platform voor kennis, nieuws en opinie
Zoeken
platform voor kennis, nieuws en opinie

Vormgeven aan energielandschappen

Vormgeven aan energielandschappen

9 dec 2011 - De transitie naar een duurzame energievoorziening heeft een zodanig grote invloed op ruimtelijke ontwikkeling, dat een nieuwe generatie energielandschappen zal ontstaan, aldus Gert de Roo (hoogleraar planologie aan de Rijksuniversiteit Groningen). Bij het vormgeven van deze energielandschappen, gaat het om het verbinden functies en mogelijkheden in gebied, zodat zelfvoorzienende regio’s ontstaan.

Dirk Sijmons (hoogleraar Landschapsarchitectuur TU Delft en directeur H+N+S Landschapsarchitecten), benadrukte de noodzaak om de komende decennia hard aan de energietransitie te werken. De Europese Roadmap 2050 gaat uit van een CO2-reductie van 80% in 2050. De energieomslag die daartoe noodzakelijk is, is een zeer grote opgave. In het recent verschenen adviesrapport Remmen Los doen de Raden voor de leefomgeving en infrastructuur (RLI) vijf aanbevelingen om de energietransitie in Nederland te versnellen. Eén ervan heeft betrekking op de ruimtelijke component: neem belemmeringen in de ruimtelijke ordening weg. Dit onderstreept de relevantie van het thema van deze lezingenserie: de ruimtelijke vraagstukken van de energietransitie.

Vormgeven aan energielandschappen - Afbeelding 1
Fotografie: Julia van Grieken

Drie ‘virtuele’ landschappen een rol spelen bij het ontwerp van de nieuwe energielandschappen, lichtte Sijmons toe: het politieke/ideologische landschap, het ruimtelijk-economische landschap en het psychisch/semantische landschap. Deze drie landschappen moeten resoneren om tot een succesvolle implementatie van duurzame energie te komen. Dat met de laatste, het psychisch/semantische landschap, zeker ook rekening dient te worden gehouden, kwam deze avond duidelijk naar voren.

‘Zijn het de RO-regels die belemmerend werken voor de energietransitie in Nederland, of zijn het emoties?’ vroeg de Roo zich af. Beide sprekers gaven aan lang niet zo’n heftige maatschappelijke discussie te hebben meegemaakt zoals die er nu is over de nieuwe generatie energielandschappen. De Roo’s pleidooi voor windmolens in Drenthe stuitte daar op zo’n grote weerstand, dat hij deze avond naar eigen zeggen ‘naar Rotterdam was gevlucht’. Ook Sijmons benadrukte de rol van emotionele aspecten van de energietransitie: ‘Ruimte is het toernooiveld waarop de energietransitie verloren of gewonnen gaat worden.’

Omdat de huidige energievoorziening zich grotendeels ondergronds afspeelt, zijn we in Nederland onbekend met ruimtelijke implicaties van energievoorzieningen. De eerste generatie energielandschappen, die van de vervening, worden tegenwoordig juist gewaardeerd. Bij de tweede generatie energielandschappen, van olie- en gaswinning, is ruimte impliciet: de processen vinden grotendeels ondergronds plaats. Als het gebruik van waterstof in de toekomst een vlucht neemt, zal ruimte ook impliciet zijn. In de tussentijd van de energietransitie moeten we rekening houden met een expliciete impact van de energievoorziening op het landschap, bijvoorbeeld op plekken waar aardwarmte wordt aangeboord.

De nieuwe energielandschappen zorgen dan ook voor confrontatie; het NIMBY-effect. Bijvoorbeeld de nieuwste generatie windmolens, die door zijn afmetingen ‘over de schalen van het landschap heenstapt’, aldus Sijmons. ‘We zullen eraan moeten wennen dat energieopwekking zichtbaar wordt in de leefomgeving.’ Wel moeten de emoties die daarmee gepaard gaan volgens Sijmons ‘extreem serieus’ worden genomen. Zie het voorbeeld van het windmolenpark in de Noordoostpolder. De MER besteedt geen aandacht aan de weerstand hiertegen onder bewoners, die geworteld is in het verleden. De Roo stelde dan ook dat de technische gegevens vertaald moeten worden naar een verhaal met aandacht voor deze emoties, in plaats van top-down implementatie. ‘Een benadering van de opgave met rekensommen gaat voorbij aan de kern van de zaak.’ Ook illustratief voor de rol van emoties bij het planproces voor nieuwe energielandschappen, is het gesneuvelde plan voor een warmtering in Parkstad Limburg. Aan een warmtering kunnen verschillende energiesystemen worden gekoppeld, zoals een skihal als warmteleverancier, en een RWZI als warmterotonde. De provincie was enthousiast, maar uiteindelijk strandde het plan op emotionele en economische gronden.

Het is volgens De Roo dan ook nodig dat ‘mensen hun nek uitsteken’ voor duurzame energievoorzieningen. De uitvoer ervan stuit op veel weerstand, omdat men onbekend is met het begrip exergie. Hiermee wordt op de kwaliteit van energie geduid. Door het toepassen van het ontwerpprincipe van warmtecascadering, kan restwarmte optimaal benut worden. Restwarmte van een energiecentrale met een zeer hoge temperatuur komt via de industrie uiteindelijk terecht bij kassen en woonwijken en wordt zo meermaals gebruikt.

De energievoorziening vanuit fossiele brandstoffen is vooral centraal georganiseerd. In de nieuwe generatie energielandschappen worden daarentegen de tussenschaal van de regio en lokale energienetwerken belangrijk, alsmede verbindingen daartussen. Bijvoorbeeld vanwege de maximale economische afstand om restwarmte over te transporteren. De vormgeving van energielandschappen is afhankelijk van de regionaal beschikbare materialen en energiepotenties. De Roo toonde hoe de regionale mogelijkheden voor een derde generatie energielandschap in kaart gebracht kunnen worden. Hij combineert daartoe een scenario-analyse van de regio met een lokale source-sink analyse. Volgens De Roo is de crux om gebruik te maken van wat er is; mee te gaan in de kansen die een regio biedt. Dit betreft een combinatie van enerzijds lokale, decentrale bronnen en anderzijds energievoorziening op de grotere schaal (regionaal, globaal). De Roo gaf aan dat hij er vertrouwen in heeft dat Nederland door middel van inventiviteit de achterstand op dit gebied zal inhalen.

‘Worden we niet ingehaald door de komst van energieneutrale woningen?’ vroeg één van de deelnemers. De Roo beaamde dat er onzekerheid blijft over waar het heen gaat met de energietransitie. Technieken op het gebied van zonne-energie ontwikkelen zich zeer snel. ‘De ontwikkeling gaat niet lineair, maar in sprongen’, aldus De Roo. ‘Maar,’ benadrukte hij, ‘no-regret-maatregelen moet je sowieso nemen.’ Sijmons legde uit dat de EROI (energy return on investment) een belangrijk criterium is voor duurzame energiebronnen. Een verschil met fossiele brandstoffen, is dat hernieuwbare bronnen veelal extensief zijn. Een daling van de EROI betekent dat op dezelfde schaal steeds meer energieproductie nodig is. Omdat far offshore windkracht nog heel duur is, zal de komende 20 a 30 jaar wind op land nodig zijn, aldus Sijmons.

Donderdag 20 oktober 2011 | NAi, Rotterdam

Auteur

Portret - Arienne Mak
Arienne Mak

Projectmedewerker bij Praktijkleerstoel Gebiedsontwikkeling TU Delft

Bekijk alle artikelen