platform voor kennis, nieuws en opinie
Zoeken
platform voor kennis, nieuws en opinie

Trend: nadenken over het eigen vak

Trend: nadenken over het eigen vak

12 dec 2013 - In tijden waarin de hectiek minder is dan tijdens de hoogconjunctuur, wordt meer gecontempleerd over nut en noodzaak van het eigen vak. Het Groningse architectuurcentrum Platform Gras organiseerde op de eigen CiBoGa-boot in Groningen een week lang lezingen over de stad, vanuit allerlei invalshoeken. Bedoeld om ‘nieuwe wegen te verkennen en verder te kijken dan je neus lang is’. Gebiedsontwikkeling.nu schoof aan bij vier lezingen, waarin een architect, een econoom, een milieudeskundige en een Berlijn-watcher hun visie gaven. Een impressie.

1 Architect Theo Deutinger

Trend: nadenken over het eigen vak - Afbeelding 1

‘Statistische gegevens zetten ons op verkeerde been’

Architect Theo Deutinger maakte in zijn lezing duidelijk welke rol hij als onderzoeker inneemt. Een onderzoeker die wel met ruimtelijke ontwikkelingen bezig is, maar ze heel anders aanvliegt dan een architect normaal gesproken zou doen. Een van de ervaringen waar hij openhartig over vertelde was een mislukt onderzoeksproject in de Rotterdamse Tarwewijk. In opdracht van Droog Design toog Deutinger met een dozijn andere architecten naar dit gebied, met op zich een nobele doelstelling: de bewoners proberen te helpen. Op basis van de statistieken zou je namelijk verwachten, aldus Deutinger, dat het hier heel slecht gaat. De laagste inkomens in de stad, de laagste huizenprijzen – hier moet iets aan de hand zijn. ‘Op een manier zoals er ook over Afrika wordt gesproken: het moet hier heel erg hand zijn.’ In reactie op de eigen analyse werd voortvarend een concept door de architecten ontwikkeld: een plan in zeven stappen waarmee beginnende ondernemers gemakkelijk bedrijfshuisvesting in de woonstraten van de wijk kunnen realiseren. Op zich een charmante gedachte, die echter compleet niet aansloeg: ‘Wat bleek: we waren het achtste (!) team van professionals in tien jaar tijd dat zich meldde bij de bewoners. Zij reageerden met uitspraken als: “we kennen jullie soort”, “we hebben niets aan jullie project” en “we hebben geen probleem; er zijn mensen die van ons zogenaamde probleem leven”. Er werd zelfs geld voor de interviews gevraagd.’ Het zorgde bij Deutinger voor het besef dat statistische gegevens en labels als ‘Vogelaarwijk’ meer kwaad doen dan goed. ‘In vergelijking met Londen is dit een prima wijk. Heb je in Londen geen geld, dan moet je twee uur buiten de stad gaan wonen. Hier woon je midden in Rotterdam, met veel groen onder handbereik’. Dat de doorstroming hoog is en elke vier jaar de wijkbevolking vernieuwt, betitelde Deutinger evenmin als een probleem: ‘Statistisch gezien is dat “slecht”, maar het geeft ook aan dat mensen hier kansen hebben om aan een betaalbare woning te komen.’ Al met al was het voor de architect reden deze opdracht terug te geven: ‘Met iedere studie wordt het beeld bevestigd dat de bewoners het probleem zijn, terwijl dat veel genuanceerder ligt.’

2 Econoom Jan Winsemius

Trend: nadenken over het eigen vak - Afbeelding 2

‘Een plan moet logisch zijn, of in ieder geval verklaarbaar’

