platform voor kennis, nieuws en opinie
Zoeken
platform voor kennis, nieuws en opinie

‘Organische gebiedsontwikkeling de enige weg’

‘Organische gebiedsontwikkeling de enige weg’

Interview met Chris Kuijpers, DG Ruimte en Water Ministerie IenM

13 nov 2012 - Oud-programmadirecteur van de Deltaraad Joost Schrijnen toonde zich onlangs positief over de investeringskansen voor gebiedsontwikkeling in de zuidwestelijke delta. Een breed in de regio gedragen toekomstvisie is daarbij cruciaal. Het Rijk besloot onlangs tot het opstellen van een structuurvisie voor het gebied Grevelingen-Volkerak. DG Ruimte en Water van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu reageert. ‘Regionale gebiedsaanpak heeft de toekomst, we moeten niet meer alles op projectniveau willen fijnslijpen.’

‘Organische gebiedsontwikkeling de enige weg’ - Afbeelding 1

Hoe ziet u de rol van Rijksstructuurvisies zoals nu voor Grevelingen-Volkerak?

Chris Kuijpers: ‘In de SVIR (Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte) hebben we gezegd: vanuit het Rijk bemoeien we ons alleen met ruimtelijke opgaven die van nationale betekenis zijn. Een van die nationale belangen is waterveiligheid. Via het Deltaprogramma doen wij dan ook richtinggevende uitspraken voor het komende decennia. In de Zuidwestelijke delta was sprake van een enigzins onduidelijke situatie over wie het voortouw zou moeten nemen. Zo zijn er drie provincies betrokken. Er is een proces opgestart waarin voor de Grevelingen en het Volkerak naar de toekomstige functies wordt gekeken. Blijft het Volkerak-Zoommeer zoet? Moet het getij terug in het Grevelingenmeer? En zo ja, wat betekent dat voor de omgeving? Maar wie hier de regie heeft om de besluitvorming voor te bereiden was niet helder. Rijkswaterstaat is hier een belangrijke partij. Het Rijk is beheerder van de wateren. We hebben daarom gezegd dat wij als Rijk de regie nemen op de planontwikkeling, de knopen doorhakken dus, en de regie over een deel van de besluitvorming op ons nemen. Hetzelfde doen we voor Schiphol en voor de schaalsprong van Almere. Dat betekent dat we de stuurgroep voorzitten en uiteraard in gesprek gaan met de regionale partijen. De besluiten die genomen worden legt het Rijk uiteindelijk neer in de structuurvisie.’

Het nationale belang dat hier speelt is waterveiligheid. Wat is uw visie op gebiedsontwikkeling langs kust en rivieren, welke rol speelt ruimtelijke kwaliteit daarbij?

CK: ‘Ik vind Ruimte voor de Rivier (RvR) een goed voorbeeld van de rol van het Rijk, net als het programma Zwakke schakels. Het startpunt is de waterveiligheid, vanuit die problematiek wordt in een actief proces naar de mogelijkheden voor het gehele gebied gekeken. Welke maatregelen zijn er nodig, hoe kunnen die worden ingepast? Ruimtelijke kwaliteit heeft daarin nadrukkelijk een plek gekregen, onder meer met de instelling van een Q-team bij de RvR. De kern is dat we met RvR integraal hebben gekeken naar het rivierengebied. Voor de kust geldt dat we per gebied kijken naar de mogelijkheden en ook op dat niveau botje bij botje moeten leggen. Ook andere partijen moeten bijdragen. Een mooi voorbeeld vind ik Scheveningen-Haven, waar het gebied op een hoger veiligheidsniveau is gebracht én ruimtelijke kwaliteit is toegevoegd, bijvoorbeeld met de vernieuwing van de boulevard.

Wat is op dat gebiedsniveau dan de rol van het Rijk?

‘Het Rijk moet het toestaan, en zorgen dat het georganiseerd wordt. We zouden ook kunnen zeggen, allemaal leuk en aardig, maar wij hebben maar één belang en dat is waterveiligheid. Maar ook wij kijken wel degelijk met die integrale blik. Als gebiedsregisseur moet je toelaten dat andere partijen ook wat willen, en dat proces moet je vervolgens organiseren.’

Joost Schrijnen noemt in het interview met Gebiedsontwikkeling.nu als positief voorbeeld van een mogelijke rol van het Rijk het Omwisselbesluit van RvR.

‘Daarbij hebben we gezegd: als er een alternatief plan is dat meer draagvlak heeft dan ons eigen plan, dan gaan we omwisselen. Voor de IJsseldelta is er zo inderdaad een ander besluit genomen voor een meer integraal plan dat rekening houdt met onder meer natuurontwikkeling en woningbouw mogelijk maakt.’

Bent u een voorstander van meer programmafinanciering, zoals nu al gebeurt in het Deltaprogramma langs de Waal? Co Verdaas was in een interview met ons heel lovend over deze nieuwe aanpak waarbij de budgetten van het Rijk niet project- maar doelgebonden zijn

. ‘Ik ben daar absoluut een voorstander van en vind dat programmafinanciering ook op hogere schaalniveaus moet worden toegepast. Bijvoorbeeld voor de Maas en IJssel, daarbij wordt bij het formuleren van een aanpak voor de riviertakken het totale systeem in ogenschouw genomen. Over het gehele gebied kunnen dan besluiten worden genomen op regionale schaal. Regionale gebiedsaanpak heeft de toekomst. We moeten niet meer alles op projectniveau willen fijnslijpen.’

Maar de regelgeving vormt vaak nog een sta-in-de-weg.

