Analyse Wat gebeurt er als je sociale waarde in gebieden niet langer als ambitie beschouwt, maar in een wet vastlegt en onderbouwd meeneemt in plan, aanpak en budget? In Engeland doen overheid, markt, third sector dit al bijna vijftien jaar. Maaike Schravesande vertelt wat Nederlandse overheden, gebiedsontwikkelaars en bouwbedrijven van hun Britse collega’s kunnen leren.
Terwijl we in Nederland het ‘ontkokeren’ onderzoeken en maatschappelijke meet- en investeringsmodellen verkennen, hebben de Britten een schat aan ervaring opgebouwd. Er ontstond de afgelopen vijftien jaar een uitgebreid stelsel van wetgeving, raamwerken, aanbestedingscriteria en investeringsmodellen. De Britse ervaring biedt een bron van inzichten voor de Nederlandse praktijk. Het ‘meten’ zorgde er voor een doorbraak, de sociale investeringsmodellen brachten een beetje systeemverandering en het ‘anders organiseren’ werd het wezenlijke perspectief.
Nationale overheid zet de toon
Twee interessante wet- en beleidsinitiatieven hebben veel in beweging gebracht. Al in 2009 werd de silo-government als probleem vastgesteld, onder meer in het beleidsstuk Total Place: a whole area approach to public services. De regering ontwikkelde inzichten en oplossingen voor preventieve investeringen, gekoppeld aan 13 pilotgebieden, met de baathouders-kwestie in gedachten: “where multiple organisations invest and benefit over different time horizons.” Dit denken ontwikkelde zich verder en die ontwikkeling zorgde voor relevante overheidsinitiatieven als Whole Place Community Budgets en Social Impact Bonds of Social Outcome Contracts en vergelijkbare modellen.
In 2012 nam het Britse parlement de Social Value Act aan. De Act was een richtlijn én stimulans voor de overheid om als opdrachtgever bewuste keuzes te maken en om als overheid vooraf expliciet na te denken over de economische, evenals sociale en ecologische meerwaarde. Een bijbehorende ambitie was om de third sector en civil society (sociaal ondernemers, gemeenschapsinitiatieven én vrijwilligersorganisaties) meer kans te geven op overheidscontracten. Later werd de Act aangescherpt met generieke criteria voor het toetsen van aanbestedingen en de verplichting om sociale waarde voor tenminste 10 procent mee te laten wegen in tenders voor nationale overheidsopdrachten. Hiermee zette de nationale overheid de toon en bracht de overheid beweging op gang. Parallel werkten in dezelfde periode (semi)publieke en private initiatiefnemers (in coalities) aan meet- en rekenmethoden.
Ontwikkeling van meetmethoden
Een van de doorbraken was de Wellbeing Valuation Approach, beter bekend als de UK Social Value Bank (2014), op initiatief van onder meer de Housing Associations Charitable Trust (HACT) en wetenschapper Daniel Fujiwara. De meetmethode met dataset is gericht op het praktisch toepasbaar en financieel waarderen van (ervaren) welzijn. In de actuele UK Social Value Bank zijn 100+ maatschappelijke effecten opgenomen, ieder met 1 tot 3 financiële waarden, die optellen tot een eindwaarde: wellbeing value (ervaren welzijn), health top-up value (gezondheidseffect), exchequer value (publieke kostenbesparing). Zo is de gemiddelde waarde van ‘Not worried about crime’ berekend op 11.873 pond en ‘Talks to neighbours regularly’ op 3.848 pond per persoon per jaar.

‘Brixton Market, Zuid-Londen, hotspot van afro-caribische keuken en cultuur’ (bron: Maaike Schravesande)
Geïnspireerd door het succes van de UK Social Value Bank en de Social Value Act, kwam in 2016 een publiek-private-maatschappelijke coalitie bijeen: de National Social Value Taskforce, met overheden, zorg en veiligheid, bouw- vastgoed- en facilitaire bedrijven, woningcorporaties, vakbonden en vertegenwoordigers van vrijwilligersorganisaties en sociaal ondernemers. Deze coalitie ontwikkelde het TOMs Framework met indicatoren en proxywaarden, die de beoordeling van maatschappelijke waarde meer meetbaar en vergelijkbaar maakte. De financiële proxywaarden zijn vaak afgeleid van economische effecten, publieke besparingen, sociale baten en soms welzijnsgegevens.
Willen we sociale waarde echt borgen in gebiedsontwikkeling, dan moeten we aan de slag met de governance
Er liepen dus meerdere sporen langs elkaar. Waar de Sociale Value Act, HACT Sociale Value Bank en TOMs Framework meer beweging op gang brachten bij woningcorporaties, ontwikkelaars en bouwbedrijven, zorgden de Total Places, Community Budgets en Social Impact Bonds voor verandering bij publieke en maatschappelijke organisaties, waaronder een grote rol voor impactinvesteerders. Later volgden nog andere meetbenaderingen en meetmethoden, zoals de RIBA Social Value Toolkit for Architecture met Post Occupancy Evaluation en Guide to measuring social value of buildings and place van UKGBC.
