Persoonlijk Mede dankzij de ongekend droge zomer kreeg de alarmerende boodschap van het Nationaal Deltaprogramma een begripvolle, zachte landing. Met alleen techniek houden we Nederland niet klimaatbestendig. We zullen met zijn allen veel ingrijpender maatregelen moeten treffen. Maar welke dan? En hoe krijgen we die gedaan in een land dat worstelt met zijn uitvoeringskracht? “We zullen echt andere dingen moeten gaan doen,” zegt Deltacommissaris Co Verdaas in een gesprek met GO-hoofdredacteur Martin Hendriksma. Vanuit zijn werkkamer op de zestiende verdieping van een Haagse toren geniet Deltacommissaris Co Verdaas een spectaculair uitzicht over de Nederlandse kust en de Noordzee. Bij storm kan hij bij wijze van spreken de golven zo tegen het strand zien beuken. Nee, hem verrassen de weergoden niet, de man die sinds december 2023 de voortgang bewaakt van het Nationaal Deltaprogramma dat Nederland moet hoeden voor overstromingen en dient te zorgen voor voldoende zoetwater. Essentieel daarbij is een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting van ons land. Het helpt daarbij dat Verdaas twee dagen in de week hoogleraar gebiedsontwikkeling is aan de TU Delft. Medio september kwam het deltaprogramma met haar tweede herijking. Kort samengevat is de boodschap: met een tandje erbij in de techniek lossen we onze waterproblematiek niet meer op, er zijn daarnaast ingrijpende aanpassingen nodig in de ruimtelijke inrichting en in ons landgebruik. “Als je geen water hebt om rond te pompen, hebben die gemalen ook geen zin,” geeft Verdaas als voorbeeld. Hij noemt de door het klimaat afgedwongen maatregelen een cultuurverandering die raakt aan de Nederlandse identiteit. “Wij waren toch altijd wereldkampioen waterbeheer? En dat zijn we nog steeds, hè. Maar we zullen echt andere dingen moeten gaan doen.” De afspraak is dat we daar, anderhalve maand na de herijking, nog eens uitgebreid over doorpraten. Over wat de consequenties ervan zijn voor de praktijk van gebiedsontwikkeling.
Nieuwe realiteit
Maar allereerst nog even die tweede herijking zelf. Verraste het Verdaas hoe breed de consequenties van het rapport werden aanvaard? “Verrast…” Hij kauwt op het woord. “Ja, in die zin verrast dat bij elke boodschap die je de samenleving in slingert er altijd een vorm van verzet of ontkenning ontstaat. Maar na afgelopen zomer was de noodzaak van nieuwe maatregelen zo evident. Er is geen ondernemer op tv geweest die géén last had van de droogte. Of je nou aan het Twentekanaal zit of in de bollenteelt. Ook natuurbeheerders zeggen: dit is niet langer houdbaar. Het maakt dat je in de samenleving over een soort drempel heen bent. We zitten collectief in een nieuwe realiteit.”
De samenhang tussen de verschillende opgaven is zo evident, dat we ze niet meer los van elkaar kunnen benaderen
Er kwam meteen ook boter bij de vis. Minister Karremans (Infrastructuur en Waterstaat) trok in oktober 2,3 miljard euro uit het Mobiliteitsfonds om het sterk verouderde gemaal bij IJmuiden toekomstbestendig te kunnen maken. Verdaas: “Iedereen die een keer in IJmuiden op bezoek was geweest, kwam erna terug met de boodschap: dit moeten we snel oplossen. Achter het gemaal wonen vier miljoen mensen in een economisch kerngebied. Die moeten droge voeten houden. Dat is ook mijn boodschap voor de langere termijn, want op de Afsluitdijk hebben we over een jaar of vijftig wel zes tot acht pompen nodig, nog los van alle kleinere ingrepen die we elders in het land moeten doen. Ja, het gaat om heel veel geld, maar in the end is het gewoon geen keuze.”
Is gebrek aan water, droogte, inmiddels niet een urgenter probleem aan het worden dan wateroverlast?
