Onderzoek Genoeg auto's maar toch een gevoel van verlies als de supermarkt sluit, kopte de NOS eerder dit jaar. Het onderwerp blijft een heet hangijzer. Sluitende winkels, verdwijnende zorgpunten en afnemend openbaar vervoer in het landelijk gebied roepen vragen op over leefbaarheid en kansen. Postdoc-onderzoeker Suzan Christiaanse zoekt naar houvast voor beleidmakers, vervoerders en maatschappelijke organisaties die zich bezighouden met bereikbaarheidsvraagstukken in gebiedsontwikkeling.
De afgelopen jaren is er veel aandacht geweest voor het verdwijnen van voorzieningen in landelijke gebieden, vaak in een adem met zorgen over bereikbaarheid en leefbaarheid. Discussies over demografische krimp, schaalvergroting en sluiting van voorzieningen, zoals beschreven in Elke Regio Telt, laten zien dat de bereikbaarheid van basisvoorzieningen voor veel inwoners een zorg is. In verschillende delen van Nederland is de toegang tot voorzieningen, openbaar vervoer en banen inderdaad verslechterd door schaalvergroting, toegenomen mobiliteit en veranderd consumentengedrag. Hierdoor nam de (vervoers)ongelijkheid toe . Dit vraagstuk speelt niet alleen op het platteland: ook in semi-urbane gebieden staan voorzieningen onder druk en is er sprake van leegstand van winkelgebieden. Echter, op het platteland heeft dit een andere impact want de afhankelijkheid van de auto is hier groot. Bovendien hebben dorpsvoorzieningen vaak een sociale en symbolische waarde. De sluiting van voorzieningen wordt daardoor ervaren als een verlies voor de gemeenschap.
In beleid worden verschillende termen gebruikt om deze ontwikkelingen te beschrijven. In de Ontwerp-Nota Ruimte heeft men het over nabijheid, het ministerie van Infrastructuur en Water (IenW) spreekt over het op peil houden van bereikbaarheid, terwijl studies van het Planbureau van de Leefomgeving (PBL) aantonen dat de toegankelijkheid van basisvoorzieningen voor bepaalde kwetsbare doelgroepen onder druk staat. Tegelijkertijd worden voorzieningen steeds vaker besproken in relatie tot concepten zoals leefbaarheid of brede welvaart. Met het Nationaal Programma Vitale Regio’s (NPVR) wil het ministerie van Binnenlandse Zaken (BZK) langdurig samenwerken met grensregio’s om de leefbaarheid, voorzieningen en kansen in deze regio’s te versterken als duurzame, gebiedsgerichte aanpak over de lange termijn. Vanuit het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) is er ook aandacht voor de niet-grensregio’s via het Europese LEADER-programma. Dorpsvoorzieningen zijn namelijk niet alleen van belang voor primaire basisbehoeften, maar ook als ontmoetingsplek voor de lokale gemeenschappen (Christiaanse schreef eerder op Gebiedsontwikkeling.nu over dit onderwerp, red.). Deze jungle van begrippen maakt het voor gebiedsontwikkelaars soms lastig om scherp te krijgen waar het debat daadwerkelijk over gaat. Vooral omdat er duidelijk andere uitdagingen spelen voor landelijke gebiedsontwikkeling dan voor stedelijke gebieden.
Wegwijs
De begrippen nabijheid, bereikbaarheid, toegankelijkheid en mobiliteit worden vaak door elkaar gebruikt, terwijl ze verschillende dingen betekenen — met verschillende beleidsimplicaties. Mobiliteit verwijst naar de verplaatsing van mensen, goederen en informatie binnen een geografisch gebied. Het is niet alleen een fysiek proces, maar ook een sociaal en economisch fenomeen. De toename van autobezit heeft het voor veel plattelandsbewoners mogelijk gemaakt om grotere afstanden af te leggen voor werk, boodschappen en sociale contacten. Tegelijkertijd heeft deze mobiliteit, samen met schaalvergroting, bijgedragen aan het verdwijnen van voorzieningen uit kleinere dorpen. Nabijheid verwijst simpelweg naar fysieke afstand. In de Ontwerp-Nota Ruimte pleit men voor wonen, werk en voorzieningen in elkaars nabijheid, omdat dit de bereikbaarheid vergroot maar niet de mobiliteit. Volgens Natuur & Milieu is dit ook vanuit klimaatperspectief belangrijk. Want als we niet ver hoeven te reizen vanaf onze woning naar voorzieningen en werk, dan zijn er minder auto’s op de weg. Voor de nabijheid van voorzieningen in het landelijk gebied moet worden ingezet op behoud. Organisaties zoals de Landelijke Vereniging van Kleine Kernen pleiten ook voor behoud van lokale voorzieningen zoals dorpshuizen, bibliotheken, sport en winkels in dorpen, omdat deze belangrijk zijn voor de leefbaarheid.
