Analyse Welke prijs mag schoonheid hebben? Die vraag stelt Joris Winters van Arcadis. Net als ‘creativiteit’ en ‘innovatie’ kent ‘schoonheid’ volgens hem louter medestanders. Maar het zijn evenwel grotendeels ongrijpbare en moeilijk eenduidig te definiëren begrippen. Dat maakt de opgave heel lastig: hoe schoonheid te bereiken voor dezelfde bouwkosten?
De vraag wat de prijs van schoonheid mag zijn dringt zich op na publicatie van Thuis in de toekomst, Pleidooi voor een leefbare, rechtvaardige en duurzame woonomgeving. Daarin bepleit het College van Rijksbouwmeester en Rijksadviseurs (CRA) een leefbare, rechtvaardige en duurzame woonomgeving, een ambitie die zeker door velen met instemming wordt begroet. Een van de aanbevelingen is gericht op schoonheid als ‘publieke waarde,’ die betekenis geeft aan de leefomgeving. Daarbij stelt men dat goed ontworpen gebouwen en openbare ruimte langer blijven staan en gebruikers- en vastgoedwaarde toevoegen: “zorgvuldige architectuur verhoogt de vastgoedwaarde op de lange termijn.”
Tegelijkertijd geldt dat schoonheid moeilijk meetbaar is en daarmee kwetsbaar in “een systeem dat sterk stuurt op (woning)aantallen, marges en verantwoording.” Die spanning is het scherpst zichtbaar in de uitwerking van compacte stadsappartementen – zo getuigen vele voorbeelden van de gevelopbouw van recent ontwikkelde woontorens in de periferie van (middel)grote steden. Resultaat bij deze projecten: schoonheid als sluitpost. De Engelse ontwerper Thomas Heatherwick stelt het in zijn boek Humanise nog scherper: “saaie” gebouwen zouden niet alleen een “vloek” voor het (stedelijke) landschap zijn, maar ook voor geestelijke gezondheid en rechtvaardigheid. Het afwijzen van saaiheid is daarmee tegelijkertijd een pleidooi voor variatie in materiaal, kleur en proporties.
Recht op schoonheid
De stellingen van CRA en Heatherwick doen denken aan een ‘recht op schoonheid in de (gebouwde) omgeving.’ Zoals Rudy Fuchs in 1994, toen directeur van Stedelijk Museum in Amsterdam, opmerkte: schoonheid is een menselijk grondrecht en lelijkheid is het gevolg van gemakzucht. Nederland verder volbouwen kan niet worden “beslist vanuit overwegingen van efficiency en economie alleen. Stad en land hebben recht op decente schoonheid.”
Dat een grondrecht op schoonheid niet automatisch gerespecteerd wordt, heeft uiteenlopende redenen
Over wat ‘decente schoonheid’ voor architectuur en woningbouw al dan niet betekent, kun je hele bibliotheken volschrijven. Voor nu volstaat een onderscheid zoals Immanuel Kant maakte in zijn derde kritiek (1790). Daarin onderscheidt hij ‘vrije schoonheid’ en ‘gebonden schoonheid’. Natuurlijke objecten, zoals bijvoorbeeld een roos, vallen onder de vrije schoonheid. Dat geldt ook voor bepaalde decoraties en (kleurrijke) patronen, denk aan Moorse elementen uit het Alhambra, zonder specifieke functies. Kunstwerken en gebouwen daarentegen vallen volgens Kant onder ‘gebonden schoonheid.’
Meeste kans op waardering
Objecten van vrije schoonheid veronderstellen dus géén conceptueel begrip, terwijl die van gebonden schoonheid dat wel doen. We houden geen rekening met eventuele objectieve regels voor de schoonheid van een roos, terwijl bepaalde regels noodzakelijk lijken om architectuur en beeldende kunst op de juiste wijze te beoordelen. Bouwprojecten die beide vormen van schoonheid verenigen, zoals beplanting in de gevel bij de Wonderwoods-torens in Utrecht of de Arabische mashrabiya-raamroosters uit het Institut du monde Arabe in Parijs, hebben vermoedelijk de meeste kans op waardering door zowel publiek als (architectuur)professie.

