatste overheidsinvesteringen en afbreuk doen aan de typische Brabantse kwaliteiten.

Nederlandse stedelijke regio’s zijn in vergelijking met het buitenland klein. Ook onze grote steden zijn relatief bescheiden van omvang. Tegenover de kleine schaal van onze stedelijke regio’s staat het voordeel, dat ze economisch gevarieerd en geprofileerd zijn en op korte afstand van elkaar liggen, met goede verbindingen ertussen. Het is een concept van ‘borrowed size’: regio’s ‘lenen’ topvoorzieningen en kracht van de buren. Zo profiteren alle agglomeraties van de Rotterdamse haven en van Schiphol.

In Nederland kennen we een vervlechting in plaats van een strakke functionele scheiding tussen stad en ommeland. Steden, dorpen, groen en water wisselen elkaar op korte afstand af. Nabijheid kenmerkt ons land, veel meer dan dichtheid en massa.

In bijvoorbeeld Frankrijk en Duitsland is het contrast tussen stad en platteland veel scherper dan hier. Hoewel ook in ons land de verschillen tussen stad en periferie de neiging hebben toe te nemen, is dit kinderspel in vergelijking met deze twee landen. Duitsers en Fransen willen graag in de stad zelf wonen. Nederlanders willen in, maar ook in de buurt van de stad wonen. Dit geldt ook voor veel kenniswerkers. De Nederlandse `trek naar de stad’ is gematigd. De relatief kleine omvang van onze steden maakt reistijden naar werkclusters en topvoorzieningen aanvaardbaar.

Het houdt ook verband met onze robuuste woonvoorkeuren: velen prefereren een grondgebonden huis met tuin boven een appartement. Bewoners in suburbane gebieden van ons land hebben bovendien dagelijkse voorzieningen onder hand- en fietsbereik. Het verschil in verstedelijkingspatroon zien we terug in de woningprijzen. In ons land dalen de prijzen van woningen op grotere afstand van het stadscentrum minder snel dan in andere landen.

Welvaartsplan

Noord-Brabant voldoet bij uitstek aan het geschetste beeld van kleine, nauw met elkaar verbonden stedelijke agglomeraties. Zuidoost-Brabant (met Eindhoven als centrum) heeft een uitgesproken economisch profiel: hoogwaardige technologische industrie met een sterk innovatief karakter. Deze stadsregio `schakelt’ met de regio’s Tilburg en Den Bosch. Breda vormt de schakel tussen Rijnmond en de Vlaamse Ruit (de Antwerpse haven).

Kort na de Tweede Wereldoorlog groeide Brabant uit tot het industriële hart van ons land. De inzet van Jan de Quay, de toenmalige commissaris van de Koningin, voor het `Welvaartsplan’ droeg daar wezenlijk aan bij. Het aandeel veelal lokaal verankerde familieondernemingen in de Brabantse economie was en is groot. Een voorbeeld van het Brabantse aanpassings- en samenwerkingsvermogen is de wijze waarop overheid, bedrijfsleven en kennisinstituten in 1997 het vertrek van het hoofdkantoor van Philips hebben weten te benutten voor de start van de High Tech Campus.

De ruimtelijke organisatie en decentrale bedrijfsstructuur passen bij elkaar. Het verdient dan ook aanbeveling om voor de verstedelijkingsstrategie van Brabant een ander uitgangspunt te kiezen dan het wezensvreemde ‘meer massa en dichtheid’. Ik haak liever aan bij een ander aspect van agglomeratiekracht: ‘quality of life’. Aantrekkelijke woonmilieus voor uiteenlopende doelgroepen (ook voor buitenlands toptalent) maken hiervan deel uit. In Eindhoven zien we bij voorbeeld nieuwe binnenstedelijke buurten verrijzen (zoals Strijp S en Strijp R), terwijl in de omringende plaatsen suburbane woonmilieus populair blijven.

Verdichting

Aansluiten op de huidige kwaliteiten van Brabant, op het mozaïek van steden en dorpen, lijkt de aangewezen weg, met versterking van economische en kennisbrandpunten. Versterking ook van tussenliggende groene structuren en in- en externe verbindingen. Verdichting heeft alleen zin op zorgvuldig selecteerde locaties in de steden. De gemeente Tilburg bijvoorbeeld zet in op verdichting van de binnenstad. Het is veelzeggend dat de inwoners hun stad karakteriseren als een ‘dorpse stad’ met aan elkaar verbonden buurten.

De recente CPB-notitie Wordt de wereld plat of is er toekomst voor de stad? maant tot terughoudendheid bij het determineren van verstedelijkingspatronen op de lange termijn. Het toenemende belang van menselijk kapitaal in onze economie lijkt wel een robuuste kracht achter verstedelijking.

Tenminste, zolang de voortgang van communicatietechnologie het niet overbodig maakt om elkaar persoonlijk te ontmoeten. De invloed van de overheid op dit soort ontwikkelingen is beperkt. Overal waar de auto zijn intrede deed, nam suburbanisatie een vlucht en gingen binnensteden achteruit. Ook de huidige opleving van de stad is een internationaal fenomeen.

Aan de weerslag van deze transformaties op de ruimtelijke organisatie van onze economie valt evenmin te ontkomen. Juist voor ruimtelijk beleid is die onvoorspelbaarheid een uitdaging, omdat investeringen in de fysieke omgeving lang meegaan en dus ook een lange terugverdientijd hebben.

Nauwgezet de dynamiek in de ruimtelijke economie volgen en waar nodig en mogelijk versterken en bijsturen, lijkt dan ook het juiste recept voor het overheidsbeleid. Dit vraagt wel om een groot aanpassingsvermogen en om flexibiliteit. Dingen die je wel aan Brabanders over kunt laten.

Auteursrecht voorbehouden aan Het Financieele Dagblad

Auteur

friso
Friso de Zeeuw

Emeritus Praktijkhoogleraar Gebiedsontwikkeling TU Delft

Bekijk alle artikelen