platform voor kennis, nieuws en debat
platform voor kennis, nieuws en debat
Interview

Stadslabs willen onweerstaanbaar worden voor gebiedsontwikkeling

Stadslabs willen onweerstaanbaar worden voor gebiedsontwikkeling

Stadslab hofbogen door Guido Pijper

8 nov 2018 - Stadslabs. Ze zijn geboren als kinderen van de crisis en vaak gemaakt met liefdewerk oud papier. Hoe handhaven ze zich in een periode van groei en grote portemonnees? Volgens Robbert de Vrieze, stadslabveteraan, moeten stadslabs een volwaardige rol spelen in het krachtenveld van de stedelijke ontwikkeling. “Je kunt ervoor kiezen om ontwikkelaars een eerste kans te geven, op voorwaarde van een open proces met ruimte en middelen voor stadmakers.”

Robbert de Vrieze is maatschappelijk ontwerper, architect en sinds 2013 betrokken bij een groot aantal stadslabs in Rotterdam, zoals Bospolder-Tussendijken, Luchtkwaliteit, Groene Connectie, Maashaven, Middelland, wijkcoöperaties en Hart van Zuid. Hij presenteert op het Stadmakerscongres de resultaten van een onderzoek onder twintig officiële en inofficiële stadslabs in Rotterdam (zie onderaan artikel).

Wat is de kracht van stadslabs, vind je? 
“Als ongelijksoortige groepen mensen bij elkaar komen en met open vizier samen op zoek gaan naar gedeelde en algemene belangen, dan komen daar de leukste onverwachte resultaten uit.”

Wat is een voorbeeld van zo’n leuk resultaat? 
“Stadslab Bospolder/Tussendijken is een goed voorbeeld. Dat ontstond uit het besef dat er leegstand was in de wijk, terwijl startend ondernemerschap zocht naar een plek en een kans. Het stadslab draaide het programma Leegstand en Ondernemerschap, en daar is Makerdam uitgekomen. Makerdam zit in een oud hoofdkantoor van Havensteder, en daar zitten nu allemaal jonge ondernemers uit de wijk die ook hun verantwoordelijkheid nemen om scholieren van de nabijgelegen vmbo-school mee te nemen in het ondernemerschap. Waar werk in het verleden naar de rand van de stad is geduwd, is dit een mooi en zichtbaar voorbeeld van werken in de stad.”

“Een ander goed voorbeeld is de Groene Connectie. Dat is ontstaan uit bewonersinitiatieven die allemaal iets deden met groen of zorg. Door die initiatieven aan elkaar te knopen, ontstond er een soort groene route door de stad. Er ligt nu bij een aantal huisartsen in Rotterdam-West een kaartje van de Groene Connectie: als er patiënten komen, krijgen ze groen op recept en gaan ze met een aantal mensen langs die groene connectie wandelen.”

En groen vermeerdert ook de waarde van het gebied.
“Ja, er moeten zo’n 15.000 woningen bijgebouwd worden. Stel je voor dat al die woningen aan een groen lintpark liggen waarin je kunt joggen en met kinderen wandelen. De opgave is wel om die waardevermeerdering terug te laten vloeien naar de mensen en initiatieven die die waarde ontwikkelen.”

“Rotterdam ‘bruist’ omdat er interessante dingen gebeuren die niet alleen centraal gepland zijn, maar met name vanuit de creativiteit en het initiatief van Rotterdammers komen.”

Echt wel uniek

Wat als lokale partijen niet participeren? 
“Dat zag je bij stadslab Hart van Zuid. Daar vindt een enorme gebiedsontwikkeling plaats, maar een echt stadslab kwam daar niet van de grond. De opgave is daar zo groot en complex, dat zowel de aannemers als de gemeente er een projectteam van zo’n vijftig man op had zitten. In die wurggreep is er maar weinig ruimte voor spontane dingen van buitenaf. Er waren bewoners en cultureel ondernemers die graag mee wilden doen, maar hoe groter zo’n proces, hoe lastiger het is om onvoorspelbare dingen binnen te laten.”

