Artikel
straat woonwijk

Ruimtelijke kwaliteit naar de filistijnen

Door Friso de Zeeuw

2 aug 2017 - Het begrip ‘omgevingskwaliteit’ raakt steeds verder ingeburgerd. Dat komt om dat het zo goed past in de vocabulaire van de Omgevingswet. Maar het dreigt al weer te eroderen tot een vaag omhulsel van ieders particuliere opvatting. Vandaar een poging tot ordening en voorbeeld van hoe het gierend uit de hand kan lopen.

Omgevingskwaliteit combineert ruimtelijke kwaliteit en milieukwaliteit. Die uitleg zou ik in ieder geval willen hanteren, omdat de beide ouders van het kind in de vakwereld oude bekenden zijn. We profiteren zo van eerder onderzoek, praktijkvoorbeelden en gevoerde discussies. Ik laat milieukwaliteit nu rusten en richt mij op ruimtelijke kwaliteit.

Een jaar geleden publiceerde de site Mooiwaarts een fraai essay van Jenno Witsen, in de periode 1983-1990 directeur-generaal van de ruimtelijke ordening (ja, ja die functie bestond toen nog). Hij vertelt over de zoektocht binnen het departement naar de definitie van ruimtelijke kwaliteit. Een definitie die recht deed aan het maatschappelijke karakter van de ruimtelijke ordening en aan de betekenis van het ruimtelijke ontwerp. Men kwam uit op de trits gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde. In 1988 kreeg de definitie een officiële status, in de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening.

De analogie met de omschrijving van bouwkundige kwaliteit in de termen utilitas (doelmatigheid), venustas (uiterlijk schoon) en firmitas (duurzaamheid) blijft treffend. Auteur was de Romeinse bouwmeester Vitruvius, rond 60 voor Christus.

Over gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde kun je natuurlijk van mening verschillen en ook over de weging van de waarden, maar deze ankers bieden houvast voor onderzoek en referenties, maken discussies zinvol en helpen daarmee ons vak verder. Toch weten vakgenoten dit begrippenkader grondig te verknallen. Als voorbeeld neem ik het verslag van een ‘werksessie’ van het College van Rijksadviseurs (CRa) over ‘kwalitatieve gebiedstransformatie’. Het ‘Herbestemmingsteam’ (H-team) bereidde de sessie voor en legt bij monde van Carolien Ligtenberg uit hoe je kwaliteit definieert. Een paar citaten:

  • ‘Het gaat om duurzaamheid: een gebied moet sociaal, economisch en fysiek tijdsbestendig zijn’
  • ‘Het gaat om samenhang’
  • ‘Hoe wordt omgegaan met de openbare ruimte’
  • ‘Het gaat om maatschappelijke meerwaarde’
  • ‘Geleidelijke gebiedstransformatie heeft veel voordelen’
  • ‘Kwaliteit heeft te maken met het verzekeren van belangen van verschillende partijen’

Nadat zo chaotisch is gehusseld, volgt deze uitspraak: ‘Voor al deze kwaliteitsfactoren moeten kaders worden gesteld, daar heeft de overheid een cruciale rol in. Die rol wordt te weinig genomen’. Deze laatste constatering is het enige lichtpunt in het betoog. 

Later komt de aap uit de mouw en blijkt de ‘definitie’ te slaan op de NDSM-werf in Amsterdam en de Kleefse Waard in Arnhem. Niets mis mee, maar wel niche-ontwikkelingen. Treurig dat basisbegrippen op hoog niveau naar de filistijnen worden geholpen. Het College van Rijksadviseurs en het H-team zouden ons professioneel wat te bieden moeten hebben.


Bron: ROmagazine, juli 2017

Auteur:

friso
Friso de Zeeuw

Praktijkhoogleraar Gebiedsontwikkeling TU Delft

Recente artikelen