Cultuurverandering
Sinds de invoering van de Social Value Act in Engeland heeft maatschappelijke waarde een steeds belangrijkere positie gekregen in aanbestedingen, organisaties en werkwijzen. Wel is gebleken dat het toepassen van social value-meetmethoden specifiek voor ruimtelijke plannen nog in ontwikkeling is. Bekende grotere ontwikkelaars en bouwers, die werken met TOMs en/of Social Value Bank zijn Balfour Beatty, Morgan Sindall Group (incl. Muse), Wates en Willmott Dixon. Ook Britse woningcorporaties gebruiken beide methoden. Social Value Bank voor impactwaardering (outcome valuation) en TOMs voor aanbesteding, project- en leveranciersmanagement.
De belangrijkste effecten van de Social Value Act en raamwerken waren bewustzijn en cultuurverandering voor zowel publiek, privaat als de third sector en civil society. Het meetbaar maken van sociale waarde sterkte het legitimeren van maatschappelijke investeringen en maakte meer inzichtelijk wat wel en wat niet werkte. Bedrijven als Balfour Beatty rapporteren miljoenen aan sociale impact en er zijn meer aanbestedingen bij lokale en sociale organisaties. Kritiek is er op de administratieve last. Aantonen dat de gerapporteerde maatschappelijke waarde daadwerkelijk een direct gevolg is van het project, vraagt veel werk. Voor lokale en sociaal ondernemers is het dubbel: ze worden vaker ingeschakeld door de grotere bedrijven, maar gaan zelf vaak gebukt onder het (papier)werk om aan een uitvraag mee te doen. Ook ligt ‘afvinkgedrag’ op de loer en kiezen voor interventies met ‘veel punten’ in plaats van wat lokaal nodig is.
Veranderde de samenwerking en geldstromen?
De Social Value Act en meetmethoden brachten overheid en marktpartijen zeker in beweging, zorgden voor verandering in organisatie en het schuiven met budgetten, maar zorgden niet voor nieuwe investeringsstromen voor sociale waarde. Overheidsinitiatieven als Total Places, Community Budgets en Social Outcome Bonds deden dit wél, maar vooral vanuit de overheid, met impactinvesteerders, zorg- en maatschappelijke organisaties. Evaluaties laten zien dat hier een netwerk van publieke en maatschappelijke organisaties voor nodig is, evenals een onafhankelijke entiteit, complexe contractvorming en serieuze meet- en evaluatiesystemen. Daadwerkelijke investeerders in de eerste Engelse Social Impact Bonds waren, naast de overheid, vooral foundations, filantropie en gespecialiseerde impactinvesteerders (bijv. Better Society Capital).

‘Gebiedsontwikkeling rond Battersea Power Station.jpg’ (bron: Maaike Schravesande)
Het Verenigd Koninkrijk heeft een groter ecosysteem van impact investeerders met bijbehorende institutionele infrastructuur. Uiteindelijk investeert maar een klein deel (circa 1 procent) in de Social Outcome Contracts. Veel meer impact investment gaat naar sociale huisvesting. De Social Impact Bonds hebben nog minder succesvol bewezen dat grote institutionele kapitaalstromen (pensioenfondsen, verzekeraars, vastgoedbeleggers) structureel naar maatschappelijke uitkomsten kunnen worden geleid. Alhoewel er inmiddels wel vaker banken en pensioenfondsen schijnen in te stappen blijft de outcome payer meestal de overheid. Het gaat over anders organiseren van de overheid, effectiever gericht op de maatschappelijke behoefte. De Engelse Social Outcome Contracts leidde wel wereldwijd tot pilots, ook in Nederland.
Governance code
Willen we sociale waarde echt borgen in gebiedsontwikkeling, dan moeten we aan de slag met de governance. De London Property Alliance (2025) pleit voor een Social Value Code als gedragscode voor maatschappelijke waardecreatie in vastgoed, bouw en gebiedsontwikkeling. Het vroegtijdig betrekken van stakeholders, lokaal samenwerken, place-based social value strategy, transparante besluitvorming, stewardship vehicles voor langjarige impact en monitoring van maatschappelijke effecten zijn onderdelen van deze code.
De Britse praktijk laat zien dat gebiedsgerichte samenwerkingen en andere langjarige arrangementen kunnen helpen om partijen sterker te positioneren
De belangrijkste tip is, houd het doel en de juiste middelen goed voor ogen. Het meten en rekenen aan sociale waarde heeft nut, maar het ‘anders organiseren’ is relevanter, anders investeren volgt daar uit. Maatschappelijke waarde ontstaat uiteindelijk niet in spreadsheets en beleidsstukken, maar in buurten, door mensen, verenigingen, bewonerscollectieven en sociale ondernemingen. Toch zijn onze systemen vooral ingericht op publieke instellingen en marktpartijen. Daardoor krijgt juist de third sector of civil society, die vaak cruciaal is voor langdurige sociale impact, onvoldoende ruimte en continuïteit. De Britse praktijk laat zien dat gebiedsgerichte samenwerkingen, community partnerships, stewardship-organisaties en andere langjarige arrangementen kunnen helpen om deze partijen sterker te positioneren. De volgende stap ligt daarom minder in nieuwe rekenmodellen en meer in het bouwen van het institutionele en financiële ecosysteem waarbinnen maatschappelijke waarde kan groeien en blijven bestaan.
Cover: ‘Waterloo Park in Highgate’ (bron: Maaike Schravesande)