Denk je dat stadslabs bijdragen aan de nieuwe populariteit van de stad? 
“Ja, als Rotterdam ‘bruist’, dan komt dat omdat er interessante dingen gebeuren die niet alleen centraal gepland zijn, maar met name vanuit de creativiteit en het initiatief van Rotterdammers komen. Wat dat betreft heeft Rotterdam een unieke infrastructuur daarvoor. Die vloeit voort uit een lange historie in de stad, zoals Opzoomeren en bewonersparticipatiefondsen als de Delfshavense Duiten. En de vele bewonersinitiatieven, in Delfshaven alleen al zijn het er een stuk of 120, zijn ook niet patsboem uit de crisis ontstaan. Die staan op de schouders van mensen als Annie Verdoold, die in Spangen al in de jaren tachtig en negentig tegen drugsoverlast protesteerde. Er is dus van heel groot tot heel klein veel ruimte om particulier en collectief initiatief mogelijk te maken. Daarin is Rotterdam echt wel uniek, ook in Europa.”

“Hoe groter het project, hoe belangrijker het is dat je naast het grote project ook een klein prototypje hebt lopen. Dat helpt om dingen uit te proberen en snelle successen te boeken.”

Klein prototypje

Je hebt contactpersonen van twintig stadslabs gevraagd naar hun ervaringen. De resultaten presenteer je tijdens het Stadmakerscongres. Kun je al wat grote lijnen schetsen? 
“Je ziet sterke behoefte aan continuïteit: om dingen uit te voeren, maar ook financieel. Als het allemaal vrijwillig moet, is dat niet lang vol te houden. Verder blijken personen heel belangrijk. De beste stadslabs hebben bevlogen mensen uit alle kringen: overheid, markt en lokaal betrokkenen. Die weten elkaar te vinden en stellen het algemeen belang boven hun afdelingsbelang, bedrijfsbelang of bewonersbelang.” 

“Verder helpt het altijd als urgentie is. En stadslabs zijn sneller succesvol als ze meerdere manieren van interactie ontwikkelen. Dus niet alleen formele overleggen tussen 10 en 11 met agenda en voorzitter, maar ook tijdens het werk in de tuin of bij het borrelen. Mooi Mooier Middelland is hier heel sterk in. Die hebben op allerlei manieren geprobeerd mensen te betrekken: met krantjes, een knikkerbaan, middellandmuntjes en evenementen. Daarmee hebben ze wel de helft van de wijk bereikt. Dat is in participatietermen veel meer dan je normaal gesproken bereikt.”

“En hoe groter het project, hoe belangrijker het is dat je naast het grote project ook een klein prototypje hebt lopen. Dat helpt om dingen uit te proberen, snelle successen te boeken, de betrokkenheid in stand te houden, maar ook om het grotere proces te voeden en organisch te ontwikkelen.”

“De nieuwe Omgevingswet biedt niet te missen kansen. Die verplicht om voldoende participatie te organiseren. Stadslabs zijn beproefde invullingen daarvan.”

Tendercircus

De uitdaging is om de werkwijze van het stadsmaken te verankeren in de processen van de stad. Waar denk je aan?  
“Stadmaken moet de nieuwe standaard worden, 365 dagen per jaar. Als er ergens plannen zijn, moet je niet wachten tot je alles hebt uitgedokterd. Reserveer 5 à 10% van je budget voor lokale initiatieven en energie. Barcelona is daar een mooi voorbeeld van. Daar mag het wijknetwerk meebeslissen welke wijkambtenaar zij het best vinden passen bij hun gebied. Ook zijn er wijkbegrotingen waarmee mensen direct invloed op hun eigen leefomgeving kunnen uitoefenen. Verder biedt de nieuwe Omgevingswet niet te missen kansen. Die verplicht om voldoende participatie te organiseren. Stadslabs zijn beproefde invullingen daarvan.”

Wat kunnen stadslabs nog meer bijdragen aan de ambities van de stad?
“Dit college wil in deze collegeperiode 18.000 woningen bouwen. Dat is een gigantische opgave. De normale werkwijze bij dit soort grootschalige projecten is dat marktpartijen erop bieden via een tenderprocedure: vijf partijen schrijven erop in, eentje gaat ermee vandoor. Soms zijn ze wel een half jaar bezig met de selectie. Dat is een enorme verspilling van tijd en geld van de marktpartijen, terwijl andere stadmakers er niet tussen komen. Zou je dit niet anders kunnen inrichten? Je kunt bijvoorbeeld proberen een deal te sluiten tussen overheid, marktpartijen en burgers.”

Dus je zou de aanbesteding over willen slaan?
“Je zou ervoor kunnen kiezen om ontwikkelaars die al veel kennis hebben over een gebied een eerste kans te geven, op voorwaarde dat ze de verantwoordelijkheid nemen voor een open proces, en daar ook middelen voor vrijmaken.”