Verdaas: “Veiligheid, in de zin van ‘houden de dijken het,’ zal voor ons altijd nummer één zijn. Maar gelijktijdig zie je nu dat droogte misschien wel het meest taaie vraagstuk wordt. Omdat zich daar een geleidelijke ramp aan het voltrekken is. Kijk, in de beleving van de samenleving zijn wij nog steeds een waterland. Zo’n droge zomer zakt snel weg in het collectief geheugen. Nou, ik woon aan de Waal en kijk elke ochtend of het water alweer stijgt. Nee, dus. We zitten nog steeds rond het laagste niveau ooit en het wordt al november. Als je dan weet dat het weer van afgelopen zomer de norm voor de toekomst wordt, dat de gletsjers verder zullen smelten en de zeespiegel stijgt…. Hou meer water vast, zegt iedereen. Dat roep ik ook. Maar als het vervolgens heel hard gaat regenen, heb je minder bergingscapaciteit. De samenhang tussen de verschillende opgaven is zo evident, dat we ze niet meer los van elkaar kunnen benaderen.”
Zoektocht
De vraag is wie er nu voor die gecombineerde opgaven als eerste aan zet is. Is dat een taak voor de waterschappen? Ook, vindt Verdaas. “Als functionele overheid zijn ze immers direct verantwoordelijk voor waterbeheer. Maar waar voorheen de oplossing zat in techniek en peilbeheer, rijst nu het besef dat daar ook het ruimtelijk domein hard bij nodig is. Gelukkig raakt de watersector steeds meer betrokken bij het ruimtelijk economisch beleid. Welke sectoren geef je bij schaars aanbod van water voorrang? Welke bedrijven, welke watervragers ga je waar vestigen? Voorheen was dat nooit een punt van discussie. Er werd water geleverd waar dat nodig was. Nu is het een zoektocht, ook voor de politiek. We krijgen later deze maand de Nota Ruimte. Er komt een Nationaal Waterplan aan. Ik heb goede hoop dat de adviezen van het Deltaprogramma daarin landen. De volgende stap is dat waterbeleid terecht gaat komen in de formele beleidskaders, in de verordeningen en de algemene maatregelen van bestuur. Daar heb je ook een politieke afweging in te maken. Hoeveel risico wil je lopen dat door een clusterbui noodzakelijke voorzieningen uitvallen of kwetsbaar worden? Hoeveel investeringen ben je bereid te doen om dat te voorkomen? Maak daar lokaal een bewuste keuze in. Neem je verantwoordelijkheid.”
Dat vraagt van waterschapsbestuurders die nou niet om hun assertiviteit bekend staan een nieuwe rol. Moeten ze vooraan bij de planvorming aan tafel zitten?
“Waterschappen zijn van oudsher dienstbaar, faciliterend. Nog niet zo heel lang geleden waren er ook krachten die zeiden: we kunnen wel helemaal zonder die waterschappen. Dat ze zich vaak niet te groot willen maken, heeft ook met die geschiedenis van doen. Gelijktijdig zeg ik: als je kijkt naar wat we op het gebied van zoetwater en wateroverlast in het hele systeem hebben te doen – stap dan als waterschappen meer naar voren.”
Het is volgens Verdaas ook hier een zoektocht. “Waterschappen hebben de neiging om de oplossing binnen hun eigen gebied te willen vinden. Maar wil je het water naar Oost-Groningen kunnen brengen, dan moet de bodemerosie in de Waal stoppen. Om in Den Bosch droge voeten te houden, is het fijn als in het hele stroomgebied van de Dommel de beken weer gaan meanderen en het water de grond in kan. Zo heb je niet alleen de kennis van de waterschappen nodig, maar ook de onderlinge samenwerking om die analyse over de eigen grenzen heen te kunnen maken.” Diezelfde bredere samenwerking is volgens Verdaas nodig bij ruimtelijk-economische keuzes. “Dan word je als waterschap niet alleen de waarschuwer, maar ook medeverantwoordelijk voor wat er economisch nodig is en wat werkt. Dat het af en toe knettert en schuurt, dat hoort er allemaal bij.”
Speelt dezelfde problematiek niet bij de drinkwaterbedrijven?
“Ja. We roepen al lang dat water zich niks aantrekt van bestuurlijke grenzen, nou, laten we er dan voortaan ook zo mee omgaan. Het geldt voor de hele sector, voor de hele sámenleving, zou ik willen zeggen. Ook als je moet beoordelen welke teelten of welke natuurdoelen waar het meest passend zijn. Maak die analyse niet alleen binnen je eigen provincie of in je eigen werkgebied – trek het breder.”