Bereikbaarheid gaat een stap verder. Het verwijst naar de potentiële mogelijkheid om een bestemming te bereiken, gegeven de infrastructuur, vervoermiddelen, reistijd en kosten. Een woonwijk kan op tien kilometer van het centrum liggen, maar dankzij een snelle busverbinding of met de e-bike toch goed bereikbaar zijn. Waar mobiliteit verwijst naar álle verplaatsingen, inclusief het lopen van een rondje met de hond, gaat bereikbaarheid dus meer over hoe plekken met elkaar verbonden zijn binnen het systeem. Toch betekent ook een hoge bereikbaarheid niet automatisch dat iedereen die bestemming daadwerkelijk kan gebruiken. Voor de toegankelijkheid van voorzieningen spelen inkomen, leeftijd, gezondheid en sociale positie bijvoorbeeld ook een rol. Zonder een e-bike of openbaar vervoerkaart kunnen de voorzieningen uit het eerdere voorbeeld namelijk voor sommige mensen toch niet toegankelijk zijn. Er is daarmee dus sprake van een ongelijkheid in toegang, ondanks dat de potentiële (fysieke) bereikbaarheid gelijk is. Vooral mensen met lagere inkomens, zonder rijbewijs en mensen met een beperking zijn kwetsbaar voor vervoersarmoede.

‘Ook in het Groene Hart staat bereikbaarheid onder druk’ (bron: Suzan Christiaanse)
De keuze voor het gebruik van verschillende termen hangt samen met de uitgangspunten en focus in een bepaald beleidsdomein. Vanuit een gelijkheidsbeginsel (equality) is het nuttig om de potentiële fysieke bereikbaarheid in kaart te brengen. De nulmeting van bereikbaarheid op peil meet de potentie om vanuit het eigen huis basisvoorzieningen te bereiken met verschillende vervoersmiddelen. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de CBS-nabijheidsstatistieken en afgezet tegen acceptabele afstanden. Het dashboard van Bereikbaarheid op Peil is inmiddels beschikbaar voor lokale overheden (via programma Beleid voor Bereikbaarheid van het ministerie van IenW). Dit kan worden gebruikt als startpunt om te visualiseren waar gaten vallen. Vanuit een gelijkwaardigheidsbeginsel (equity) is het logisch om te kijken naar toegankelijkheid of meer aandacht te hebben voor de geleefde ervaring van bereikbaarheid. Wat wordt ervaren als een acceptabele afstand verschilt namelijk van persoon tot persoon en dit komt niet altijd overeen met de objectieve gemeten bereikbaarheid.

‘Gesloten school in Meedhuizen.jpeg’ (bron: Suzan Christiaanse)
De ervaren bereikbaarheid verwijst naar de subjectieve beleving van hoe gemakkelijk iemand denkt dagelijkse activiteiten te kunnen bereiken. De beleving van bereikbaarheid in het Nederlandse landelijk gebied is overwegend goed, deels omdat men ook grotere afstanden accepteert dan in stedelijk gebied. Mobiliteit ziet er ook anders uit in stedelijke en landelijke gebieden. Op het platteland is het heel normaal om veel met de auto te doen en jongeren zijn gewend flinke afstanden te fietsen naar school. Voor veel mensen is dit niet direct een probleem voor hun primaire basisbehoeften. Het is echter de vraag hoe toekomstbestendig de afhankelijk van de auto op het platteland is. Niet alleen vanwege milieuoverwegingen, maar ook om in dorpen gezond ouder te wonen en langer thuis te blijven wonen. De combinatie van hoge brandstofprijzen, sluiting van dorpsvoorzieningen en sterke vergrijzing zou kunnen leiden tot een probleem voor mensen die wel oud willen worden in hun dorp, maar dit in de toekomst niet meer kunnen.
Afnemende bereikbaarheid
Het belang van voorzieningen in landelijke gebieden gaat verder dan de wens om mobiliteit te beperken. Allereerst is de bereikbaarheid en toegankelijkheid van basisvoorzieningen zoals winkels, scholen, sportvoorzieningen en zorgvoorzieningen belangrijk voor universele basisbehoeften. Een recente analyse van de lokale omroepen en NOS laat zien dat door de sluiting van voorzieningen de bereikbaarheid in landelijke gebieden de afgelopen jaren is afgenomen. Minder mobiele mensen worden daardoor afhankelijker van lokale netwerken. Dit zijn bijvoorbeeld jongeren zonder rijbewijs, ouderen die niet meer durven te rijden of mensen met lage inkomens die de hoge brandstofprijzen en stijgende openbaar vervoerprijzen niet kunnen betalen. Het verdwijnen van voorzieningen kan voor deze mensen leiden tot sociaal isolement en kansenongelijkheid, vergeleken bij mensen die in de stad wonen en wel alles direct onder handbereik hebben. Om deze reden zijn dorpshuizen ook erg belangrijk op het platteland. Dit zijn vaak de plekken waar koffie-uurtjes, valpreventie, digitale hulp voor ouderen en andere laagdrempelige activiteiten worden georganiseerd. De Thuiskamers in Groningen zijn hier een mooi voorbeeld van.

