Analyse “Het debat over fabrieksmatig bouwen dreigt een fabrieksmatig karakter te krijgen.” Zo openen Ben van der Meer en Michiel van Driessche, de stadsbouwmeesters van de gemeente Groningen, hun deze week verschenen essay over de ruimtelijke kwaliteit van conceptuele woningbouw. Hun pleidooi: begin niet bij het bouwsysteem maar bij de stad. Stedenbouw en ruimtelijke ordening moeten leidend zijn, in plaats van snelheid en kostenreductie.
Van der Meer en Van Driessche lanceerden hun essay op de PROVADA, de jaarlijkse vastgoedbeurs waar tal van disciplines elkaar ontmoeten, in een poging om een nieuwe impuls te geven aan het debat over conceptueel bouwen. Wat hen betreft is dat discours te veel vernauwd tot een gesprek over aantallen en processen en gaat het te weinig over de plek waar de fabriekswoningen precies landen, in steden en dorpen. Het is een geluid dat eerder te beluisteren viel in de Werkplaats ‘Industriële en Conceptmatige Woningbouw’ van de Federatie Ruimtelijke Kwaliteit, die dit voorjaar (wellicht niet toevallig, achteraf gezien) in Groningen plaatsvond. Inzet van deze werkplaats is om gemeenten te helpen bij de ambitie om met deze manier van bouwen aantrekkelijke en toekomstige leefomgevingen te creëren.
De Groningse bouwmeesters verbinden hun visie in termen van urgentie met het verschijnen van het lokale Volkshuisvestingsplan, dat eind 2025 werd vastgesteld en de koers uitzet voor de Groningse bouwproductie in de komende jaren. Onderdeel daarvan is de bouw van 14.000 nieuwe woningen. Het Volkshuisvestingsplan stelt dat versnelling in de bouw hiervan noodzakelijk is en introduceert het volgende principe voor de gemeentelijke werkwijze: “Bij alle gemeentelijke aanbestedingen vanaf 50 woningen wordt daarom het uitgangspunt: conceptueel en/of fabrieksmatig bouwen, tenzij…” Van der Meer en Van Driessche onderschrijven dat standpunt, maar zien in de praktijk dat er tussen droom en daad nog wel de nodige hindernissen bestaan: “We begrijpen dat geprefabriceerde woningen (in delen of als geheel) versneller kunnen zijn, maar zien in de praktijk ook dat pogingen om te versnellen vastlopen op een fundamentele volgordekwestie, vaak als gevolg van ‘onbezonnen’ planvorming.”
Volgorde omdraaien
Deze conclusie wordt door Van der Meer en Van Driessche in drie observaties nader uitgewerkt. De eerste daarvan luidt: “In plaats van bij de plek, beginnen we bij het systeem.” Kijkend naar onder meer de realisatie van tijdelijke woningbouwprojecten in de stad, valt op dat de stedenbouwkundige context niet leidend is en daardoor als knelpunt wordt ervaren door de betrokken partijen. De volgorde in het planproces moet daarom worden omgedraaid, aldus de stadsbouwmeesters: begin bij het woonmilieu waar de fabriekswoningen worden gerealiseerd. Dat kan de bestaande stad zijn, maar ook de nieuwe stad – in dichtheden die variëren van ‘stedelijk’ tot ‘groenstedelijk.’ Oftewel: van De Suikerzijde tot en met Meerstad.

‘contextueel bouwen Groningen’ (bron: Ben van der Meer en Michiel van Driessche)
De tweede en derde observatie hangen hiermee samen: “Stedenbouw (of juist conceptueel bouwen) komt te laat in beeld” en “Samenwerking is te gefragmenteerd.” Geconstateerd wordt dat “er in de afgelopen jaren nog weinig wisselwerking was tussen stedenbouw en fabrieksmatig bouwen, noch bij externe partners, noch intern bij de gemeente Groningen.” Beleidsmakers, stedenbouwers en de aanbieders van fabriekswoningen zijn onvoldoende met elkaar in gesprek (de bouwers zouden zelfs aannemen dat er helemaal geen ontwerpers meer nodig zijn) en dat leidt tot een ongewenst patroon: “De fabriekswoningen zijn niet gemaakt voor de gestelde opgave, voor de omgeving en de daarvoor opgestelde stedenbouwkundige kaders waarbinnen ze geplaatst worden.” (..) “Het grote risico van het huidige patroon is dat er karakterloze woningen ontstaan, die niet gemaakt zijn voor en dus niet passen in de stedenbouwkundige context waarbinnen ze een plek krijgen – waarbij de woonkwaliteit niet het woongeluk vergroot, maar eerder verkleint.”
