platform voor kennis, nieuws en debat
platform voor kennis, nieuws en debat
Redactioneel

Experimenteren met erfgoed

Experimenteren met erfgoed

27 mei 2014 - Erfgoedzorg bevindt zich in het oog van de orkaan. Er is veel gedaan aan het ‘oppoetsen van de collectie’, maar de wereld er omheen is inmiddels compleet veranderd. De hoogste tijd dat de erfgoedzorg zich opnieuw gaat verhouden tot de maatschappij en de ruimtelijke ordening. Niet langer de stenen, maar het verhaal staat centraal. En het zijn steeds vaker lokale inititatiefnemers die bepalen wat het volgende hoofdstuk van een gebouw of gebied wordt. Hoogleraren Eric Luiten en Joks Janssen over een open vizier-benadering van het erfgoed. ‘In een tijd dat de bouwwoede tot stilstand is gekomen is het goed om vanuit een meer ontspannen houding te kijken naar de voorraad.’

  • Eric Luiten is hoogleraar Cultuurhistorie en Ontwerp, TU Delft en als Rijksadviseur voor Landschap en Water lid van het College van Rijksadviseurs (CRA)
  • Joks Janssen is bijzonder hoogleraar Ruimtelijke Planning en Cultuurhistorie, Wageningen Universiteit en directeur BrabantKennis van de Provincie Noord-Brabant

Joks Janssen en Eric Luiten zijn twee van de vier hoogleraren van het Netwerk Erfgoed & Ruimte, de opvolger van het onderwijsnetwerk van het programma Belvedere. Als onderdeel van een Nationale Onderzoeksagenda Erfgoed en Ruimte schreven de hoogleraren gezamenlijk een Kennisagenda. Daarin stellen zij dat de modernisering van de erfgoedzorg die met Belvedere (‘Behoud door ontwikkeling’) is ingezet, inmiddels in een volgende fase is beland. Het erfgoed moet zich opnieuw gaan verhouden tot de samenleving. In zijn inaugurele rede gooide Janssen al de knuppel in het hoenderhok, door de erfgoedsector op te roepen de deuren en ramen wijd open te zetten. Openstaan voor nieuwe ruimtelijke programma’s zoals zorg, voor financiële haalbaarheid van herontwikkelingen en voor bottom up initiatieven, biedt de sector het broodnodige toekomstperspectief in een tijd waarin de ruimtelijke ontwikkeling zich in een systeemcrisis bevindt. Waardoor ook behoud door ontwikkeling in veel gevallen, bijvoorbeeld in krimpgebieden, problematisch is geworden.

Beschermingsindustrie

De ‘collectie’ moet in beweging komen, stelt Eric Luiten. Hij schetst de drie erfgoedbenaderingen uit de Kennisagenda, die zijn te interpreteren als dominante houdingen in opeenvolgende fasen in de erfgoedzorg, maar die tegelijkertijd nog steeds alle drie naast elkaar bestaan. Voor de sectorbenadering is de ‘beschermingsindustrie’ karakteristiek, gekenmerkt door conservering, wet- en regelgeving en een sectorgerichte houding. Luiten: ‘Rondom het erfgoed is een cultuur gegroeid die het erfgoed heeft losgetrokken uit de dynamiek van de verandering.’

Onderhandeling

De factorbenadering is gekleurd door Belvedere. Erfgoed wordt in de context van onderhandelingen binnen gebiedsontwikkeling geplaatst. Als onderdeel van een geïntegreerd programma van eisen vormt ze een van de factoren naast bijvoorbeeld wonen, voorzieningen en groen. Binnen deze context kan onderhandeld worden over welke delen worden behouden, of gesloopt, of getransformeerd. Bij herbestemming is het belangrijk of een gebouw of ensemble inderdaad een tweede leven tegemoet kan gaan; past ze op het programma, is ze exploiteerbaar? Naast de cultuurhistorische waarde komen hier economische waarden om de hoek kijken. De erfgoedprofessional opereert in een speelveld van ruimtelijke ontwikkelaars. Iconische gebiedsontwikkelingen in dit verband zijn de herontwikkelingen van de Kop van Zuid in Rotterdam en in Maastricht van het Sphinx-Céramiqueterrein. Luiten: ‘Het erfgoed ligt niet meer onder de kaasstolp. Erfgoed wordt onderdeel van een kosten-batenanalyse binnen een grotere, dynamische omgeving.’