Bureau Middelkoop-directeur Jan Winsemius verzorgde een stevig college ‘economie voor stedenbouwkundigen’. Hij constateert in de praktijk dat mensen die aan stedenbouw doen vaak erg weinig verstand hebben van geld. ‘Zoals een schilder alles weet over verf en een beeldhouwer over steen, zo zou een stedenbouwkundige moeten weten dat elke streep op het papier kapitalen kost – of kan opbrengen.’ Het ontbreekt de ontwerpers aan slimme strategieën op dit punt, aldus Winsemius: ‘Als je wilt sturen, moet je weten hoe het systeem werkt. De enige strategie die men hanteert is die een kind ook gebruikt: ik vraag vijf koekjes, dan krijg ik er één. Oftewel: stop je plan vol met kwaliteiten, dan houd je er altijd wel één over.’ Probleem is echter dat er niet één soort kwaliteit is en niet alle kwaliteit lucratief is. Bovenal moet kwaliteit in de driehoek geplaatst worden met opbrengsten en kosten: ‘Op die driehoek kun je elk plan beoordelen. Neem de Vinex-periode: dat had toch wel erg veel weg van de Russische broodmarkt. Kwaliteit deed er niet zoveel toe, er werd vooral een optimum gezocht tussen opbrengsten en kosten. Bij Vinex ontbrak het instrument om de optredende waardevermeerdering van de grond terug te ploegen in de kwaliteit van het plan.’ Ook aspecten als de risico en economische context zijn in de analyse van belang, evenals timing: ‘Bij wie komen de opbrengsten van je plan terecht en op welk moment gebeurt dat? Zeker in binnenstedelijk gebied komen de opbrengsten vaak bij de particuliere eigenaren in de omgeving terecht, door de waardeontwikkeling.’ Met de oplopende vastgoedprijzen in de periode tot 2008 trad er een perverse prikkel in werking, aldus Winsemius: ‘Het was lucratiever om met planontwikkeling te wachten, omdat de prijzen toch nog verder omhoog zou gaan. Hoe langer je niks deed, hoe rijker je werd.’ Er is in de huidige tijd geen behoefte meer aan ontwerpen, maar wel aan plannen waar een duidelijke strategie achter steekt. De automatische stijging van grond- en vastgoedprijzen is voorbij. Dat geeft ook kansen: ‘Er is geen concurrentie meer van suffe bestemmingen die in het verleden het meeste opbrachten. Dat geeft ruimte voor nieuwe initiatieven. Zorg er dan wel voor dat je plannen maakt waar niet gelijk bakken geld bij moeten – zoals het Wieringerrandmeer – en dat ze niet concurrerend zijn ten opzichte van andere initiatieven.’

3 Lector Nieuwe Energie Ivo Opstelten

Trend: nadenken over het eigen vak - Afbeelding 3

‘Energieneutraal-wet moet sector in beweging krijgen’

Ivo Opstelten werkt bij Platform 31 aan het programma ‘Energiesprong’ en doceert daarover aan de Hogeschool Utrecht. Hij koos er bij zijn inleiding voor om heel dicht – letterlijk – bij huis te blijven: de duurzame renovatie van zijn eigen woonhuis. Het is volgens Opstelten een voorbeeld waarmee de zo noodzakelijke transitie naar een minder energie verbruikende samenleving kan worden bewerkstelligd: ‘Vereisten voor een geslaagde transitie zijn dat mensen het zelf willen en kunnen en het vervolgens ook gaan doén: dan kun je echt gaan opschalen’. Volgens Opstelsten is techniek niet het probleem, die is in ruime mate voorhanden. ‘Voorbeelden laten zien dat de bouw wel degelijk innovatief kan zijn.’ Dat partijen naar elkaar wijzen in de circle of blame is veel erger: ‘Om de sector in beweging te krijgen hebben we wet- en regelgeving nodig: de Energieneutraal-wet. Waarom moet er in dit land altijd eerst een ramp gebeuren voordat er wetgeving wordt opgesteld? De energieramp ligt in de toekomst, er moet nú wat gebeuren’. De HU-lector pleitte voor ‘consistent, convergerend programma waarvan de ambities gaandeweg naar boven toe worden bijgesteld’. Op individueel niveau geeft hij dat invulling met zijn PIAF-strategie: Prepared in All aspects for Future developments. ‘Oftewel een energieconcept dat in inspeelt op de verhoging van de energieprijs, leveringszekerheid garandeert, technologische ontwikkelingen kan incorporeren en waardegedreven is in plaats van kostengedreven.’ Zonder ingreep zouden de energiekosten van Opsteltens eigen woning de pan gaan uitrijzen. Hij slaagde erin de woning energieneutraal te krijgen. ‘Daarbij heb ik vooral gekeken naar het goed benutten van de “mutatiemogelijkheden” van het huis. Elke 40 jaar wordt de schil aangepakt, de kozijnen om de 20 jaar, de installaties elke 10 à 15 jaar en de huishoudelijke apparatuur om de vijf jaar. Dan weet je welke opties je open moet houden. En kijk vooral naar de prestaties die energieconcepten leveren: “nul op de meter” is aantrekkelijker voor consumenten dan een epc-waarde van 0,6.’ De slag moet volgens Opstelten gemaakt worden naar concepten die bewezen state of the art zijn, onderscheidende kwaliteiten bieden, geen gebruiksaanwijzing vergen en met one stop shop kunnen worden aangeschaft. ‘Mensen die nu niet investeren, betekenen straks een aflossingsrisico voor de bank, omdat de energieprijzen ze boven het hoofd groeien. Daar ligt dus een opgave voor de hele keten: breng dit soort concepten op de markt.’

