Verslag Veertig procent van de Rotterdamse makers dreigt de stad te verlaten vanwege ruimtegebrek. Die zorgwekkende constatering was de aanleiding voor een debat tussen Rotterdamse politieke partijen over de nut en noodzaak van creatieve ruimte in de stad. Iedereen erkent het belang van deze ruimte én dat het in de toekomst anders moet. Maar lastiger te beantwoorden was de vraag hoe dat moet, wat de rol van de gemeente moet zijn en wat die verandering mag kosten.
Gebrek aan creatieve ruimte is een symptoom van de grote uitdagingen van gebiedsontwikkeling: hoe we schaarse ruimte inrichten en in hoeverre overheden zich met dat gebruik bemoeien. Nu het wonen zo’n dominante plaats inneemt in de discussie, is het belangrijk andere functies niet uit het oog te verliezen – zo horen we steeds vaker. Een huisartsenpraktijk, een sportveldje, een ruimte voor ontmoeting: ze maken de wijk levendiger, kleurrijker en socialer. Culturele ruimte hoort daar niet vanzelfsprekend bij. Want ook al deed de gemeente Rotterdam de afgelopen jaren haar best, er verdween meer ruimte dan er bijkwam.
Het was deze ongemakkelijke boodschap waarmee eind vorige maand een debat begon over nut en noodzaak van creatieve ruimte in Rotterdam. Het Groot Rotterdams Atelier Onderzoek 2024–2025 (GRAO) laat zien dat ruim de helft van de ondervraagde creatieve makers de afgelopen vijf jaar minimaal eenmaal moest verhuizen, doorgaans door verkoop, sloop of herontwikkeling. Alleen al de afgelopen drie jaar zijn er twaalf ateliercomplexen verdwenen en staan er drie op het punt te verdwijnen; goed voor de werkruimte van naar schatting zeshonderd mensen.
Het roer moet om, was de consensus in het eerste debatblok van de avond. Wat de SP betreft is creatieve ruimte een basisvoorziening, bracht lijsttrekker Theo Coşkun in: “Als bed, bad en brood geregeld zijn, is het de beurt aan cultuur, religie en sport.” Maar dat de overheid hiervoor in moet staan is niet vanzelfsprekend. Helemaal na de bezuinigingen op cultuur door kabinet Rutte I zijn de “loopplanken” verdwenen, zei Tommy Ventevogel van de Partij voor de Dieren. Hij pleitte voor een terugkeer naar een andere manier van waarderen, die voorbijgaat aan alleen direct economisch nut. Alyssa Graafmans van Volt stemde hiermee in en pleitte voor een minimumpercentage voor ruimtes voor kunst en cultuur in nieuwe wijken.
Minimumpercentages
Dat minimumpercentage – ook een van de aanbevelingen in het GRAO – is er nu niet. Referentiewaarden voor maatschappelijke voorzieningen vereisen wel dat 3.200 vierkante meter van het bruto vloeroppervlak per 10.000 inwoners voor cultuur wordt ingericht, maar de ruimte voor makers wordt daarin niet gespecificeerd. Of een minimumpercentage daarvoor dé oplossing is, is de vraag, zei Siobhan Burger van ontwikkelaar VORM. Haar ervaring is dat er maatwerk nodig is: kijk per buurt of wijk wat er nodig is en wat er past.
Meer sturing vanuit de gemeente is wel noodzakelijk, stelde Burger vervolgens. Na het eerste debatblok hield zij een pleidooi voor de waardering van kunst en cultuur. Sinds het herstel van de vastgoedmarkt zijn makers een makkelijk slachtoffer. “De druk op ruimte in de stad neemt toe, terwijl juist de plekken waar verbeelding, vakmanschap en experiment kunnen groeien het eerst verdwijnen.” Daarmee verdwijnt ook cruciaal kapitaal voor domeinen als zorg, onderwijs en innovatie, want makers “leren jongeren zelfexpressie, weerbaarheid en burgerschap. Ze creëren ontmoetingsplekken voor ouders, bewoners en ouderen zodat ook deze zich blijven ontwikkelen. Ze weten communities en ecosystemen op te bouwen met minimale middelen en onder omstandigheden van de grootste weerstand,” aldus Burger.
De gemeente moet niet alleen faciliteren, maar ook sturen op behoud en compensatie voor wat er verdwijnt
Ook VVD-raadslid Diederik van Dommelen twijfelde aan verplichte minimumpercentages. Het klinkt sympathiek, maar welk percentage wil je dan als gemeente? En hoeveel publiek geld heb je daarvoor over? Van Dommelen spreekt uit ervaring. Als raadslid heeft hij dit dossier lang onder zijn hoede gehad en daarbij de koers van zijn eigen partij de laatste jaren gecorrigeerd – iets waar Ryan Vos van GroenLinks-PvdA hem tijdens het debat voor complimenteerde. Maar waar Van Dommelen de rol van de gemeente vooral zocht in het verder faciliteren van het ondernemerschap van de makers zelf, bijvoorbeeld door eigenaarschap te stimuleren, benadrukte Vos dat de stad juist wél een actievere regierol moet pakken. De gemeente moet niet alleen faciliteren, maar ook sturen op behoud en compensatie voor wat er verdwijnt.
Cultuur in de Excelsheet
Om in te kunnen grijpen, is het belangrijk te snappen wat er verdwijnt. De behoefte aan andere manieren van waarderen kwam daarom regelmatig aan bod. Economische waardering is één manier. Het GROA verwijst naar onderzoek van Rebel Group, die heeft berekend dat elke euro in creatief vastgoed gemiddeld 24 euro aan bestedingen en waardestijging oplevert en 11 euro gemeentelijke winst via werkgelegenheid.