Mooie parallellen
De waterproblematiek lijkt zo al met al verdacht veel op een andere spelbreker in de gebiedsontwikkeling: de netcongestie. Net als water was stroom tot voor kort overvloedig beschikbaar. Totdat de ene na de andere regio op rood ging en een landelijke aanpak noodzakelijk werd. “Ja, daar zitten mooie parallellen in,” beaamt Verdaas. “Het is ook een sector die van nature dienstbaar is. De netbeheerders hebben van oudsher een aansluitplicht, doorgaans op volgorde van aanvraag. Maar is dat nog wel de meest intelligente manier? Het gesprek daarover komt nu op gang. Natuurlijk heb je nog steeds versterking van het netwerk nodig, maar gelijktijdig zie je initiatieven ontstaan waarbij door de beperking ook creativiteit ontstaat. Ik noem de decentrale opwek in combinatie met batterijen, elektrische auto’s die stroomreserve opleveren, een slimmer gebruik zodat de stroompieken eraf gaan. Dan blijkt dat de investeringslast enigszins teruggebracht kan worden. Ik denk dat het goed is om die twee sectoren – water en netbeheer – samen aan tafel te brengen. Niet om elkaar de maat te nemen, maar om van elkaar te horen: hoe gaat dat bij jullie? Zijn er lessen waar we alle twee iets aan hebben?”

‘Hoogwater Zwolle’ (bron: Gemeente Zwolle)
Onder minister Hugo de Jonge werd water en bodem sturend gemaakt voor de ruimtelijke ontwikkeling van ons land. Van het kabinet-Schoof mocht dat een onsje minder, maar inmiddels worden water en bodem in Den Haag weer ten volle als leidraad omarmd. Ziet Verdaas dat voldoende doorsijpelen naar de omgevingsvisies en omgevingsplannen van de decentrale overheden? “Ja,” zegt hij. “Daar ben ik heel positief over. Er wordt geen omgevingsvisie meer gemaakt waarin klimaatadaptatie niet een leidend principe is. Klimaatadaptatie is niet meer links of rechts, het raakt alles en iedereen. Dat is heel vervelend, maar ook heel bindend. Wil je een gebiedsontwikkeling klimaatadaptief realiseren, dan vraagt dat vaak een extra investering aan de voorkant. Het gesprek daarover is goed op gang gekomen.”
Hogerop ingrijpen
Gevraagd naar mooie voorbeelden komt Verdaas met Zwolle op de proppen, waar ze dankzij een creatieve uitvraag bij een project van binnenstedelijke verdichting nu een hoosbui met 254 millimeter water kunnen hanteren. “Helemaal tot op gebouwniveau is daar doorgedacht: hoe beweegt het water zich? Waar kunnen we extra ruimte creëren? Het is geniaal dat dit de uitkomst is, terwijl de politieke discussie nog gaat over maxima van 70 of 80 millimeter.”
Ander mooi voorbeeld: HOWABO, Zuidoost-Brabant. “Daar hebben ze een analyse gemaakt van het watersysteem: van de hoge zandgronden in het zuidoosten tot Vlaanderen aan toe. Als het daar hard regent, stroomt het water heel snel af naar Den Bosch. Als je hogerop ingrijpt, hebben we in Den Bosch minder maatregelen nodig. Daar schaart iedereen zich nu achter.”
Als laatste: Rijnenburg, bij Utrecht. “Daar is een heel lang discours geweest, maar ook hier hebben overheden en markt elkaar uiteindelijk gevonden in hoe je klimaatadaptatie verantwoord organiseert. De analyse van het waterschap liet zien wat er gebeurde als het hard zou gaan regenen. Daardoor nam het gesprek een andere wending. Iedereen zag in dat er rekening mee moest worden gehouden, zeker toen bleek dat er ruimte ontstond om wateropvang te combineren met andere functies. Ik weet niet of de analyse van het waterschap echt de doorbraak voor Rijnenburg heeft betekend, maar een belangrijke trigger was het zeker.”
