platform voor kennis, nieuws en opinie
Zoeken
platform voor kennis, nieuws en opinie

Welke toekomst voor de architectuur?

Welke toekomst voor de architectuur?

Thumb_ontwerp en proces_0_1000px

28 sep 2012 - De Toekomst van Architectuur. Met deze titel werd op 24 september in het NAi de op Prinsjesdag verschenen Actieagenda architectuur en ruimtelijk ontwerp 2013?2016 'Werken aan ontwerpkracht' besproken. Maar liefst 9 insiders reflecteerden op een actieagenda die geen architectuurnota meer is en spraken over excellent opdrachtgeverschap en een praktijk die het nu echt zelf moet gaan doen. De actieagenda laat vooral op een zakelijk manier zien dat de het de culturele betekenis is die architectuur nu daadwerkelijk economische waarde geeft. Een verslag van een discussieavond waarin het ontbeerde aan zelfkritiek, emancipatie en een stip aan de horizon.

Welke toekomst voor de architectuur? - Afbeelding 1
Kern van het debat: Naar architectuur met een kleine a, een pleidooi voor ontwerpend denken en een wens voor een betere inbedding in de samenleving.

Architectuur als proces

Archined-hoofdredacteur Piet Vollaard trapte af met een terugblik op de eerste Nota Architectuur, nu zo’n 21 jaar geleden. Deze nota werd vervolgens circa iedere 4 jaar opgevolgd door een nieuwe versie, maar Vollaard stelde dat dit toch vooral amendementen waren op de oorspronkelijke nota. In die eerste nota ziet hij twee perspectieven, in lijn met het onderzoek ‘Bouwen op een Sterk Fundament’ dat Nicis Institute | Platform31 deed naar 21 jaar architectuurbeleid. Het eerste perspectief dat hij onderscheidt is ‘architectuur als product’. De eerste nota ging diep in op de waarde van esthetiek in de gebouwde omgeving, het belang van ‘quality of place’. Kwaliteit werd hierin een concreet doel, een voorwaarde ingezet als middel. Volgens Vollaard werd ontwerpen hiermee een daad van cultuur. Er werd volgens hem dan ook vooral geïnvesteerd in het peloton van de architectenwereld, de kopgroep werd wat minder gepamperd. Het tweede perspectief dat Vollaard onderscheidt, is dat van de ‘architectuur als branche’. Bijvoorbeeld door concrete investeringen in onderwijs, programma’s en instituties. Maar ook door een economisch gelijk speelveld te bewaken. Hij betoogde dat er zeker vastgesteld kan worden dat hier ook echt bruikbaar beleid is ontwikkeld en gevoerd. Beide perspectieven zijn volgens hem uitgegroeid tot een goede infrastructuur voor de architectuur.

Als aandachtspunt voor de huidige nota – die geen nota meer genoemd wordt – ziet Vollaard vooral de verschuiving van architectuur als product naar architectuur als proces. Niet voor niets is in de actieagenda het woord architectuur consequent vervangen door of gekoppeld aan dat van ‘ruimtelijk ontwerp’. Inspelend op een vakmatige verbreding met invloeden van landschapsarchitecten, stedenbouwkundigen en vrije kunstenaars. Daarnaast signaleert hij een sprong naar een hogere schaal, iets wat natuurlijk een direct resultaat is van de zojuist benoemde verbreding. Het beleid is er volgens hem één van veel woorden en weinig daden. Die daden moeten vanaf nu dus echt uit de praktijk komen. De ambitie van excellent opdrachtgeverschap is dan ook paradoxaal, stelt hij. Een overheid die zich vooral terugtrekt als opdrachtgever en eigenaar kan steeds moeilijker voorbeelden stellen met reële producten. Vollaards boodschap was duidelijk: de autonome betekenis van architectuur mag niet vergeten worden. De onlangs in het NAi geopende expositie van Louis Kahn is volgens hem het perfecte voorbeeld van schoonheid als manifest. Vollaard riep op om terug te kijken naar de eerste nota, waarin de culturele waarde van architectuur centraler stond. Daarnaast pleitte hij vurig voor een overkoepelend thema, en in zijn ogen kan dat niets anders zijn dan duurzaamheid. De 10 focuspunten die de actieagenda presenteert, zijn volgens hem te breed, te generiek en missen samenhang. Hij stelde dat als economie de nieuwe kern van het architectuurbeleid is, dat in ieder geval een groene economie moet zijn. In zo’n duidelijk kritieke opgave kunnen ontwerpers volgens Vollaard collectief het verschil maken.