Erfgoed in narratief

Belvedere heeft de erfgoedsector flink losgeschud, zegt Joks Janssen. Maar op het hoogtepunt van deze marktbenadering liep de vastgoedmachine vast. Karakteristiek erfgoed en monumenten kregen daarmee steeds minder vanzelfsprekend de rol van aanjager van gebiedsontwikkeling; van katalysator voor waardecreatie, welbegrepen door gemeenten en ontwikkelaars. En daarmee is de blikrichting nu naar de maatschappij, naar het lokale initiatief. Waarmee het overigens ook allemaal ooit begonnen is, zeggen Luiten en Janssen. Erfgoedzorg komt immers voort uit de acties van verontruste burgers tegen de negentiende-eeuwse modernisering van de stad. Nu ligt de bal opnieuw bij betrokken burgers. Daarmee is de cirkel rond, zij het dat de huidige vectorbenadering een veel bredere en vrijere houding heeft ten opzichte van het erfgoed dan de vooral conservatieve houding van weleer. Luiten: ‘Er is veel minder betekenis voor de stenen, voor de fysieke kant. Het verhaal staat centraal: erfgoed als onderdeel van een continuïng story, van zijn eigen geschiedenis, passend in een breder narratief.’

Transformatie als essentie

Erfgoed wordt daarmee een illustratie van de voortschrijdende tijd, van de lange lijnen die door gaan. Met verandering als essentieel gegeven. Transformatie als de essentie van stad- en landschapsontwikkeling. Dat roept de vraag op: wat maakt een gebouw of ensemble of plek specfiek? Wat nemen we mee naar het volgende hoofdstuk van het verhaal? En die vraag roept gelijk ook een volgende vraag op. Want, wie bepaalt dat eigenlijk? Het is de verschuiving van experts naar samenleving: de resocialisatie van het erfgoed. ‘In de sectorbenadering is het de overheid die zich de zorg voor het erfgoed heeft toegeëigend. Zij bouwden aan een “nationale collectie”. In de factorbenadering zijn het de marktpartijen die bepalen wat kansrijke concepten zijn. Nu signaleren wij een derde benadering waarin hermaatschappelijking van het erfgoed centraal staat. Zelforganiserende burgers bemoeien zich met het erfgoed. Samen met maatschappelijke organisaties, bedrijven en gemeenten brengen zij het verhaal van de plek verder. Zij voelen zich daadwerkelijk probleemeigenaar.’

Experimenteren met erfgoed - Afbeelding 1
-

Hydrobiografie

Eric Luiten heeft in zijn functie als Rijksadviseur voor het Landschap en Water een mooi voorbeeld van zo’n biografische benadering van het erfgoed. Zijn onderzoek naar een meerlaagse waterveiligheid van Marken bestaat uit een ‘hydrobiografie’. Luiten: ‘Je kunt voor vele miljoenen de dijken verhogen, maar je kunt ook kijken naar hoe de Markenaren zich door de eeuwen heen hebben verhouden tot het water. Op welke manier hebben zij hun waterbescherming georganiseerd, zowel fysiek als sociaal? Op welke manier zit hoogwaterveiligheid als het ware in de genen van de Markenaren? Misschien hebben ze al die eeuwen prima kunnen leven met af en toe natte voeten. Hun manieren van omgaan met het water hebben we in kaart gebracht in een compact boekje, dat inzichtelijk maakt dat er meer manieren zijn om een waardevol gebied te beschermen dan de automatische reflex van dijkverhoging. Uitgaande van het verhaal, van de biografie van Marken zelf.’

