platform voor kennis, nieuws en opinie
Zoeken
platform voor kennis, nieuws en opinie

“Woonkwaliteit moet weer op de politieke agenda komen”

“Woonkwaliteit moet weer op de politieke agenda komen”

woningbouw | adobe stock

26 nov 2019 - “Hoe kan het dat Nederland met zo’n rijke woningbouwtraditie geen oplossing heeft voor het woningtekort?”, vraagt Marja Elsinga, TU Delft-hoogleraar Housing Institutions & Governance, zich af. Om antwoorden op deze vraag te formuleren is het initiatief ‘Creating one million homes’ gestart op de faculteit Bouwkunde. Het initiatief is een reactie op de oproep van het kabinet om voor 2030 een miljoen woningen bij te bouwen in Nederland: “Als faculteit willen we bijdragen aan een antwoord op dit maatschappelijke vraagstuk.” Ze werkt samen met Mo Sedighi, die zich samen met twee andere onderzoekers vooral bezighoudt met het onderwijs: “Mijn grootste prioriteit is studenten af te leveren die de woningbouwopgave van de toekomst begrijpen.”

Wat is er aan de hand met de woningbouwopgave in Nederland? Wat maakt dat de woningmarkt nu zo’n actueel en prangend onderwerp is? De woningmarkt is altijd een lastige opgave geweest, maar nu lijkt er iets anders aan de hand te zijn. Marja Elsinga beaamt dit. “Mensen konden zo’n twintig tot dertig jaar geleden nog voor drie à vier keer een jaarinkomen een woning kopen, nu kost een woning acht tot negen jaarinkomens. Vanuit een diepgewortelde Nederlandse traditie werden woningen betaalbaar gehouden met subsidies, maar deze traditie is de afgelopen jaren losgelaten.” 

Mo Sedighi vult aan: “Daarnaast wordt woningbouw steeds vaker beschouwd als beleggingsobject. Dit betekent dat er veel meer kapitaal beschikbaar is, maar de woningmarkt is niet elastisch genoeg om hier snel op te reageren, met als gevolg dat de prijzen hard stijgen. De enige manier om dit te veranderen, is het systeem aan te pakken, maar dit is makkelijker gezegd dan gedaan. Vooralsnog hebben te veel partijen baat bij de hoge prijzen: beleggers, makelaars en gemeenten, maar ook huiseigenaren. Vooral mensen die geen huis kunnen kopen en moeten huren hebben pech, zoals starters, ouderen en gescheiden mensen.” 

Niet gemakkelijk

Om bij te kunnen dragen aan het vraagstuk is het nodig om een stap terug te doen. Het onderzoek bij de faculteit Bouwkunde benadert de opgave met inbreng van alle afdelingen van de faculteit. Elsinga licht toe: “We zijn er niet om de belangen van de bouwsector te dienen door te onderzoeken hoe zo snel mogelijk zoveel mogelijk woningen kunnen worden gebouwd. We willen kennis verwerven door binnen de faculteit samenwerkingen en cross-overs op te zetten, maar ook door op te trekken met betrokkenen uit de maatschappij en het debat aan te gaan. Zo werken we samen met het College van Rijksadviseurs in het programma Panorama Lokaal en bouwen we aan samenwerkingen met de bouwsector.”

Die samenwerkingen brengen hun eigen uitdagingen met zich mee. Sedighi: “Het is goed dat alle betrokkenen met hun eigen bril naar het vraagstuk kijken. Tegelijkertijd is het belangrijk dat ze over de grenzen van hun eigen vakgebied heen kijken om tot een oplossing te komen. Maar dit is niet gemakkelijk, want iedereen heeft onzekerheden aan de randen van zijn eigen kennis. Binnen het onderzoeksprogramma tuigen we daarom een netwerk op, waarbij we alle betrokken partijen aan elkaar linken, van ontwikkelaars en architecten tot beleidsmakers en wetenschappers. Op deze manier wordt inzichtelijk bij wie je terecht kunt met een bepaalde vraag.”

Verrassende oplossingen

Voor het vraagstuk wordt ook ruimte gemaakt binnen het onderwijs. “We zijn bezig met het opzetten van multidisciplinaire studio’s”, vertelt Sedighi. “Wij willen studenten meegeven dat ze alleen door verbindingen aan te gaan met andere expertises tot goede oplossingen komen. Zo deel ik in studio’s het perspectief van de architect, terwijl Marja in architectuurstudio’s studenten voedt met kennis over marktonderzoek, haalbaarheid en beleid.” Elsinga: “Vroeger hoorden volkshuisvesting en stedenbouw als een afstudeerrichting bij elkaar. Dat is heel logisch, want je kunt ruimtelijk ontwerp niet los zien van woonkwaliteit.”

Omdat niet alleen het woningtekort om een oplossing vraagt, worden er ook koppelingen gemaakt met andere urgente vraagstukken. Binnen het onderzoeksprogramma worden drie thema’s expliciet benoemd: energietransitie, circulaire economie en ‘aging in place’, oftewel ouderen langer zelfstandig laten wonen. Elsinga: “Dat verzorgingstehuizen dichtgaan heeft bijvoorbeeld enorme consequenties voor de opzet van wijken. Zo zijn we betrokken bij Panorama Lokaal, een ontwerpprijsvraag om woonwijken aan de stadsranden een positieve impuls te geven. De geselecteerde plannen worden momenteel uitgewerkt. De resultaten hiervan mogen wij vervolgens analyseren om te kijken hoe ouderen nu wonen en wat ze nodig hebben.” Sedighi: “Door al deze opgaven te betrekken, wordt het oplossen van het woontekort complexer. Tegelijkertijd zorgt het voor nieuwe invalshoeken waardoor verrassende oplossingen kunnen ontstaan.”

Ultieme doel

Wanneer is het programma geslaagd? Sedighi: “Mijn grootste prioriteit is studenten af te leveren die de woningbouwopgave van de toekomst begrijpen. Hiervoor zijn nieuwe perspectieven essentieel. Daarom hoop ik dat voor onze studio’s ook veel buitenlandse studenten zich inschrijven. Zij brengen waardevolle kennis en de kostbare blik van een buitenstaander in.”

Elsinga vindt het vooral van belang dat woonkwaliteit weer op de politieke agenda komt. “Het is toch raar dat Nederland met zo’n rijke woningbouwtraditie geen oplossing heeft voor dit enorme maatschappelijke vraagstuk. Mijn ultieme doel is daarom dat de woonkwaliteit weer op de politieke agenda komt. En ik wil dat iedereen die binnen Bouwkunde en de TU Delft iets met woningbouw doet, in aanraking is geweest met 1M Homes.”

Cover: Adobe Stock

Dit artikel verscheen eerder op tudelft.nl

Meer over het onderzoek ‘1M Homes’ is hier te lezen