4 Planoloog en Berlijn-watcher Vincent Kompier

Trend: nadenken over het eigen vak - Afbeelding 4

‘De stad praat de hele dag tegen je aan’

Hoe houd je een lezing over Berlijn – geen eenvoudige opgave. Er is namelijk zoveel over te vertellen. Daarom draaide Vincent Kompier het om: ‘Wat zegt de stad tegen ons?’ Zijn inleiding liet overtuigend zien hoe je met goed observeren kunt analyseren wat er in een stad gaande is. Wie ogen en oren goed de kost geeft, komt een heel eind. Kompier liet eerst aan de hand zien hoe de stad tegen ons praat. Bijvoorbeeld met streetart, een kunstvorm die in Berlijn (vooral in het oosten met vele leegstaande gebouwen) volop tot wasdom is gekomen. ‘De stad is voor deze artiesten een schildersdoek. Het gaat erom de straat terug te veroveren op de macht van ontwikkelaars en bestuurders.’ Soms wordt streetart ook ingezet voor een ideologisch doel, zoals bij de campagne van Amnesty International waarbij op brugspijlen foto’s van politieke gevangenen werden getoond. ‘Je kan eraan voorbij lopen, maar het kan je ook op het verkeerde been zetten en de ogen openen.’ De grenzen tussen kunst en commercie vervagen ook: partijen als Levi’s en Adidas benutten streetart als pr-middel voor het bedrijf. Een geestige andere vorm van de pratende stad is ‘ad-busting’: advertenties bekladden. Niet door ze te verruïneren, maar door ze creatief aan te passen. ‘Er was bij de verkiezingen van 2013 geen poster meer te vinden die niet was beklad.’
Ook gebouwen en facades lenen zich uitstekend voor het uitdragen van boodschappen. ‘Er worden zelfs theatertechnieken ingezet om de stad een bepaalde richting in te duwen. Neem de Potsdamer Platz: daar is tijdelijk met steigerdoek een compleet gebouw neergezet, dat daar gebouwd gaat worden. De gevel als decor voor de toekomstige geschiedenis.’ Kompier refereerde daarbij aan de studiedag van gebiedsontwikkeling.nu over de relatie tussen TV en stadsontwikkeling: ‘Alle condities worden volledig onder controle gehouden, in het belang van de beleving.’ De meest persoonlijke manier waarop de stad met ons praat is via briefjes, aldus Kompier. ‘In een arme stad als Berlijn is het gebruik van het mobieltje minder verspreid. Daarom hangen mensen overal briefjes op: het is de spiegel van Berlijn zelf. Ga maar gewoon lopen door de stad, dan kom je het vanzelf tegen.’

Zie ook:

Auteur

Portret - Kees de Graaf
Kees de Graaf

eigenaar Studio Platz

Bekijk alle artikelen