Context

Een ander voorbeeld is de landschapsbiografie voor het stroomgebied van de Drentse Aa die in interactie met de lokale bevolking tot stand is gekomen. Een goed voorbeeld voor het stedelijk gebied vindt Janssen de Wimby-benadering van bureau Crimson voor Hoogvliet. ‘Bij Wimby ging het niet om de individuele karakteristieke na-oorlogse gebouwen, maar om een nieuw collectief ethos voor het geheel van de wijk. Een wederopbouwwijk vol beloften: hoe kan die zich opnieuw verhouden tot een grotendeels nieuwe bevolkingsgroep? Hoe kun je iets van de geschiedenis meegeven in een nieuwe fase van stedelijke ontwikkeling?’ Ook hier gaat het om het verhaal, om de concepten achter het stedenbouwkundig plan, en om een eigentijdse vertaling van dat verhaal, in plaats van om de stenen, de gebouwen zelf. Context speelt een cruciale rol. Een biografie wordt sterker als je die een bepaald kader plaatst, zegt Luiten. Zoals hij de geschiedenis van Marken verknoopte met de opgave van hoogwaterbescherming. ‘Een context geeft richting. Het traditionele cultuurhistorisch onderzoek werkt als een schot hagel en heeft daarmee weinig zeggingskracht. Binnen een context daarentegen zijn de spelers duidelijk, kun je de juiste partijen erom heen organiseren.’

Voltooid verleden tijd

Met de ont-materialisering van het erfgoed wordt hergebruik gelegitimeerd door de vraag welke lijnen in de geschiedenis je verder door wilt trekken. Wat zijn de richtinggevende principes in het gebied? Deze kunnen ook sloop legitimeren als de conclusie van het verhaal is dat het voltooid verleden tijd is voor een gebouw. Om die principes te kunnen identificeren moet er een referentiekader worden opgebouwd, zegt Luiten, die ruimtelijke ingrepen betekenis geven. ‘De nadruk komt te liggen op wat een gebouw zegt over de ontwikkeling van dit stuk stad of landschap en hoe we die ontwikkeling verder kunnen brengen.’ Kennis verzamelen is cruciaal. Zo kun je bijvoorbeeld in een gebied dat wordt gekenmerkt door cesuren sloop beargumenteren.

Uitdijen

Het is een openvizier-benadering, zegt Janssen. ‘Er is niets voorgeschreven, alles is in principe open.’ Maar dat heeft ook een risico: straks is alles erfgoed. De erfgoedzorg heeft sowieso al een uitdijend effect. Niet alleen in het aantal monumenten, ook werden in de loop der tijd niet alleen gebouwen maar landschappen en stad- en dorpsgezichten beschermd. Janssen: ‘Ook in de typen gingen we van het bijzondere naar het alledaagse. De alledaagse woonomgeving uit de wederopbouwtijd bijvoorbeeld. En de ambitie is veranderd: van bescherming naar herontwikkeling.’ Zo ontstaat een soort ‘homeopathische verdunning van het erfgoed’, beaamt Luiten. Hij kan zich wel vinden in die verschuivende benadering. ‘In een tijd dat de bouwwoede tot rust is gekomen is het goed om tot een meer integrale benadering te komen van zaken die “oud” zijn. Met een meer losse, ontspannen houding bekijken. Ik ben daarom niet bang voor verdamping van het erfgoed, daar moet je vooral niet te krampachtig over doen. We leven immers ook in een veel democratischer tijdperk: iedereen heeft er iets over te zeggen.’

Gebied met patina

Een aansprekend voorbeeld van de nieuwe, democratische omgang met erfgoed vinden Luiten en Janssen de Wagenwerkplaats in Amersfoort. ‘Ontstaan vanuit een bottom up volksbeweging die als eerste was gericht op het redden van het historische industriële complex waar vanaf begin vorige eeuw goederenwagons werden onderhouden en gereviseerd. Een soort krakers van de 21e eeuw. Daarna is het geheel nieuw leven ingeblazen door partners te zoeken bij de herontwikkeling. Een vruchtbare combinatie van de energie van een collectief van burgers en een slimme analyse van het krachtenveld én het weten te binden van partijen zoals de gemeente en de NS. Dit project toont aan dat het accent verschuift naar burgers. Tegelijkertijd kunnen die het niet alleen. Het kader van institutionele partners heb je nodig, waarbinnen burgers aan de slag kunnen.’ Die burgers blijven ook in de doorontwikkeling van het gebied betrokken. De transformatie van de Wagenwerkplaats vormde de katalysator voor het gebied erom heen in Amersfoort-Noord. Ook in het gebied van de Wagenwerkplaats zelf komen steeds meer grotere bedrijven ‘die gevoelig zijn voor een gebied met patina, met verhaal’.

