platform voor kennis, nieuws en opinie
Zoeken
platform voor kennis, nieuws en opinie

Stedelingen veranderen de stad

Stedelingen veranderen de stad

Auteur: Mariska van den Berg

6 mrt 2014 - Stedelijke bottom-up projecten zijn hot. Bewoners nemen het initiatief om de openbare ruimte in hun buurt of wijk naar eigen inzicht in te richten. Maar de betrekkingen met de gemeente, die gewend is om de stad top-down vorm te geven, verlopen nog moeizaam.

In de afgelopen jaren heeft zich in Nederland een ware hausse voorgedaan aan initiatieven waarmee burgers naar eigen inzicht ingrijpen in de stedelijke openbare ruimte. Bottom-up is hot, ook in de stad. Deze initiatieven brengen plekken tot stand die niet alleen openbaar toegankelijk zijn, maar tevens uitnodigen tot ontmoeting en uitwisseling, zoals buurtmoestuinen of pleisterplaatsen met een cultureel programma. Ook wordt lokaal ondernemerschap gestimuleerd en worden op meerdere plekken netwerken versterkt om invloed te kunnen uitoefenen op de (her)ontwikkeling van de wijk. Stedelingen treden hierbij op als actieve producenten van levendige publieke plekken en stedelijke cultuur van onderop. De initiatieven versterken de sociale relaties in de buurt en geven identiteit aan de plek. Dat leidt tot nieuwe vormen van eigenaarschap – dat niet is gebaseerd op eigendom maar voortkomt uit betrokkenheid – en in het beste geval een sense of belonging: een gevoel dat de plek ook aan de bewoners toebehoort en die er tevens zelf zorg voor dragen. Maatschappelijke problemen als verwaarlozing of een gemis worden met deze initiatieven aangepakt. Zoals met de buurtmoestuin Afrikanerplein in Amsterdam-Oost die een effectief antwoord bleek op de drugsoverlast en de zomerkiosk Singeldingen in het Rotterdamse Heemraadpark die op initiatief van bewoners een pleisterplaats in de buurt werd.

Op eigen initiatief en buiten de officiële kaders ideeën voor de stad formuleren

De onafhankelijke manier waarop de aanjagers hun plannen vormgeven en medestanders én buitenstaanders betrekken, leiden tot veel verdergaande vormen van ‘participatie’ dan waar gangbare inspraakprocedures in voorzien. Het do it yourself van de D.I.Y.-projecten betekent niet meedoen maar zelf doen: op eigen initiatief worden ideeën ingebracht in een ontwerpproces dat wordt opengesteld voor bewoners en gebruikers. In dat proces wordt kennis over de lokale situatie ingebracht en worden vaardigheden en democratische competenties versterkt of aangeleerd. En waar men erin slaagt de plannen te verwezenlijken, leidt dat tot diversiteit in de stedelijke publieke ruimte, wat eveneens een vorm van democratisering is.

Voor al deze D.I.Y.-projecten geldt dat op eigen initiatief en buiten de officiële professionele kaders ideeën voor de fysieke stedelijke ruimte worden geformuleerd. Hierin spelen vele belangen die manifest worden in eigendomsverhoudingen, beleids- en bestemmingsplannen en complexe wet- en regelgeving – uitgezet en gecontroleerd door voor burgers lastig toegankelijke bureaucratische instituties. Bottom-up plannen kunnen daardoor alleen hun beslag krijgen in samenwerking met de institutionele spelers: de initiatiefnemers zijn genoodzaakt hun weg ‘omhoog’ te vinden. Het vergt veel overleg en doorzettingsvermogen om de ideeën van onderop te introduceren en decisionmakers te overtuigen. Met nieuw gevormde collectieven gaan de initiatiefnemers in overleg met lokale overheden en woningcorporaties. Dat zijn betekenisvolle ontmoetingen omdat daarmee een rol wordt opgeëist in het bestuurlijke proces waarin de stad wordt gemaakt. Deze collectieven voorzien in een nieuwe vorm van representatie die in toenemende mate serieus genomen wordt door instituties en overheden.

Do it yourself burgerschap lijkt overheid te overvallen

Deze stedelijke initiatieven maken deel uit van een veel bredere maatschappelijke beweging van opkomend burgerschap. De overheid heeft actief burgerschap hoog op de agenda staan, maar tegelijkertijd lijkt ze in de praktijk nog overvallen te worden door de invullingen die van onderaf worden gegeven. De D.I.Y.-projecten zijn vooral eigenzinnige voorbeelden van actief burgerschap die niet op voorhand de overheidsagenda dienen, maar die inzetten op vrijheid van handelen en op het realiseren van andersoortige opvattingen over het gebruik en de inrichting van de stedelijke publieke ruimte. De Valreep in Amsterdam-Oost is hiervan een goed voorbeeld: daar daar werd op initiatief van buurtbewoners een sociaal-cultureel centrum voor de buurt opgericht in een voormalig dierenasiel, in weerwil van de luxe horeca die de gemeente en projectontwikkelaar nastreven. Van onderop wordt niet zozeer geopereerd vanuit een gevoel van plicht – de burgerplicht die de overheid neigt te benadrukken – maar vanuit een behoefte om mee te praten en aan zeggenschap over de omgeving.