Zelf initiatief nemen

De eerste reactie was van Henk Ovink, Directeur Nationale Ruimtelijke Ordening van het ministerie van I&M. Zijn vertrekpunt was de oorsprong van beleidsplannen en hij gaf aan dat dit iedere keer vooral producten waren van een veranderende politieke realiteit. Het enthousiasme van Vollaard ten spijt constateerde hij dat duurzaamheid nu kennelijk niet de prioriteit is in het politieke landschap. Maar de actieagenda is volgens hem al een stuk duurzamer ingesteld dan het kabinetsbeleid. De vraag rees of in deze tijd een cultuurpolitieke overtuiging nog kan bestaan. Ovink denkt van niet, en ziet dit in een nieuwe regering ook niet veranderen. De actieagenda is volgens hem een document dat letterlijk pakt wat het pakken kan, maar ook niet alleen komt. Het is feitelijk een vervolg op de Cultuurbrief uit 2011, die grofweg overal 20 procent op bezuinigde. Ovink ziet de actieagenda als een bescheiden ambitie om nu het ruimtelijk ontwerp echt te omarmen, te positioneren en het proces te waarborgen. Dat betekent volgens hem ook dat de agenda niet zomaar kan zeggen wie nu wat moet gaan doen, het is vooral een oproep om op een breed niveau zelf initiatief te nemen. Piet Vollaard haakte daar gelijk op in en stelde dat ‘de cultuur’ dat inderdaad moet doen, en misschien zelfs snel een anti‐agenda zou moeten formuleren.

Economisch realisme

TU Delft ‘Design as Politics’‐professor Wouter Vanstiphout vindt de actieagenda vooral ‘super droog’ en ‘super zakelijk’. Volgens Vanstiphout ontbeert de actieagenda eindelijk wolligheid – het ontbeerde dan ook geld – maar is deze in ieder geval begrijpelijk. Vanstiphout toonde zich oneens met Vollaard en stelde nadrukkelijk dat architectuur vooral geen autonome culturele discipline moet zijn. Volgens Vanstiphout leidt dat tot een enorme verzwakking van het resultaat, iets wat we in de afgelopen 30 jaar overal om ons heen hebben kunnen zien. Janny Rodermond, directrice van het nieuwe Stimuleringsfonds Creatieve Industrie, was het daarmee eens. Volgens Rodermond moet architectuur altijd een economisch realistische grondslag hebben, de tijd van het papieren ontwerp was volgens haar dan ook voorbij. Daarnaast betoogde Rodermond dat er in de actieagenda nog steeds ‘heel veel’ cultuur zit.

Knopen tellen

Daar kon Ole Bouman, scheidend directeur van het NAi, zich ook in vinden. Volgens Bouman is het vooral een tijd van ‘knopen tellen’. De vraag is vooral welke speelruimte architectuur nog kan gebruiken, en Bouman benadrukte dat er in de afgelopen jaren al veel goed werk is gedaan waar ook al wat vruchtjes van geplukt kunnen worden. Volgens Bouman stelt de actieagenda eindelijk eerst centraal wat er daadwerkelijk nodig is, en vervolgens wat architectuur daaraan kan bijdragen. En dat vond hij een duidelijke boodschap. Wouter Vanstiphout was juist niet zo enthousiast over de periode na de Nota van ‘91. Vanstiphout vond dat architecten maar eens moesten bedenken wat ze zelf hebben bijgedragen aan de oorzaken van de crisis, een punt dat eindelijk de zaal een beetje wakker maakte. Vanstiphout stelde dat architectuur onder dat overheidssturen veel te veel autonoom is geworden en gaf als voorbeeld dat iedere fusiegemeente opeens een onder architectuur gebouwd stadhuis wil. Volgens Vanstiphout zou architectuur veel bescheidener mogen zijn.

Vanstiphout maakte hiermee een punt waar Janny Rodermond zich in kon vinden. De focus op ‘beeld’ is volgens haar het nadeel van de eerste Nota en ze vindt het positief dat de nieuwe actieagenda architecten meteen laat merken dat ze moeten laten zien wat ze waard zijn om publiek gesteund te worden. Op de vraag uit het publiek om dit punt te verduidelijken gaf Vanstiphout het voorbeeld van wat hij een ‘piramidespel van bizarre leningen’ noemde, waarin er bijvoorbeeld door woningbouwcorporaties met publiek geld is gestrooid. In Rotterdam ziet hij dit nog steeds gebeuren. Drie iconische gebouwen ontworpen door het befaamde OMA worden volgens Vanstiphout gebouwd zonder enig economisch realisme. Hij verwijt wethouder Karakus dat met deze autonome kunststukjes winkelstraten die net weer aan het opbloeien waren finaal de nek om worden gedraaid. Vanstiphout stelde zich nogmaals tevreden met de actieagenda, al zag hij wel een bepaalde ambiguïteit. Een ambiguïteit tussen enerzijds het ontwerp van gebouwen als economisch project en anderzijds de architect als onderdeel van de kaste die werkt aan een beter land. Vanstiphout sprak zijn hoop uit op een focus op de laatste variant, een perspectief dat niet óf cultureel óf economisch is, maar deze beide perspectieven vooral verbindt.

