Interview Historische landschappen tonen ons hoe onze verre voorgangers al slim omgingen met bodem, water en het gebruik van hun land. In het project ‘Laat erfgoed spreken’ leggen acht Overijsselse erfgoedorganisaties de verbanden bloot tussen het rijke verleden van de provincie en de noodzakelijke transities van nu. Een gesprek met programmacoördinator Linde Arts-Stokvis. “Erfgoed is niet zozeer een blokkade of hindermacht, maar kan ook veel inspiratie bieden.”
Erfgoed. Menig projectontwikkelaar zal bij dat woord vooral aan de gemeentelijke archeoloog denken die een rapport dient op te stellen over lokale bodemwaarden en eventuele historische sporen op de bouwplaats. Een serieuze kans op nóg meer vertraging in het gebiedsproces. Dat je erfgoed ook op een andere, veel positievere wijze kunt benaderen, wordt sinds kort bewezen in Overijssel. Acht provinciale erfgoedorganisaties bundelden hun krachten voor het project ‘Laat erfgoed spreken’.

‘Linde Arts-Stokvis’ door Ben Vulkers (bron: Stichting Landschap Overijssel)
Met behulp van een pionierend kaartensysteem worden toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen met het aanwezige culturele erfgoed op die plekken verbonden. Zo kunnen uitdagingen en kansen al meteen aan de voorkant van het ontwerpproces inzichtelijk worden gemaakt. En dat leidt tot gebiedsontwikkelingen die harmonieus aansluiten op de eeuwenoude gebruiken in het gebied. Een gesprek met landschapshistoricus Linde Arts-Stokvis, die namens de Stichting Landschap Overijssel het programma coördineert.
Hoe is dit project ontstaan?
“De directe aanleiding was het nieuwe cultuur- en erfgoedbeleid van de provincie Overijssel dat in 2024 werd vastgesteld. Er werd een uitgebreide sectie in opgenomen over het belang van erfgoed bij de transities in het landelijk gebied. De provincie constateerde dat er ontzettend veel ruimtelijke ontwikkelingen op Overijssel afkwamen, maar ook dat er bijna overal in de provincie erfgoed aanwezig is. En dat erfgoed niet zozeer een blokkade of hindermacht is, maar ook veel inspiratie kan bieden om die ontwikkelingen beter in te vullen. De provincie heeft daarom acht erfgoedorganisaties gevraagd om het plan verder uit te werken, met als opdracht aan Landschap Overijssel dat allemaal te coördineren. Een bijkomend doel was om als erfgoedorganisaties meer te gaan samenwerken.”
Wat verstaan jullie in dit project zoal onder erfgoed?
“We vatten het begrip ruim op. Het gaat van landschap en bodem tot het gebouwde erfgoed. Ook immaterieel erfgoed als ambachten en tradities nemen we mee. Het gaat vaak om combinaties. Een traditie als tapijten maken in Genemuiden is gekoppeld aan het landschap wat je daar hebt. Wat we met name belangrijk vinden, is dat we echt werken vanuit de transities. Wij kunnen het erfgoed koppelen aan plekken waar een nieuwe gebiedsontwikkeling als een woonwijk gepland is of waar een wateropgave speelt. Het lastige is, is dat je vaak merkt dat de ontwikkeling al is opgestart en er reeds onomkeerbare besluiten zijn genomen. Of er spelen lokaal al zo veel verplichtingen dat men er liever niet nóg een nieuw perspectief als erfgoed bij krijgt. Jammer, want erfgoed biedt ontwikkelaars vooral mooie kansen.”
Wat zijn die kansen?
“Erfgoed plaatst een nieuwe ontwikkeling in de lange lijn van de geschiedenis. Het laat zien hoe we op die lijn voort kunnen bouwen. Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling begint namelijk niet zomaar ergens op een onbeschreven blad. Je hebt te maken met dorpsgemeenschappen die daar soms al sinds de Middeleeuwen zitten en waarvan de toen ontstane sociale en maatschappelijke structuren nog steeds leidend zijn voor hoe het in zo’n gebied werkt. Die oude gemeenschappen zie je terug op de eerste kaart die we hebben ontwikkeld, gebruikmakend van de oude markegrenzen en het grondgebruik uit 1832 op basis van archieven van het Kadaster. De gemeenten in Nederland zijn steeds groter geworden, maar daarbinnen heb je nog steeds allerlei buurtschappen en plaatsjes met een eigen identiteit.”
Wat was na die kaart de volgende stap?
“Daarna zijn we gaan kijken naar de transities die overal in Overijssel een plek moeten krijgen. Je komt er heel veel in algemene zin over tegen in visies en beleidsstukken, maar waar landen die transities nou daadwerkelijk? Dat is een enorme GIS-analyse geweest. Daarbij kwamen we er bijvoorbeeld achter dat zoekgebieden voor windmolens niet altijd laten zien waar windmolens ook echt terechtkomen. Dus hebben we ook allerlei rapporten doorgeplozen over welke windmolens echt in de vergunningsfase zijn beland.”