Zes principes
Op basis van deze observaties formuleren Van der Meer en Van Driessche zes principes voor de ontwikkel- en bouwpraktijk, binnen Groningen en daarbuiten:
1 Begin bij de stad, niet bij het systeem
De parameters van stedenbouwkundige plannen moeten de basis vormen voor de inpassing van fabriekswoningen en wisselwerking daarmee worden opgesteld.
2 Ontwerp stedenbouw en fabriek tegelijk
De betrokken partijen gaan vanaf dag één in het proces samen aan tafel: “Ambities formuleren, de opgave benoemen en verkennen en de opdracht samen vormgeven.”
3 Werk altijd in integrale teams
Dit betekent ook dat er bij bijvoorbeeld tenders anders gewerkt moet worden: “Bouwers, architecten en ingenieurs schrijven samen in op een project, niet de bouwer die achteraf een architect toevoegt. Het integrale team bewaakt de gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde op elk schaalniveau: van de stedenbouwkundige structuur tot de plattegrond en de ontsluiting van het gebouw.”
4 Behoud hybride bouw als kwaliteitstool
Hiermee wordt bedoeld dat binnen fabrieksmatige bouw ook ruimte moet zijn voor traditionele bouw, bijvoorbeeld bij de toepassing van architectonische details: “Een ingebouwd bankje, een diepe vensterbank, een verdiepte entree – kleine ingrepen met groot effect, binnen de basis van een bouwsysteem uit de fabriek.”
5 Veranker ontwerpkwaliteit in de opdracht
De genoemde samenwerking tussen betrokken partijen vergt een vertaling in een passend honorarium dat aan de ontwerpers wordt betaald: “Het honorarium voor architecten is voor zover wij kunnen aangeven uit eigen ervaring laag voor het werk dat contextueel industrieel ontwerpen vraagt. Ontwerpkosten zijn geen sluitpost, maar een investering in zowel de kwaliteit als de doorontwikkeling van de systemen.”
6 Geef de volkshuisvesting en de corporaties haar sturende rol terug
De woningcorporaties verdienen een grotere rol, door hun langjarige betrokkenheid bij buurten, dorpen en steden, in de bouwproductie: “Maak de corporaties daarom tot structurele partner in de bouwstroom, met meerjarige programma’s, gedeeld opdrachtgeverschap en een vaste plek aan de ontwerptafel vanaf het eerste stedenbouwkundige schetsontwerp.”
De Groningse bouwmeesters sluiten hun essay af met de constatering dat wat hen betreft de in de bouwsector veelgebruikte vergelijking met de auto-industrie niet opgaat. Waar de auto een “gesloten systeem” vormt, is de woning dat juist niet: “Ze staat (heel lang) in een straat, in een wijk, in een stad. Deze heeft een gevel die een gezicht geeft aan de openbare ruimte. Een auto hoeft niet te passen bij zijn omgeving. Een woning wel. Een auto vormt een voorbijganger, een woning of bouwwerk is permanent (of in elk geval een stuk permanenter).” Woningen staan bovendien in een context en dat vergt permanente aandacht, zeker ook van ontwerpers, aldus Van der Meer en Van Driessche: “Die context vraagt telkens opnieuw om iemand die kijkt, weegt en beslist.”
Het essay ‘Woningen uit de fabriek? Of niet? Een pleidooi voor ruimtelijke kwaliteit en Gronings woongeluk’, geschreven door Ben van der Meer en Michiel van Driessche, is hier als pdf te vinden.
Cover: ‘Kranen’ door Sander van der Werf (bron: Shutterstock)