‘Troefmarkt met postpunt in Meedhuizen.jpeg’ (bron: Suzan Christiaanse)
Een tweede belang van dorpsvoorzieningen heeft betrekking op de plek voor het gemeenschapsleven van dorpen, als onderdeel van de sociale infrastructuur. Naast de primaire functie van ‘boodschappen doen’ kan een dorpssupermarkt ook de plek zijn waar je je medicijnen en pakjes ophaalt, waar je kan pinnen en waar je even informeel een praatje maakt met je dorpsgenoten. Vooral voor ouderen is deze sociale functie belangrijk. Het dagelijkse loopje naar de winkel is goed voor beweging en sociaal contact. Een grote groep plattelandsbewoners heeft, mede dankzij autobezit, weliswaar geen acute problemen met bereikbaarheid van primaire basisbehoeften, maar zij vinden het wél heel erg dat voorzieningen sluiten. Omdat er een gevoel van collectief eigendom is, gaat het daarbij vaak meer om ‘hebben’ van bepaalde voorzieningen dan het kunnen ‘bereiken’. Dorpsvoorzieningen hebben daarmee naast een sociale rol ook een symbolische betekenis. Hierbij maakt het natuurlijk uit of voorzieningen een lokale functie of een meer regionaal karakter hebben, zoals trouwlocaties, dure restaurants, ziekenhuizen of middelbare en hogere onderwijsinstellingen.
Hoewel voorzieningen dus meerdere betekenissen hebben, ligt de nadruk in de meeste bereikbaarheidsstudies nog steeds op het bereikbaarheidspotentieel van de primaire functie van voorzieningen. Soms wordt er gevraagd naar ‘bezoek van vrienden en familie’ (bijvoorbeeld in het LRO, 2024), maar er is nog weinig aandacht voor het feit dat we vaak afspreken met mensen op een locatie. Daarmee weten we nog weinig over of de ervaren toegankelijkheid overeenkomt met dit potentieel en of naast de primaire functie ook de secundaire functies van deze voorzieningen bereikbaar zijn. Het is belangrijk om dit niet te onderschatten in landelijke gebiedsontwikkeling. Voorzieningen zijn immers de plek waar het gemeenschapsleven zich afspeelt; ze zijn daarmee naast thuis en werk de third places waar ons leven zich afspeelt (Oldenburg). De sluiting van de dorpssupermarkt kan bijvoorbeeld voor sommige ouderen betekenen dat ze hun dagelijkse loopje verliezen, en daarmee hun beweging en sociaal contact. Het laten thuisbezorgen van boodschappen lost dit helaas niet op en is bovendien niet voor iedereen financieel haalbaar.
Opeenstapeling van verlies
Mensen hebben een aversie hebben tegen verlies van betekenisvolle plekken, en dorpsvoorzieningen zijn daar een voorbeeld van. Bovendien kan de sluiting van voorzieningen op het platteland in combinatie met het wegtrekken van jongeren, strengere regels voor landbouw en het gebrek aan werkgelegenheid voelen als een opstapeling van ‘verlieservaringen.’ De sentimenten over voorzieningen en percepties van bereikbaarheid zijn sterk vermengd met overtuigingen over leefbaarheid en brede welvaart. Onderstaande afbeelding laat zien hoe lastig het is om de percepties over verlies op het platteland toe te kennen aan een specifiek concept.

‘De verstrengeling van verlies-ervaringen’ (bron: Suzan Christiaanse)
Belangrijk is dat er in dit debat twee groepen bewoners zichtbaar worden. Enerzijds zijn er mensen die problemen kunnen ervaren met bereikbaarheid, omdat ze minder mobiel zijn. Anderzijds zijn er bewoners die het verdwijnen van voorzieningen of andere veranderingen als verlies ervaren, maar geen problemen hebben met bereikbaarheid. Niet alleen de bereikbaarheid van voorzieningen is hiervoor belangrijk, maar ook bereikbaarheid van werk en huisvesting speelt een rol. Jongeren willen vaak wel blijven omdat ze een verbinding ervaren met hun woonplek, maar er is geen geschikte huisvesting. Bovendien staan de activiteiten die jongeren ondernemen in hun (dorps)gemeenschap en waardoor die binding wordt versterkt, juist onder druk. De straatjes die veel dorpen erbij willen bouwen worden helaas nog te vaak vrijgegeven aan projectontwikkelaars die niet genoeg huurwoningen, starterswoningen en toekomstbestendige woningen bouwen, of ten koste gaan van het landschap.