‘Rijssen - Energietransitie’ door Martijn Horst (bron: Stichting Landschap Overijssel)
“Die transities hebben we allemaal op de tweede kaart gezet. Vervolgens zijn we gaan onderzoeken in welke van de historische dorpsgebieden de meeste transities zouden landen. We selecteerden er 43. In twaalf daarvan gaan we een project opstarten. In de vierde en laatste kaartlaag geven we een inkijkje in het erfgoed dat voor die twaalf gebieden kenmerkend is. Dan kun je denken aan grafheuvels of stuwwallen. Of aan landgoederenzones of voor het gebied kenmerkende waterstructuren.”
Was het moeilijk om alle onderliggende data bijeen te krijgen?
“Het was niet moeilijk om te verzamelen, het was wel moeilijk om te selecteren wat je op de kaart zet. Wat laat je zien en wat niet? Neem bijvoorbeeld de opgaven voor de Kaderrichtlijn Water. Die spelen overal, maar zijn in het ene gebied veel groter dan in het andere. Wat je in de kaarten terugziet, is dat in de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland de functies heel lang de specifieke kwaliteit van het landschap volgden. Totdat in de periode van de ruilverkaveling alles op de schop ging. Er werd verwacht dat elke plek ook elke functie kon hebben. Daar komen we nu een beetje van terug.”
Hoe reageren gemeenten en private ontwikkelaars op jullie inzichten?
“We willen vooral duidelijk maken dat onze kaarten geen extra verplichting vormen, maar ondersteunend zijn in het proces. Dat landschap en erfgoed zeer waardevolle kennisbronnen zijn die ook kunnen helpen in het participatieproces, omdat je beter aansluit bij de lokale traditie. Zo hopen we de partijen mee te kunnen krijgen. En het gaat ook goed, tot dusverre. We hebben voor een netwerk van ruimtelijke vormgevers in Overijssel cursussen gegeven over het ontstaan van het landschap. We organiseren excursies. Maar die twaalf projecten die we hebben gekozen, die zijn nog in ontwikkeling.”
Hoe zal dat proces gaan verlopen, denk je?
“Op de ene locatie merk je dat de deur vrij snel dichtgaat, bij een andere is de ingang er wél. En voor die laatste locatie gaan we dan. Een plek waar we bijvoorbeeld heel graag wat zouden doen, is het kleine dorpsgemeenschapje Beckum, een kilometer of vijf ten westen van Enschede. Daar zitten vijf plekken van uitbreiding omheen. Daar wordt dus op vijf plekken aan die historische dorpsgemeenschap getrokken. Het is een oud, typisch Overijssels kampenlandschap met een kleinschalige structuur van akkertjes en weilandjes en de invloed van een landgoed.”
“Daar zouden we heel graag willen meedenken om ervoor te zorgen dat de nieuwe ontwikkelingen er goed op aansluiten. We doen ook ontwerpend onderzoek naar hoe je een nieuwe ontwikkeling vanuit erfgoed zou kunnen aanvliegen. Hoe erfgoed dus echt sturend kan zijn. De gemeente Zwolle heeft plannen voor een nieuwe woonwijk ten zuiden van de stad. Daar liggen twee landgoederen. We zouden een ontwerp kunnen maken om de nieuwe wijk met dat groene erfgoed te verbinden.”
Denk je dat jullie aanpak echt iets anders oplevert voor zo’n gebied?
“Ja, want soms wordt erfgoed nog echt over het hoofd gezien. Dan wordt er alleen gekeken naar wat wettelijk verplicht is en waar je bijvoorbeeld vanuit archeologisch oogpunt mag graven en waar niet. Maar er zit nog zoveel meer bij. En dat kunnen wij toevoegen.”
Heb je tips voor andere provincies als die iets dergelijks zouden willen organiseren?
“Het traject naar dit samenwerkingsverband was echt pionieren. We moesten samen ontdekken hoe onze ambities het beste konden aansluiten bij de bestaande subsidiemogelijkheden van de provincie. Dat vroeg soms wat uitzoekwerk en flexibiliteit, dus het is goed om daar vanaf het begin rekening mee te houden. Tegelijkertijd hoort dat bij het opzetten van iets nieuws. Als we nu kijken wat het heeft opgeleverd, denken we vooral: waarom hebben we dit niet veel eerder gedaan? Met sommige organisaties werkten we vroeger al samen op projectbasis, maar nu doen we dat onder een gezamenlijke vlag en met een gezamenlijk doel. Dat is heel prettig. Je hebt alle verschillende facetten van erfgoed verzameld in één team. Ook buiten dit programma vinden we elkaar nu veel makkelijker.”
Wanneer verwacht je de eerste concrete resultaten?
“Eind augustus zitten we weer met z’n allen bij elkaar. Ik hoop dat de eerste initiatieven eind dit jaar gaan starten, want volgend jaar willen we echt gaan draaien.”
Cover: ‘Zwartendijk - Infrastructuur en Woningbouw’ door Martijn Horst (bron: Stichting Landschap Overijssel)