‘Utrecht’ door Maarten Zeehandelaar (bron: Shutterstock)
Dat een grondrecht op schoonheid niet automatisch gerespecteerd wordt, heeft uiteenlopende redenen. Zo betoogt Heatherwick dat te veel steden een “zielloze en depressieve” indruk achterlaten en vooral ontworpen worden door en voor business. Een belangrijke reden daarvoor, zo bleek uit onderzoek door Britse psychologen, is dat de architectuur-professie en het publiek uiteenlopende opvattingen hebben over wat een ‘mooi’ gebouw is. Volgens Heatherwick komt dat door architectuuropleidingen, die “indoctrineren” en aanzetten tot conformiteit in plaats van creativiteit. Maar het is ook vooral ingebed in de keuzes die de samenleving als geheel zou hebben gemaakt: om sinds het einde van 19e eeuw, zoals ten tijde van Hausmann’s ingrepen in Parijs, minder uit te geven aan gebouwen dan nu.
Retro-ontwerpen
Of de samenleving inderdaad expliciet die keuzes gemaakt heeft, valt te betwijfelen. Daarnaast geldt dat de claim dat samenlevingen “minder uitgeven aan gebouwen dan 150 jaar geleden” makkelijk gemaakt is, maar de internationale realiteit is dat stijgende prijzen grote gevolgen hebben in vrijwel alle markten. Zo bleek uit Arcadis’ International Cost Index 2026 dat alleen op het Chinese vasteland en in Hongkong sprake was van deflatie. Problemen met de betaalbaarheid komen het duidelijkst naar voren op de woningmarkt, waar de grondprijzen, bouwkosten en financieringskosten het steeds moeilijker maken om een gezonde stroom van nieuwe projecten in stand te houden. Dan is vooruitblikkend de vraag: wat mag schoonheid kosten? Onze kengetallen komen op een meerprijs in bouwkosten van 10 tot 20 procent tussen een ‘mooi, gevarieerd’ versus een ‘uitgekleed, saai’ gevelbeeld voor een gemiddelde Nederlandse woning.

‘Charmant stadscentrum’ door Alexandre.ROSA (bron: Shutterstock)
Een andere vraag die zich opdringt, is waar schoonheid staat op de prioriteitenlijst van bewoners en (potentiële) huizenkopers. Een ruime meerderheid (84 procent) van de inwoners van Nederland is (zeer) tevreden over zowel hun woning als hun woonomgeving. En kent u mensen die verhuisden waarbij het primaire motief een mooier huis of straatprofiel was? Een overgrote meerderheid lijkt vooral te verhuizen vanwege ruimte en groter wonen, voorzieningen in de buurt, lagere energiekosten en – al zal men dat doorgaans niet toegeven – status anxiety. Het is dus onwaarschijnlijk dat de huizenkoper die extra 10 à 20 procent primair zal uitgeven aan schoonheid
De opgave is dus: hoe schoonheid te bereiken, voor dezelfde bouwkosten? De auto-industrie kan hier als inspirerend voorbeeld gelden. In die branche kan door ontwerp en productie wél op grote schaal esthetica toegevoegd worden, voor dezelfde dan wel geringe meerprijs. Zie de uiteenlopende convexe en concave vormgeving van carrosserie-ontwerpen bij zowel bij ‘retro-ontwerp’-voorbeelden, zoals de Fiat 500 of de elektrische Renault 5, als ‘moderne’ vormgeving (zoals de elegante en minimalistische esthetica van Mazda’s Kodo-design).
Facade as a service
Zo geldt ook voor woningen dat, paradoxaal genoeg, geïndustrialiseerd bouwen een oplossing voor de esthetica kan zijn. Vanuit de fabriek zijn sinds 2020 mogelijkheden ontstaan op grote schaal betaalbare en duurzame woningen te produceren. Dit type bouw biedt ook variatie in gevelbeeld en indeling, zodat er meer keuzemogelijkheden voor opdrachtgevers en consumenten ontstaan. Op termijn kan een grootschaliger toepassing van fabrieksmatig geproduceerde gevels daarmee ook voordelen voor variatie en duurzaamheid bieden. Denk voor variatie aan de BMW Z1: die had in 1990 al demontabele, thermoplast carrosserie-elementen – beschermd door een specials hars-laag die BMW in samenwerking met AkzoNobel ontwikkelde.

‘Beesd’ door Stoqliq (bron: Shutterstock)
Duurzaamheid van gevels kan daarbij ook verbeterd worden door leaseconstructies van het buitenblad van gevelelementen. Daarbij blijft, conform principes van de circulaire economie, de leverancier eigenaar van die elementen. Hij heeft de plicht om ze tot het einde van de technische levensduur te onderhouden en verduurzamen. Pilots met zulke leaseconstructies, de facade as a service, verlopen echter moeizaam vanwege (gepercipieerde) financiële- en bouwketenrisico’s. Wat als de gevelleverancier failliet gaat? En welke zekerheid kan de financier ontlenen aan de gevel in een executiescenario?
Dan wordt schoonheid bij woningbouw meer standaard en minder sluitpost
Deze risico’s kunnen grotendeels gemitigeerd worden bij de opschaling van geïndustialiseerde bouw – wederom naar het model van de auto-industrie. Dan ontstaat een daadwerkelijke markt van gestandaardiseerde (gevel)bouwdelen met grote (internationale) leveranciers. Door een combinatie van moeizame (vergunnings)procedures en gebrek aan constante vraag ligt de bezetting van woningfabrieken nog te laag. Maar dat kan door uniforme landelijke technische-toetskeuring, certificering en kanalisering van vraag snel veranderen. Denk aan (sociale) woningbouw, waaronder defensie, studenten- en migrantenhuisvesting. Dan wordt schoonheid bij woningbouw meer standaard en minder sluitpost.
Cover: ‘Charmante straat’ door K-FK (bron: Shutterstock)