Waar Burger de logica van de spreadsheet en de kennis en intrinsieke motivatie van mensen in de buurt nog tegenover elkaar zette, betoogde Bart Kesselaar van woningcorporatie Havensteder dat die twee elkaar niet hoeven uit te sluiten. “Niet alles wat telt is telbaar,” zei hij. Maar je kunt de Excelsheet wel gebruiken om waarde zichtbaar te maken. Dat kan door de baten telbaar te maken, zoals bij het onderzoek van Rebel, maar ook door met elkaar af te spreken dat je erop vertrouwt dat de ruimte voor cultuur op de lange termijn maatschappelijk nut oplevert. Kesselaar riep de gemeente niet alleen op te investeren in culturele ruimte op buurt- en wijkniveau, maar ook te borgen dat “dit vastgoed langjarig betaalbaar en beschikbaar blijft voor deze initiatieven.”
Urgentie van permanente ruimtes
Die langjarige betaalbaarheid en beschikbaarheid is nog steeds onderwerp van gesprek. Nelleke Weltevrede (CDA) vertegenwoordigde de positieve kant van tijdelijkheid: tijdelijke aanwezigheid van makers maakt buurten aantrekkelijk voor nieuwe investeringen. Pelle Meurink van D66 bracht daar tegenin dat het niet de bedoeling kan zijn dat de gemeente tegen makers zegt: “jullie mogen de wijk leuk maken” en deze vervolgens wegsturen. Hij pleitte voor meer regie bij de gemeente, maar dan wel domeinoverstijgend: cultuur hoeft het niet alleen te doen.
Een creatieve en sociale infrastructuur die je eenmaal kwijt bent, krijg je niet zomaar terug
Dat vraagt een andere rol van de gemeente dan ze nu vervullen. De nota Broedplaatsenbeleid 2023-2030 ambieert vooral groei in ruimte: van 67.500 vierkante meter bruto vloeroppervlak naar 100.000 m2 in 2030. Dat doet de gemeente vooral door financiering van de Stichting Kunstaccommodatie Rotterdam (SKAR). Maar omdat veel tijdelijke ruimte de komende jaren verdwijnt, is groei alleen mogelijk als de gemeente zich ook inzet voor behoud van de bestaande voorraad – in samenwerking met makers, ontwikkelaars en maatschappelijke partners.
De gemeente is daarmee niet als enige partij aan zet. Aankoop van panden door makers zelf, zoals Van Dommelen noemde, is een van de mogelijkheden. Maar ook dan zijn regie en kennis nodig, bijvoorbeeld over vormen van collectief eigenaarschap en van coöperatieve financiering die makers langdurig zekerheid geven. In de discussie werd duidelijk dat visie, beleid en praktijk nog ver van elkaar afstaan. Instrumenten als erfpacht of coöperatief eigenaarschap hebben een andere snelheid dan de markt. Dat vraagt om regie die domeinoverstijgend is en schotten doorbreekt. Dat de gemeente aan de slag moet op het vraagstuk was wel duidelijk, maar wanneer ze moet faciliteren, financieren, of sturen blijft een kwestie van politieke wil. Niet alleen bij Cultuur, maar ook die bij Economie, Vastgoed, Zorg en Onderwijs.
Gezamenlijke taal
De verschillende manieren van waarderen en de verschillende waardering van tijdelijkheid wijzen op een gebrek aan kennis. Die kloof dichten begint bij een eerlijke inventarisatie: hoeveel creatieve werkruimte is er precies, hoeveel verdwijnt er en hoeveel wil Rotterdam investeren zonder er direct een tegenprestatie aan te verbinden? Dat laatste vraagt om een gezamenlijke taal – niet alleen tussen makers en ontwikkelaars of tussen politieke partijen onderling, maar ook tussen de logica van de spreadsheet en de logica van het atelier. Dat raakt aan een dieperliggende vraag: wat voor stad wil Rotterdam zijn – en voor wie? Een creatieve en sociale infrastructuur die je eenmaal kwijt bent, krijg je niet zomaar terug.
Het debat over creatieve ruimte in de stad vond plaats op 25 februari in De Hillevliet, Rotterdam, en werd georganiseerd door Groot Rotterdams Atelier Weekend (GRAW) in samenwerking met engage Rotterdam. Dit gebeurde als onderdeel van het programma van de Coalitie Creatieve Ruimte Rotterdam (CCRR). Aan het debat deden vertegenwoordigers van negen partijen mee: Jolanda Spoel (BIJ1), Nelleke Weltevrede (CDA), Thom van Dam (ChristenUnie), Pelle Meurink (D66), Ryan Vos (GroenLinks-PvdA), Tommy Ventevogel (Partij voor de Dieren), Theo Coşkun (SP), Diederik van Dommelen (VVD) en Alyssa Graafmans (VOLT). Denk en Leefbaar Rotterdam waren uitgenodigd maar niet aanwezig. Dit artikel is geschreven door in opdracht van het GRAW, initiatiefnemer van CCRR.
Wilt u reageren op dit artikel of een gastbijdrage voor Gebiedsontwikkeling.nu schrijven over een ander onderwerp? Bekijk dan hier de mogelijkheden.
Cover: ‘Debat Coalitie Creatieve Ruimte Rotterdam’ door Klarka Batek (bron: Coalitie Creatieve Ruimte Rotterdam)









