platform voor kennis, nieuws en debat
platform voor kennis, nieuws en debat
Boekrecensie

Een tango van ontwerp en bestuur

Een tango van ontwerp en bestuur

zandmotor

boekbespreking ‘De kracht van regionaal ontwerp. 25 jaar vormgeven aan Zuid-Holland’

15 jul 2018 - Ontwerp als verhaallijn, verkennend en probleemstellend. Dat is de essentie van 25 jaar regionaal ontwerp in Zuid-Holland. Het boek “De kracht van regionaal ontwerp” analyseert en verbeeldt de complexe relatie tussen ontwerp en bestuur, in vele schakeringen. Een fraai overzicht, met een uitstapje naar de toekomst. Want het verhaal is nog niet af.

De kracht van regionaal ontwerp. 25 jaar vormgeven aan Zuid-Holland

Francisco Colombo, Jeroen van Schaick, Peter Paul Witsen

Uitgeverij De Nieuwe Haagsche – Provincie Zuid-Holland

ISBN 978-94-6010-076-5

€27,95

Het contrast valt op, voor wie met de Randstadrail van Den Haag naar Rotterdam reist. De Randstadrail is een efficiënte ‘light-rail’ geworden, met veel haltes toch snel en in Rotterdam aangesloten op het metronet. Een grote vooruitgang ten opzichte van de voormalige Hofplein-lijn van de NS. Maar het uitzicht uit het raam stemt minder vrolijk. Vinexwijken, snelwegen, spoor, bedrijventerreinen en oudere woonkernen volgen elkaar schijnbaar willekeurig op, en tussen Pijnacker en Berkel en Rodenrijs raakt de verstedelijking van de Haagse regio bijna aan die van de Rotterdamse. Over de vormgeving van dit tussengebied van Den Haag en Rotterdam lijkt niet goed te zijn nagedacht.

“de positie van de provincie veranderde, door decentralisatie, grotestedenbeleid en Vinex. Dat laatste was ook de belangrijkste reden dat er weinig terecht kwam van de mooie Parkstad-ontwerpen”

Toch was juist dit tussengebied onderwerp van de oudste ontwerpstudie uit De kracht van regionaal ontwerp. Met Een Parkstad tussen Hof en Haven? uit 1989 sloeg de provincie een nieuwe weg in, die van het verkennende, probleemstellende en integrerende ontwerp (p. 133-136). Voorheen stond het ontwerp in dienst van de toetsende rol van de provincie als middenbestuur: ordening en inpassing van ruimtelijke functies. Maar de positie van de provincie veranderde, door decentralisatie, grotestedenbeleid en Vinex. Dat laatste was ook de belangrijkste reden dat er weinig terecht kwam van de mooie Parkstad-ontwerpen. De steden gingen elk voor zich aan de slag met de woningbouw van Vinex, ten koste van de gezamenlijke ontwikkeling van parkstad. De ontwerpstudie mag dan geen realiteit zijn geworden, ze zette wel de toon voor de nieuwe wijze van regionaal ontwerp in de provincie Zuid-Holland. Vele volgden in deze voetsporen. En dat illustreert gelijk een belangrijke les uit De kracht van regionaal ontwerp: één ontwerp is geen ontwerp, regionaal ontwerp ontleent zijn kracht aan de opeenvolging. Ontwerpen als werken aan een serie verhaallijnen, het karakteriseert het regionaal ontwerp van de afgelopen vijfentwintig jaar.   

De verhaallijnen zijn in het boek geordend rond zes ruimtelijke thema’s (stedenbaan, kustzone, A4-corridor, stedelijke uitbreiding, industrieel-logistiek systeem) en zes interviews met hoofdrolspelers (de ambtenaar/San Verschuuren, de directeur/Joost Schrijnen, de wetenschapper/Wil Zonneveld, de adviseur/Riek Bakker). Nog meer dan de themahoofdstukken maken de interviews duidelijk waar het in het boek om draait: de soms innige, soms afstandelijke relatie tussen ontwerp en bestuur. De balans tussen aantrekken en afstoten bepaalt de kwaliteit van de dans, als in een tango. Regionaal ontwerp moet voldoende ruimte krijgen om de bestuurder te verrassen en het blikveld te verbreden, maar zonder gericht opdrachtgeverschap vanuit het bestuur sterft het ontwerp in eenzame schoonheid. Dit is de tweede les uit het boek over regionaal ontwerp: goed opdrachtgeverschap is cruciaal voor de effectiviteit. En daar moet aan gewerkt worden, zo benadrukken verschillende geïnterviewden. In deze tijden van governance is netwerkontwikkeling van het opdrachtgeverschap minstens zo belangrijk als gebiedsontwikkeling.

