Artikel
Sanlitun Village_  SPLCorp (CC BY-SA 3.0)

Smart stedenbouw maakt heimats

Door Jan-Willem Wesselink

15 apr 2018 - De smart city heeft geen nieuwe stedenbouwers en planologen nodig, maar professionals die begrijpen dat technologisering het nieuwe normaal is. En dat dit ook hun vak ingrijpend heeft veranderd. Een inleiding in de nieuwe stedenbouw in zes principes.

De verandering: we zijn altijd verbonden

Voor het eerst in het bestaan van de mensheid zijn we altijd met alles en iedereen verbonden. Wat begon met de uitvinding van de telefoon kwam via radio, televisie en internet uit bij 5G. We wennen daar snel aan, maar het is natuurlijk heel erg bijzonder. Zeker voor planologen en stedenbouwers. Het feit dat we waar we ook zijn de New York Times kunnen lezen, naar Juventus – Real Madrid kunnen kijken, kunnen videobellen met onze kinderen of nieuwe kleren kunnen kopen, het is bizar bijzonder. Waar het tot voor kort nog nodig was om ergens te zijn om iets te doen, is dat nu vrijwel niet meer relevant. Steeds meer werk wordt footloose of geautomatiseerd. Dat geldt niet alleen voor mijn baan (dit stukje schrijf ik thuis op de bank), maar ook voor de kassajuffrouw bij AHtoGo die haar baan niet zeker is nu daar nog maar één bemande kassa is. Of voor die havenarbeider die robots zijn werk ziet overnemen. Oh ja, die verbondenheid moet wel ontworpen worden. Verkeerskundigen krijgen er dus ook een taak bijl

Principe 1 – De exclusiviteit van de plek is weg

De allerbelangrijkste verandering voor stedenbouwers en planologen is dat je niet meer ergens moet zijn. Alles kan overal en je kan overal realtime zijn. Dat functioneert nog niet helemaal optimaal, maar dat komt vanzelf. Riolering en elektriciteit zijn ook niet in één dag uitgerold.
De impact van deze verandering is enorm. Want wat ontwerp je nog en voor wie, als er geen noodzaak meer is om er te zijn?

Principe 2 – Ergens zijn, is een keuze

Als ik alles overal kan doen, ben ik nog steeds ergens. Op een plek. En dat is dan een keuze. Er is geen noodzaak om er te zijn. En dus zijn we op plaatsen waar we willen zijn. Omdat ze betekenisvol zijn, identiteit hebben. Er kunnen allerlei redenen zijn, waarom ik wel ergens wil zijn. Bijvoorbeeld omdat ik andere mensen wil ontmoeten. Of omdat een plek een emotie bij mij opwekt. Omdat ik er lekker uit de wind en in de zon kan zitten. Maar in alle gevallen is het een keuze. En daarbij maakt het niet uit wat ik op dat moment doe. Of wel, maar ook dan is het keuze.

Principe 3 – Wat overblijft, moet ‘heimat’ hebben en niet te vervangen zijn door internet

De fijnste plek op Utrecht Centraal vind ik het Koffiehuis van DE. Een plek die net zo gemaakt is als de rest van die hal, maar waar het heerlijk ruikt naar kokosmakronen en waar de koffie aan je tafeltje wordt gebracht door aardige mensen. De emotie die dat oproept is niet te vervangen door technologie.
Het enige dat overblijft in de stad, is datgene waar internet nooit een vervanging voor kan zijn. Een mooi park bijvoorbeeld of een museum. De bioscoop. Een terras op een historisch plein. Thuiskomen in je eigen straat.
Betekenis wordt soms verward met belevenis. Identiteit als iets dat je kan kopiëren. Dat klopt niet. Identiteit is veel eerder wat Duitsers bedoelen met het begrip ‘heimat’, dat zich laat vertalen door ‘thuis’, maar dan wel in de meest emotionele betekenis.

Principe 4 – Alles wordt flexibel

Doordat we alles overal kunnen, worden we steeds flexibeler. Nou ja, in zoverre als de techniek en ons netwerk dat toelaat. We worden immers een zwerm, maar hoe flexibel zijn de onderdelen van die zwerm?
De flexibiliteit heeft ook ruimtelijke gevolgen, maar heel ingrijpend zijn die vooralsnog nog niet. Hoewel de opkomst van flexwerken tot een drastische afname van kantoorruimte leidt. Dat gaat geleidelijk, maar gebeurt wel. En de opkomst van festivals gaat misschien niet ten koste van iets, of het moeten de dancings zijn.

Principe 5 – Voorspel de stad

Steden en dorpen bestaan (ook nu al) uit systemen. Die systemen laten zich voorspellen. Een voorbeeld is het verkeer, dat is een stedelijk systeem dat zichzelf reguleert (iedereen kent de groene golf), maar ook door bijvoorbeeld Google Maps worden er voorspellingen gedaan. Vaak op basis van historische data, maar die systemen worden steeds slimmer. Het weer, de datum en allerlei andere externe factoren beïnvloeden het verkeer. En wat voor het verkeer geldt, geldt voor tal van andere aspecten van het stedelijk leven. Met predictive policing wordt al gewerkt bij de politie, waarom dan niet met predictive urbanism bij stedenbouwers? Ontwerpers gaan de algoritmes schrijven van die predictive city.

Principe 6 – Werk met nieuwe publieke waarden

We zijn er aan gewend dat we ethiek vertalen in de ruimtelijke ordening. Externe veiligheid is een goed voorbeeld. Of luchtkwaliteit. Maar ook groen in de stad is een ethische keuze, een echte harde noodzaak is er vaak niet. Hetzelfde geldt voor sport en cultuur.
Technologisering stelt ons voor nieuwe ethische dilemma’s en leidt tot nieuwe publieke waarden die hun plaats moeten vinden in het ontwerp. Die waarden zijn mooi beschreven in het rapport ‘Opwaarderen: borgen van publieke waarden in de digitale samenleving’, van het Rathenau Instituut.
Daarbij gaat het over veiligheid. Worden we bijvoorbeeld bespioneerd via sensoren in onze steden? En over privacy: kunnen we nog onbespied en onbezorgd gebruikmaken van de ruimte? Een stap verder: mogen bedrijven of overheden mensen door de ruimte sturen zonder dat ze dat doorhebben? Autonomie is een belangrijke waarde in de slimme stad.
Bij die vragen is het belangrijk dat we inzicht hebben in techniek. Maar wie is verantwoordelijk voor de keuzes die worden gemaakt door algoritmes? Weten we of data waarmee de keuzes worden gemaakt, valide zijn? Is dat rechtvaardig? En bestaat er voldoende machtsevenwicht tussen burgers aan de ene kant en bedrijven en overheden aan de andere kant. Dat leidt allemaal tot de belangrijkste vraag: hoe efficiënt willen we leven? Of hebben we ook recht op imperfectie, rommeligheid en verspilling in onze leefomgeving?
Al deze publieke waarden zijn rekbaar. Privacy of recht op imperfectie is geen absoluut gegeven. Het is aan ontwerpers om daar keuzes in te maken.

En juist het feit dat er te kiezen valt, laat zien dat er ontworpen kan en moet worden. En dat ontwerpers meer dan ooit nodig zijn. Want zij kunnen dit.


Dit item verscheen eerder op future-city.nl

Cover: SPLCorp (CC BY-SA 3.0)

Auteur:

Jan-willem wesselink
Jan-Willem Wesselink

hoofdlaborant van het Kennislab voor Urbanisme

Recente artikelen