Over de gehele linie genomen laat de aansluiting van deze bottom-up initiatieven op de bestuurlijke structuren echter nog te wensen over. Het blijkt niet eenvoudig om met de juiste beslissingsmakers aan tafel te komen en eenmaal in contact met politici of gemeentelijke diensten ontbreekt het aan duidelijke richtlijnen over wat wel en wat niet toegestaan zal worden. Veel initiatiefnemers hebben bovendien moeite met de systematiek en werkwijze van de bureaucratische instanties. Die worden ervaren als onnodig risicomijdend, waarbij omslachtige procedures vooral leiden tot meer van hetzelfde.

Overheid moet loslaten en ondersteunen waar dat nodig is

In de huidige praktijk zijn lokale overheden en woningbouwcorporaties geneigd om de initiatieven te sturen of zelfs over te nemen. Dat is een slecht idee omdat het zelf invulling geven aan een zelf geformuleerde vraag in een open proces, leidt tot die waardevolle betrokkenheid, verbondenheid en nieuwe vormen van eigenaarschap. De koppeling van het idee, de uitvoering ervan en het beheer van het initiatief op langere termijn is doorslaggevend, net als de vrijheid om er naar eigen inzicht invulling aan te geven.

Het verzoek aan institutionele partijen is vooral om deze nieuwe partijen in de gelegenheid te stellen om verantwoordelijkheden op zich te nemen. Belangrijk is daarbij recht te doen aan de intrinsieke motivatie van de voortrekkers en niet voorbijgaan aan de initiatieven die er al zijn.1 Overmatige sturing en controle gaan daarmee slecht samen. Enerzijds vraagt dit om loslaten van wat zich zelfstandig kan ontplooien; anderzijds moet de overheid wel degelijk een zinnig kader creëren voor deze vormen van zelforganisatie, door ruimte te bieden in beleid en de ruimtelijke structuur van de stad, door het bieden van ondersteuning en door het beheersen van het maatschappelijk onwenselijke effect van sociale ongelijkheid.2 Zo zijn er bijvoorbeeld nog geen initiatieven van de wijkbewoners zelf voor heropening van de gesloten bibliotheek in de Haagse Schilderswijk. Daar waar burgers niet geneigd zijn om dergelijke initiatieven te nemen of niet uitgerust zijn om die te ontwikkelen is ondersteuning van de overheid nodig.

Kopiëren of opschalen van best practices werkt niet in de stad

Vooralsnog is het fenomeen van burgerinitiatieven in de stad kleinschalig, maar het is ontegenzeggelijk een signaal van een breed gedragen streven naar verandering. Als de overheid deze beweging wil stimuleren moet ze rekening houden met de aard van het fenomeen: kleinschalig, plaatsgebonden en per geval uniek. De klassieke praktijk van het kopiëren of opschalen van best practices werkt niet. Het gaat niet om herhaling van een procedure, maar om het opstarten van nieuwe processen. Dit werpt de vraag op hoe een veelheid aan micro-projecten te verbinden is aan de macrostructuur van de stad? Hierin ligt een rol weggelegd voor de initiatiefnemers: om meer zeggenschap te verwerven in de besluitvormingsprocessen over de stad moeten zij professionaliseren en effectieve netwerken vormen om hun wensen kracht bij te zetten. Maar ook professionals als architecten en stedenbouwkundigen moeten leren om ruimte te geven aan initiatieven van onderop. En het bestuur ten slotte kan bijdragen door voorwaarden te scheppen in de stedelijke ruimtelijke structuur en door deze kleinschalige initiatieven te verbinden aan een bredere agenda voor de stad.

Auteur

Mariska van den Berg is auteur van het onlangs verschenen boek ‘Stedelingen veranderen de stad. Over nieuwe collectieven, publiek domein en transitie’.

Noten

1 Voor de betekenis van die intrinsieke motivatie zie: Huygen, Van Marissing, Boutellier, Ruimte voor zelforganisatie. Implicaties voor gemeenten. Verwey Jonker Instituut | Wmo Kenniscahier, januari 2013
2 Zie ook: Justus Uitermark, ‘De zelforganiserende stad’. In: De toekomst van de stad, Raad voor de leefomgeving en Infrastructuur

Zie ook