Experimenteren met erfgoed - Afbeelding 2
-

Systeemcrisis

Erfgoedzorg bevindt zich in de oog van de vulkaan, zegt Janssen. ‘De collectie is mooi opgepoetst en staat er goed bij. Maar de wereld eromheen is compleet in beweging. De systeemcrisis waar de ruimtelijke ordening zich nu in bevindt gaat een grote impact hebben op de erfgoedzorg.’ In krimpgebieden is die situatie al harde realiteit. Veel herbestemmingen, zoals de Cultuurfabriek in Ulft, zijn gedaan in een tijd dat de overheid de onrendabele top financierde. Nu staan de exploitaties onder zware druk en wordt het ‘enorm ingewikkeld’ om dergelijke gebouwen in financiële zin nog overeind te houden. ‘In krimpregio’s komt transformatie nu scherp op de agenda. Er is geen geld meer, maar wél een steeds verder uitdijende voorraad, van leegkomende kerken en kloosters bijvoorbeeld.’ Maar ook het agrarisch erfgoed draagt daar aan bij. Luiten: ‘In rap tempo komen nu boerderijen op de markt. Wat gaan we daar mee doen?’

Onverwachte spelers

Toch ziet Janssen ook op het platteland en in dorpsgemeenschappen nieuwe bewegingen ontstaan die zich ontfermen over leegkomende complexen. Een dorpsgemeenschap die zich ontfermt over de collectieve ruimtes zoals de tuinen van een kloostercomplex. Zorginstellingen die moeten inkrimpen en aan het dorp vragen om vooral mee te denken in een combinatie met nieuwe functies. Onderwijsinstellingen die geïnteresseerd zijn in herontwikkeling tot nieuwe campusomgevingen. ‘Nieuwe, onverwachte spelers zoals onderwijs- en zorgpartijen doen hun intrede, maar vaak samen met, of vanuit, burgerinitiatieven.’ Luiten wijst op de snelle herontwikkeling van het New Yorkse Meat Packing District. ‘Van no-go-area tot een van de populairste buurten van de stad. Voor het Marineterrein in Amsterdam hebben we ook wel eens aan zo’n strategie gedacht: zet de poorten maar open. En kijk maar wat er gebeurt.’

Onthouding

Een dergelijke gentrification-strategie als in New York zijn we in Nederland niet gewend. Janssen: ‘Wij denken meer in maakbaarheid. In plannen met eindbeelden. Maar ook in de erfgoedzorg wordt het tijd dat we het eindbeelddenken loslaten. De ethiek van de onthouding: niet ingrijpen is ook een keuze.’ Kijk naar Engeland, zegt Luiten. Daar stonden verlaten industriële complexen decennialang te verruïneren. ‘Laat maar gewoon zoals het is. Op een gegeven moment komen er kunstenaars of andere groepen die de gebieden gaan herontdekken en er een nieuwe bestemming aan geven. Vervolgens worden zij weer overgepakt door grotere partijen. Zo werkt gentrification.’ Janssen vult aan: ‘Soms heb je gewoon ook tijd nodig om er achter te komen wat je met een plek of een gebied kunt. Iets echt goeds bedenken vraagt ook verbeeldingskracht. Dan is het goed om even afstand te kunnen nemen. Wij hebben meestal de neiging om alles gelijk in een frame te plaatsen.’

Experimenteren

Daarom is de huidige fase zeer interessant, vinden beiden. Er is minder investeringskracht, partijen zijn op zoek naar andere rollen. ‘Dat geeft letterlijk adem en ruimte om tot nieuwe oplossingen te komen. Tot nieuwe strategieën ook, voor herbestemming en eventueel “elegante sloop”. Er mag worden geëxperimenteerd. De voorraad is zo groot, het is echt niet erg als er eens wat mis gaat.’

Op 24 juni organiseert het College van Rijksadviseurs in het kader van de IABR het symposium ‘De diversiteit van de leegstand’. Met onder anderen Frits van Dongen, Rudy Stroink, Liesbeth Jansen en Maarten van Poelgeest over strategieën voor herbestemming en sloop. Tijdstip en locatie: van 9 tot 13 uur in de Kunsthal, Rotterdam. Toegang gratis. Aansluitend is er een middagprogramma verzorgd door het Ministerie van I en M / Atelier Making Projects over herbestemmen als gebiedsopgave.

Meer informatie over het programma hier

Zie verder:

Auteur

Portret - Anne Luijten
Anne Luijten

Voormalig hoofdredacteur van Gebiedsontwikkeling.nu

Bekijk alle artikelen
Blijf op de hoogte