Kijk verder dan reistijd en afstand
In gebiedsontwikkeling praten we vaak over bereikbaarheid in termen van het optimaal plannen van voorzieningen, wonen en werken. Daarbij kunnen we de wens van nabijheid weliswaar uitspreken, maar dit is nog lastig te vertalen in de praktijk. Het aantal voorzieningen neemt namelijk nog steeds af als gevolg van schaalvergroting en toegenomen mobiliteit en ‘een straatje erbij’ zal daardoor zelden tot voldoende draagvlak zorgen voor behoud. De oplossing ligt deels in verder gaan dan een discussie over minuten en afstanden: we moeten hebben over hoe bereikbaarheid voelt. Ons onderzoek laat zien dat de beleving van bereikbaarheid sterk samenhangt met gevoelens van veiligheid, houding en eerdere ervaringen. Maar ook met de emotionele en symbolische betekenis van plekken, de beschikbaarheid van geschikte woningen en cognitieve vertekeningen. Percepties, waarden, denkbeelden zijn uiteindelijk cognitieve constructen en dagelijkse sociale praktijken zoals ‘winkelen’ of ‘forenzen’ zijn niet zozeer de uitkomst van weloverwogen beslissingen, als meer historisch gegroeide patronen. Toch houden we hier in beleid en gebiedsontwikkeling nog beperkt rekening mee. Dit is ook lastig, want we willen graag een objectief houvast voor beleid.
Gebiedsontwikkeling vraagt daarom om een bredere blik: niet alleen infrastructuur optimaliseren, maar begrijpen hoe mensen hun leefomgeving ervaren, waarderen en gebruiken.
Gelukkig is er sprake van een toenemende aandacht voor de beleving van bereikbaarheid, vooral voor kwetsbare doelgroepen. Ook is er besef dat integraal werken, over beleidsdomeinen heen, belangrijk is voor dit soort vraagstukken. De volgende stap is om in beeld te krijgen hoe bereikbaarheid voor iedereen voldoende kan zijn en wat voor investeringen dit vraagt van gemeenten en nationale overheid. Daarbij zullen we moeten kijken naar zowel ruimtelijke ordening, de optimalisatie van mobiliteitsoplossingen, het spreidingsbeleid van regionale voorzieningen en de subsidies voor lokale voorzieningen. In dit verband is het nuttig om te beseffen dat voorzieningen meer betekenissen hebben dan louter hun primaire functie. Een dorpssupermarkt is niet alleen een plek om boodschappen te doen, maar deze heeft vaak ook een pinautomaat en ophaalpunt voor pakjes: het is een plek waar je je buren tegenkomt. In landelijke gebieden staat de sociale cohesie soms onder druk omdat de plekken waar het gemeenschapsleven zich afspeelt langzaam verdwijnen. De publieke reactie op het verdwijnen of verslechteren van bereikbaarheid gaat dus niet alleen over afstand of reistijd, maar zeker ook over het verlies van betekenis.

‘Bieb in dagwinkel Oostwold’ (bron: Suzan Christiaanse)
Nieuwe mobiliteitsstudies laten zien dat cognitieve factoren mobiliteitskeuzes en percepties van bereikbaarheid sterk kleuren. In gebiedsontwikkeling zoeken we echter vaak nog alleen naar de bekende lineaire oorzaken: “Als we X verbeteren, verandert Y.” Als we blijven sturen op minuten en meters, missen we wat bereikbaarheid werkelijk betekent voor mensen. Gebiedsontwikkeling vraagt daarom om een bredere blik: niet alleen de infrastructuur optimaliseren, maar begrijpen hoe mensen hun leefomgeving ervaren, waarderen en gebruiken. Pas dan zullen we de stap van het ‘signaleren’ naar het ‘adresseren’ echt kunnen maken.
Suzan Christiaanse is postdoctoraal onderzoeker aan de Rijksuniversiteit Groningen bij de Leerstoel Transportgeografie van de Faculteit Ruimtelijke Wetenschappen. Zij promoveerde op het verlies van dorpsvoorzieningen en doet nu samen met Felix Pot en Taede Tillema onderzoek naar de beleving en het belang van bereikbaarheid in het landelijk gebied. Vanaf september is ze werkzaam als Assistant Professor Spatial Design and Planning aan de Rijksuniversiteit Groningen.
Cover: ‘Bushalte Kiel Windeweer.jpg’ (bron: Suzan Christiaanse)








