Onderzoek Geurt Keers en Friso de Zeeuw richten hun aandacht op de hoeveelheid vierkante meters die Nederlanders gemiddeld verwonen. Wonen we inderdaad te groot, zoals critici beweren? Of is het zaak scherper naar de cijfers te kijken, in internationaal perspectief? Met daarbij ook oog voor de ‘footprint’ die woningen innemen in het Nederlandse woonlandschap. Hun conclusie: de Nederlander woont juist bescheiden en onze stedenbouwers verkavelen zeer efficiënt.
In het debat over de Nederlandse woningmarkt keert één hardnekkig dogma de laatste jaren steevast terug: Nederlanders zouden “te groot wonen.” Recent goot een veelgeciteerde studie olie op het vuur met de bewering dat we in Nederland gemiddeld maar liefst 11 m² per persoon teveel ter beschikking hebben. Beleidsmakers, politici en woonexperts pleiten voor het drastisch terugschroeven van het aantal vierkante meters per woning, daarbij gedreven door demografische ramingen over de vergrijzing en de toename van het aantal eenpersoonshuishoudens. De bouw van kleine, compacte appartementen wordt gepresenteerd als het beste middel voor een toekomstbestendige, passende woningvoorraad.
Een heel ander beeld
Die veronderstelling berust echter op een fundamentele misvatting. Er ontstaat een spectaculair ander beeld wanneer we deze aannames toetsen aan geharmoniseerde internationale statistieken over woonoppervlakte en ruimtebeslag. De feiten laten zien dat de Nederlander in Noordwest-Europees perspectief bescheiden woont, maar op kavelniveau tot de absolute wereldtop behoort als het gaat om efficiënt en compact ruimtegebruik. Dit laatste vloeit voort uit onze unieke stedenbouwkundige verkavelingstraditie.
We wonen echt niet zo groot, vergeleken met andere landen in Noordwest-Europa
De mythe dat Nederlanders buitensporig ruim wonen, stoelt voor een belangrijk deel op een (inmiddels herziene) statistische rekenfout. Sinds 2017 hanteerde het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) cijfers en berekeningen waaruit naar voren kwam dat Nederland met gemiddeld 65 m² woonoppervlak per persoon koploper in Europa zou zijn. In 2022 herzag het CBS deze gegevens na de ontdekking van een substantiële berekeningsfout: het feitelijke gemiddelde bleek circa 53 m² gebruiksoppervlak (GBO) te zijn. Daardoor daalt Nederland naar de vierde plaats in de Europese rangorde.
Betrekkelijke vergelijking
Kijken we bij de internationale vergelijking naar het ‘feitelijk nuttige woonoppervlak’ op basis van de Eurostat-data en BZK-gegevens, zoals onder andere bewerkt door onderzoeker Rovers, dan belandt Nederland nog lager in de Europese rangorde. Uit die data blijkt dat de gemiddelde Nederlander beschikt over 41 m² nuttig woonoppervlak per persoon (zie tabel 1). Nederland staat daarmee op de negende plaats in Europa, nauwelijks boven het algehele Europese gemiddelde van 37,5 m². Vergelijken we Nederland met economisch gelijkwaardige Noordwest-Europese buurlanden (waar het gemiddelde op 45 m² ligt), dan staan er acht landen ver boven ons.
Kortom: we wonen echt niet zo groot, vergeleken met andere landen in Noordwest-Europa. De internationale vergelijking is bovendien maar betrekkelijk en qua definities en gegevens problematisch. De EU is gestopt met de woninggrootte-statistiek vanaf 2021. De cijfers en wijze van meten van woonoppervlakte in de lidstaten zijn volgens de EU onvoldoende betrouwbaar voor de vergelijking van landen onderling.