In plaats van tijd steken in de tender, tijd steken in samenwerken met de stad. 
“Ja, en je zou ook een wat lichter plan of visie van een ontwikkelaar kunnen vragen. Als dat aansluit op hoe mensen in het gebied daarnaar kijken, is er in een vroeger stadium een match te maken. Je weet dan nog niet precies hoe het eruit gaat zien, maar je hebt wel een veel efficiënter selectiemechanisme. Hierdoor komt meer ruimte voor kwaliteit en bewonersbetrokkenheid.”

Worden stadmakers dan een soort opdrachtgevers?
“Dat kan. Neem bijvoorbeeld het Zomerhofkwartier. Daar hebben bewoners, lokale ondernemers en ontwerpers zich verenigd in Zohocitizens. Vaak zie je dat dat de creatieve klasse wordt gebruikt voor placemaking op een plek. Op het moment dat de vastgoedwaarde stijgt, wordt het verkocht aan ontwikkelaars en beleggers, waarna de creatieve klasse weer mag opzouten naar een volgende desolate plek. Havensteder wil nu een pand verkopen met daarin culturele ondernemers. De vraag daarbij is: verkoop je aan de hoogste bieder, of kun je een deel van de maatschappelijke waarde die in de afgelopen acht jaar is opgebouwd, behouden en doorontwikkelen? De gebruikers willen nu actief meedoen in een tender om het pand.”

De uitdaging voor stadslabs is om maatschappelijke en economische urgentie op te zoeken en verdienmodellen te ontwikkelen.

Onweerstaanbaar

Hoe gaat dat dan in zijn werk? Kopen de culturele ondernemers zelf dat pand?
“Dat zou kunnen. Maar het gaat vooral over invloed uitoefenen op de voorwaarden waaronder je verkoopt of ontwikkelt. Ga je alles in een keer doen, of maak je ook ruimte voor kleinere kavels? Als je heel het gebied in één keer verkoopt, dan heb je alleen grote consortia die erop kunnen bieden. Een kleinschalig lokaal initiatief komt er dan niet tussen.”

“Maar zelf kopen is ook een optie. Dat idee is overgewaaid uit Engeland, daar heb je de right to challenge – right to plan – right to bid. Right to challenge heeft de gemeente al ingevoerd, right to plan zie je een beetje in de stadslabs terug, en right to bid, het recht om een bod uit te brengen, geeft je als buurt of groep particulieren een betere kans om mee te bieden tegen grote partijen. Bijvoorbeeld: als groep bewoners kun je een pub die verkocht of gesloopt wordt, gezamenlijk aankopen. Het idee is dat als een object cultuurhistorisch belangrijk is, je als gemeenschap een halfjaar de tijd krijgt om een bod bij elkaar te brengen. Komt dat bod dichtbij de vraagprijs én kan de maatschappelijke waarde worden aangetoond, dan kan de overheid zelfs afdwingen om het voor het geboden bedrag te verkopen. Dat zijn interessante concepten, ook voor Rotterdam. De gemeente heeft immers honderden panden op de verkooplijst staan, vaak plekken waar maatschappelijke waarde zit, maar die doorgaans aan de hoogste bieder verkocht worden.”

Stadslabs worden dan een serieuze partij aan de onderhandelingstafel. 
“In de Afrikaanderwijk en Delfshaven zie je dat de wijkcoöperaties al een economische kracht worden. Wijkcoöperaties hebben tot doel om economische ontwikkeling van een gebied te stimuleren en de sociaaleconomische positie van bewoners te versterken. Ze slagen er steeds beter in om verdienmodellen te ontwikkelen en cofinanciering aan te trekken. Zo zijn ze er in de Afrikaanderwijk via Right to Challenge in geslaagd om het schoonmaken van de markt over te nemen van de gemeente. Waar de gemeente aan het eind van de dag alle rommel op een hoop gooide, doen zij met vier mensen de hele dag die schoonmaak. Ook zijn ze gastheer of -vrouw, recyclen wat ze tegenkomen, en verdienen geld met het scheiden van afvalstromen. De uitdaging voor stadslabs is om maatschappelijke en economische urgentie op te zoeken en verdienmodellen te ontwikkelen. Hierdoor worden ze onweerstaanbaar om mee te nemen in alle gebiedsontwikkelingen.”

Doorpraten over stadslabs kan tijdens het Stadmakerscongres op 9 november 2018


Cover:  Guido Pijper

Dit interview verscheen eerder op stadsmakerscongres.nl

Auteur

Melissa van Amerongen
Melissa van Amerongen

Schrijver en Onderzoeker|Redacteur bij Vers Beton

Bekijk alle artikelen
Blijf op de hoogte