“regionaal ontwerp leidt soms tot de conclusie dat verder regionaal ontwerp niet nodig is”

Omdat het boek gecentreerd is rond de relatie tussen bestuur en ontwerp, komen andere spelers zoals bedrijven en burgers helaas weinig aan bod. Toch schemert soms de mening van de burgers door, zoals in het hoofdstuk over de kust. Daar wordt de vraag gesteld waarom voorstellen voor nieuwe kustlocaties zoveel weerstand opriepen, terwijl de Zandmotor wordt omarmd. Het antwoord is helder: voor velen zijn de zee, duinen en de kust het laatste ongetemde stuk Nederland, en dus: ‘laat de kust met rust’. Geen ingenieurskunst, maar natuur. De Zandmotor sluit juist aan bij de beleving van ongetemdheid, die verandert met de zeestroming mee. Het hoofdstuk over de kust bevat nog een andere mooie vondst: regionaal ontwerp leidt soms tot de conclusie dat verder regionaal ontwerp niet nodig is. Zo concludeerde de studie ‘Lijnen in het zand’ uit 2005 (p. 67-70) dat verdere regionale integratie van de drie deelgebieden van de Zuid-Hollandse kust (Delta, Delflandse kust en de kust ten Noorden van Den Haag) niet nodig is. Maar de auteurs stellen terecht vast dat dit nu zomaar anders zou kunnen zijn. En dat is een derde les uit het boek: goed regionaal ontwerp stelt ook altijd de regionale schaal zelf ter discussie. De regio is geen afgegrensd gebied, maar een interactiemilieu van schalen en netwerken.

De kracht van regionaal ontwerp is een rijk boek, een verzameling van vele goed geschreven en verbeelde verhalen. Het roept de vraag op of die vijfentwintig jaar regionaal ontwerp nu eigenlijk een afgesloten periode is. Duidelijk is wel dat de kredietcrisis van 2008 een breuk betekende, de druk was van de ketel en de investeringen namen af. En de nieuwe Omgevingswet komt eraan. Maar volgt nu een nieuw tijdperk, en hoe ziet dat er uit? Een definitief antwoord op die vraag geeft het boek niet, en dat is misschien verstandig. Duidelijk is wel dat de auteurs enkele erfenissen naar te toekomst mee willen nemen, zoals de rol van visievorming en de ‘lagenbenadering’ (de samenhang tussen ondergrond, netwerken/infrastructuur en occupatie). Dat laatste lijkt voor de hand te liggen. Door verschillende ontwikkelingen (klimaat, kust, rivieren, dalende veenweidegebieden) wordt de relatie met de ondergrond alleen maar belangrijker. Maar visievorming? Gelukkig spreken de auteurs over ‘permanente visievorming’, die in principe ‘nooit af’ is (251). Tot voor kort waren de ruimtelijke ‘visies’ de eindproducten van een beleidsproces, de Grote Nota’s Over de Ruimtelijke Ordening die twintig jaar mee moesten. Aanvankelijk succesvol, nu de restanten van een hardnekkige ambtelijke cultuur. Die nieuwe Omgevingsvisies van rijksoverheid, provincie en gemeenten moeten een openingsbod van het debat worden, geen eindbod. Dan kunnen de verhalen van beleid, onderzoek en ontwerp elkaar versterken. Het tijdperk van het verhalende regionale ontwerp is daarmee nog niet ten einde.


Mail de auteur Ries van der Wouden op ries.vanderwouden@pbl.nl


Cover: ”Zandmotor” (Public Domain) by Zandmotor

Auteur

Ries van der Wouden
Ries van der Wouden

Senior wetenschappelijk medewerker ruimtelijke ordening en leefomgevingskwaliteit, Planbureau voor de Leefomgeving

Bekijk alle artikelen
Blijf op de hoogte