‘Gemiddeld nuttig woonoppervlak per m2 per persoon in Europees perspectief’ (bron: Eurostat & BZK-data, bewerking Rovers)
Duidelijk wordt uit het bovenstaande dat woninggrootte verband houdt met het welvaartsniveau. Rijke Noordwest-Europese landen kennen grotere woningen dan Zuid- en Oost-Europa. De lage cijfers in Centraal- en Oost-Europa zijn een erfenis van de sobere Oostblok-economie met haar massaproductie van kleine prefab-appartementen (wat zelfs het Duitse gemiddelde tot op de dag van vandaag drukt).
De Nederlandse woninggrootte is voor onze welvaartsklasse bescheiden te noemen. Bovendien sluit die 41 m² naadloos aan bij maatschappelijke realiteiten. Jonge doorstromers onder de 65 jaar – goed voor 55 procent van de mensen die van plan zijn te verhuizen (‘verhuisgeneigden’) – vragen om ruimere woningen. Dat komt onder meer door het structurele karakter van het gedeeltelijk thuiswerken. Daarnaast kampt het stedelijk wonen met een chronisch gebrek aan interne bergruimte in de woning, wat de explosieve groei van commerciële opslagboxen aan de stadsranden verklaart.
Uitzonderlijk efficiënt ruimtegebruik
Het tweede kernpunt betreft de ruimtelijke voetafdruk (footprint) van het wonen. De vrees dat de vraag naar grondgebonden eengezinswoningen leidt tot het “dichtbouwen van het landschap door het morsen met ruimte,” wordt door internationale vergelijkingen overtuigend weerlegd (zie tabel 2). Binnen de Nederlandse stedenbouwkundige traditie wordt namelijk uitzonderlijk efficiënt en compact met grond omgegaan. Europese data laten zien dat Nederland op dit gebied een unieke positie inneemt. Hoewel de binnenruimte van onze woningen functioneel en kwalitatief is, behoort de footprint per kavel – het totale grondoppervlak dat per woning in beslag wordt genomen – tot de laagste van vrijwel heel Europa.

‘Vergelijking woning- versus kaveloppervlakte in Europees verband’ (bron: diverse data EU)
Door onze verfijnde stedenbouwkundige verkaveling van compacte rijwoningen, geschakelde bouw en smalle kavelmaten realiseren we een uitzonderlijk hoge woningdichtheid, mét daarbij het behoud van de kwaliteit van een eengezinswoning. De stelling dat grondgebonden bouw per definitie gelijkstaat aan “verkwistend ruimtegebruik” blijkt in de Nederlandse context dan ook feitelijk onjuist.
Beleidsmatige implicaties
De beleidsmatige neiging om de nieuwbouw primair af te stemmen op kleine, compacte appartementen sluit niet aan op de woningvoorkeuren van de mensen. Het in dat kader refereren aan het vermeende “te groot wonen” en “het morsen met ruimte met al die eengezinswoningen” steunt niet op de feiten. De vraag naar eengezinswoningen blijft dominant: uit de ABF Research-studie Woningmarktverkenningen blijkt dat de kwalitatieve vraag naar eengezinswoningen onverminderd groot blijft. Dit segment beslaat circa 55 procent van de totale uitbreidingsvraag.

‘Moderne hoogbouw appartementsgebouwen in de zakenwijk - Zuidas, Amsterdam.’ door Wolf-photography (bron: Shutterstock)
Van een eenzijdige ‘vergrijzingsval’ is evenmin sprake. Hoewel het aantal eenpersoonshuishoudens groeit, laat de langetermijnprognose van het CBS zien dat de toename van het aantal meerpersoonshuishoudens tot 2040-2050 hiermee nagenoeg gelijke tred houdt. Een angst voor massale leegstand van eengezinswoningen is dan ook ongegrond. Ouderen verhuizen niet naar een bezemkast. Onder meer een ING-studie naar ouderenhuisvesting toont klip-en-klaar aan dat senioren hun vertrouwde eengezinswoning pas willen inruilen als het alternatief voldoende kwalitatief én ruim is. Senioren zoeken geen minimale ‘seniorenstudio,’ maar een ruim driekamerappartement met een royaal balkon of terras, vaak in de eigen buurt of gemeente. Dat is ook nog dikwijls niet in stedelijke gemeenten. Zonder dat aanbod blijft de doorstroming bij ouderen sowieso stagneren.
De vraag van mensen
Beschikbare vergelijkingen tussen Europese landen leveren geen steun voor de stelling dat de Nederlander “te groot woont.” Onze stedenbouwkundige kavel-footprint behoort reeds tot de meest efficiënte ter wereld. Wie de woningnood wil oplossen door burgers via kunstmatige normen en ‘11m²-reductiestudies’ in een al te krap jasje te dwingen, negeert de werkelijke woonbehoeften. Goed ruimtelijk beleid bouwt voor de vraag van mensen, niet op onjuiste internationale vergelijkingen en niet op theoretische rekenmodellen van de beleidstafel.
Cover: ‘Vrijstaande Nederlandse gezinswoningen met tuinen’ door Rudmer Zwerver (bron: Shutterstock)