Ontwerpend denken Decaan van de faculteit Bouwkunde Karin Laglas stelde dat haar perspectief iets verder ligt dan de periode die de actieagenda beschrijft. Geredeneerd vanuit het opleiden van een nieuwe generatie ruimtelijk ontwerpers zei ze blij te zijn met het feit dat ‘ontwerp’ veel voorkomt in de agenda, en in haar ogen zou dat nog verbreed mogen worden tot ontwerpend denken, in de zin van verbindend denken. Laglas toonde zich enthousiast over de focus op excellent opdrachtgeverschap en ze refereerde hierbij aan de nieuwe leerstoel die de faculteit Bouwkunde aan het voorbereiden is. Ze is kritisch over de samenhang in de opgaven die de agenda stelt, net als Vollaard mist ze het metaniveau. Bovendien lijken de geformuleerde opgaven haar wat monofunctioneel, terwijl we in deze tijd toch streven naar integraliteit en multifunctionaliteit, aldus Laglas. Verder pleitte ze voor een focus op de exportwaarde van Nederlandse architectuur, , wijzend op de goede internationale reputatie hiervan. In de actieagenda mist Laglas het instrumentarium om deze te versterken. Tot slot haalde Laglas het punt van herbestemming aan, maar pleitte ze vooral om ‘niet te vergeten om monumenten van deze tijd te maken’. Juist daar zou de overheid haar excellente opdrachtgeverschap zo nu en dan moeten tonen, stelde Laglas.

De jonge generatie

Architect Olivier Thill van Atelier Kempe Thill betoogde dat er in Nederland geen excellent opdrachtgeverschap bestaat. Hij doelde hiermee vooral op het aanbestedingsbeleid, waarin zij puur op economische aspecten moeten ‘pitchen tegen oudjes’. Volgens Thill gaat de nieuwe nota niet leiden tot kwalitatief hoogwaardigere architectuur, hij mist daarvoor in ieder geval alle handvatten. Thill vindt dat de agenda vooral nauwelijks aan de praktijk raakt en sloot af door te stellen dat hij er maar weinig vertrouwen in heeft.

Volgens Cilly Jansen, directeur van Architectuur Lokaal, is het dan ook juist tijd voor nieuwe initiatieven. Jansen stelde dat de jongste generatie nu echt eens gestimuleerd moet worden. En dat niet alleen financieel, maar ook vooral in het woud van beperkingen en onmogelijkheden. De Europese aanbestedingen zijn ook haar een doorn in het oog, maar Architectuur Lokaal is daar in samenwerking met het Ministerie van I&M wel druk mee bezig. Vurig betoogde Jansen dat alle ontwerpers gezamenlijk zouden moeten stoppen met ‘clichés en achterlijke scores’. Het gesprek zou dan volgens haar eindelijk weer gaan over kwaliteit en beleving.

Iets waar Proper‐Stok directeur Rob van Kalmthout zich in kon vinden: hij ziet nog steeds een sterke scheiding tussen het domein van de opdrachtgever en het domein van de ontwerpers. De 80 procent professionele opdrachtgevers zouden daarin nog veel aan zich zelf kunnen verbeteren, aldus Van Kalmthout. Van Kalmthout stelde dat als je architectuur verbreed naar ‘ruimtelijk ontwerpen’, ook de doelen verbreed zouden moeten worden. Deze zijn volgens hem nu teveel gericht op het object.

Manifest vanuit de praktijk

De avond werd afgesloten door BNA directeur Fred Schoorl, die aan Henk Ovink het manifest ‘Maatschappelijk Verantwoord Aanbesteden’ overhandigde. Een manifest vanuit de praktijk, met voorbeelden van ‘hoe het ook zou kunnen’, aldus Schoorl. Het manifest bevat 16 spelregels die vooral gericht zijn op een betere praktijk, iets dat uitstekend paste in de discussie van deze avond.

Het slot van de avond was helaas teveel een weerspiegeling van de gehele bijeenkomst. Het was een discussie die maar moeilijk op gang kwam en vooral een gezonde portie zelfkritiek mistte. Dat zou inherent kunnen zijn aan de keuze voor de respondenten, de gebrekkige interactie met het publiek en het veelvoud aan open deuren. Een discussie louter over de keuze om na het tellen van de knopen nu daadwerkelijk alles bij de praktijk te leggen hoefde natuurlijk helemaal niet gevoerd te worden. De actieagenda staat al vast, en Janny Rodermond merkte scherp op dat ‘beleid ook maar beleid is’. Een interactieve bijeenkomst over hoe de praktijk dit nu eindelijk eens collectief vorm gaat geven was hier veel meer op zijn plaats geweest.

Deelnemers aan het debat waren o.a. Janny Rodermond (Stimuleringsfonds Creatieve Industrie), Karin Laglas (TU Delft), Fred Schoorl (BNA), Wouter Vanstiphout (TU Delft, Crimson), Henk Ovink (Ministerie van Infrastructuur en Milieu), Rob van Kalmthout (Proper‐Stok Ontwikkelaars), Oliver Thill (Atelier Kempe Thill), Cilly Jansen (Architectuur Lokaal) en Ole Bouman (NAi). Het debat werd geleid door Ruben Maes.

24 september 2012
Organisatie: NAi

Auteur

Portret - Jorick Beijer
Jorick Beijer

YP-redacteur Gebiedsontwikkeling.nu | Oprichter Blossity

Bekijk alle artikelen