‘Beleidsmatig is het een goed idee, maar veel regelgeving is nog afgestemd op planvorming op projectniveau. Daarom gaan we de regelgeving aanpassen. Ook de institutionele context vormt nog vaak een belemmering. Anderzijds zit het ook in ons bloed door onze ligging en het gebruik van de ruimte in Nederland dat we goed in staat zijn om integraal te denken. Buitenlanders zijn daar vaak jaloers op. Die komen hier kijken hoe wij het doen. En dan komen ze niet alleen voor de deltawerken maar óók om te leren van onze planningsprocessen. De dutch approach, die ook spreekt uit ons deltaprogramma, dat door alle lagen heen gaat en waarbij niet alleen overheden maar ook marktpartijen zijn betrokken. Dat is in andere landen echt ondenkbaar, terwijl het bij ons met de paplepel is ingegoten.’

Maar het is toch nog niet zo heel lang geleden dat ook bij ons de wereld van het waterbeheer en de wereld van de ruimtelijke ordening met de rug naar elkaar toe stonden, of in ieder geval op z’n minst moeite hadden elkaars taal te verstaan?

‘Ook bij ons is een integrale aanpak nog lang niet altijd vanzelfsprekend, maar ik zie zeker genoeg ruimte voor verbetering. Het momentum is goed, er is veel betrokkenheid. We zijn nu bijvoorbeeld een breed project gestart om te leren van de ervaringen van de aanleg van de Maasvlakte II. Zo’n proces dient allerlei doelen. Daarmee organiseer je draagvlak. Er zit voor iedereen wat in. Dat is de kern van een integrale aanpak, je moet het voor alle belanghebbenden zo organiseren dat er draagvlak ontstaat. In het verleden was de sfeer nogal eens negatief of was de insteek te simpel, te eenzijdig doelgericht. Maar gemakkelijk is het allemaal niet, je moet bijvoorbeeld ook bestuurders hebben die willen delen. Er moet een gevoel zijn dat je er samen voor staat. Dat heb je of dat heb je niet.’

Niet alleen de regelgeving, maar ook de financiering is vaak nog sectoraal geregeld, ook voor wat betreft het Deltafonds.

‘De gelden voor het Deltafonds mogen alleen worden ingezet voor waterveiligheid. Dat leidt vervolgens tot allerlei discussie, bijvoorbeeld over breedingepaste dijken. In hoeverre mogen we er de brede inpassing ook van betalen? In juridische zin zitten daar nog vraagstukken. ’

Wat zijn voor u de belangrijkste punten uit het Regeerakkoord als het gaat om ruimtelijk ontwikkeling?

‘Het Regeerakkoord is een herbevestiging van de SVIR, onder meer met de keuze voor de drie economische groeigebieden (Eindhoven, Noord- en Zuidvleugel). Er is een ruimtelijk kader neergezet waar we mee verder kunnen. Onderdeel daarvan is dat we als Rijk selectief zijn bij ruimtelijke plannen en dat er meer ruimte is voor de regio en de gemeente. We gaan door met de Omgevingswet, waarin we meer programmatisch gaan werken en meer afwegingsruimte geven. Wat investeringsmiddelen betreft is waterveiligheid en zoetwater redelijk goed overeind gebleven.’

De trend is en blijft: decentralisering. Hoe denkt u over organische of bottom-up gebiedsontwikkeling

? ‘Ruimtelijke ontwikkeling is in een ander tijdperk terecht gekomen. Het verhaal van Joost Schrijnen waarin het Rijk of een andere overheid een visie ontwikkeld die vervolgens wordt uitgevoerd, is nog van de oude tijd. De verdeling van de groei via ruimtelijke ordening zoals dat vanaf de naoorlogse periode usance was is nog beperkt aan de orde. Hoogstens voor bepaalde gebieden is er nog groei te verwachten. We zullen nu voor meer vraaggestuurd en bottom up, stapje voor stapje aan het werk moeten. Organische gebiedsontwikkeling is waar het naar toe gaat de komende tijd. Dat de overheid bepaalt waar wat moet komen, dat is echt verleden tijd. Je mag nu blij zijn als er initiatieven zijn in een gebied. Als overheid moet je dat faciliteren. Dat vraagt om een andere houding en om een ander instrumentarium. We hebben bijvoorbeeld veel meer globalere bestemmingsplannen nodig. Je hebt geen keus. Wij als Rijk zijn er om het verhaal te vertellen, niet om het beleid te maken. Maar wij hebben ook een rol ten aanzien van de regelgeving. Het moet gemakkelijker worden om af te wijken van een bestemmingsplan en de termijnen voor herziening kunnen worden aangepast. Daarin ligt onze voornaamste rol als Rijk. Ook in kennisoverdracht zie ik een belangrijke rol voor het Rijk. Het is echt een andere wereld aan het worden. En ruimtelijke-ordenaars willen toch altijd ordenen. Ze moeten leren om los te laten en het maar te laten gebeuren. Maar dat zijn we niet gewend. Natuurlijk zijn er ook beperkingen aan de organische ontwikkeling. Een dijk versterken bijvoorbeeld kun je niet een beetje doen. Het organisch ontwikkelen van een waterkering is redelijk ingewikkeld, daar is een andere benadering op zijn plaats. Maar als het gaat om stedelijke ontwikkeling is organische gebiedsontwikkeling de enige weg.’

Auteur

Portret - Anne Luijten
Anne Luijten

Voormalig hoofdredacteur van Gebiedsontwikkeling.nu

Bekijk alle artikelen