Zijn er daarnaast ook sléchte voorbeelden? Verdaas moet diep nadenken. “Nou ja, dat ik op een gegeven moment een bericht lees van een ziekenhuisdirecteur met een generator in de kelder van het gebouw, die weigert te investeren in een verbouwing. Op zich kan ik dat nog wel invoelen, hoor, maar doordenk dan ook wat de risico’s zijn als die plensbui wél boven jouw stad valt. Blijft die generator het dan doen? Dat is een reëel gevaar waar achteloos aan voorbij wordt gegaan.”
Kan zo'n ziekenhuisdirecteur een belletje van de Deltacommissaris verwachten?
Luid lachend: “Nee, zo zit ik niet in elkaar. En ik denk ook niet dat het helpt, overigens.”
Hamvraag
Samenvattend, zegt hij, is hij “heel positief” over het gerezen besef van klimaatverandering en het draagvlak om hierop in de openbare ruimte op te acteren. Maar nu komt de hamvraag: kúnnen we dat ook? “Zijn we nog wel in staat om echt te transformeren, om ons land weer te laten ‘ademen’? Dat het moeras wat het ooit was, deels weer terugkomt. Omdat dat de grootste weerbaarheid biedt tegen droogte én plensbuien kan absorberen.” Maar ja, weet ook Verdaas: “Op elke vierkante meter in Nederland gebeurt nu al iets anders.”
Hij stelde zich ooit in een weekend de vraag of we in Nederland überhaupt in staat zijn om nieuwe Deltawerken aan te leggen. Of een Afsluitdijk. Verdaas: “Zijn we nog bereid om deelbelangen op de korte termijn te plaatsen in het perspectief van wat er op de lange termijn nodig is. En het betreft ook een vorm van uitvoeringskracht, natuurlijk. Dat gaat verder dan een regeltje meer of minder of een normpje al dan niet wat soepeler – het betreft de hele transformatieopgave.”
Het antwoord van de Deltacommissaris: “Ik denk dat we met elkaar een institutioneel systeem hebben gebouwd dat heel veel goeds heeft gebracht, maar nu een nadere doordenking verdient. Kun je op termijn nog missiegedreven aan Nederland verbouwen? Er zijn veel heilige huisjes. Denk aan de natuurdoelen. Is de wijze waarop we die nu hebben vastgelegd en meten nog wel de juiste? Stel dat het soms een half jaar niet regent en daarna een half jaar aan één stuk door? Ik wil een diepgaande doordenking, breedgedragen en maatschappelijk, over dit soort vragen.”
Ook om nieuwe “IJmuidens” te voorkomen. Verdaas: “De minister constateerde dat iedereen al jaren zag dat verbetering van de sluis hard nodig was. Toch werd het maar niet geregeld. Je wil niet voor alles wat we nog te investeren hebben, deze werkwijze nog eens overdoen. Er is nu ook in de Kamer het besef dat er een nieuwe, derde Deltacommissie moet komen die met dit soort vragen aan de slag gaat. Dan gaat het over financierbaarheid, maar ook over uitvoeringskracht.”
Enorme ingrepen
Verdaas somt alvast een aantal ingrijpende strategische keuzes op die ons op termijn te wachten staan. Zoals het wel of niet afsluiten van de Rijn-Maasmonding en de consequenties voor het Waddengebied als de zeespiegel stijgt en we meer zoetwater aan het IJsselmeer willen onttrekken. “En wat wordt je strategie in de zuidwestelijke delta? Twee meter zeespiegelstijging is een gegeven, dat vergt enorme ingrepen.” Hij zegt: “Nu hebben we nog tijd om de gewenste strategie voor de lange termijn met de regio goed te doordenken. Dat kan leiden tot een andere aanpak dan de inzet die we nu plegen. We hoeven de antwoorden niet volgend jaar klaar te hebben. Maar als we nog twintig jaar wachten, dan kunnen we alleen nog maar acuut handelen.”
Bent u daar optimistisch over? Blijft onze weerbaarheid op orde?
“Ja”, zegt hij na enig denken. “Bijna iedereen wordt links- of rechtsom door het veranderende klimaat geraakt. Een oud-collega wilde in de zomer met een huurauto naar Italië. Wat was de precieze bestemming? kreeg hij te horen. Hij mocht er niet mee naar het Garda- of het Comomeer vanwege de weerrisico's. Duizenden Nederlanders moeten zoiets te horen krijgen. Het klimaat laat ons geen keuze meer, we zullen wel moeten.”
Zijn aarzeling bij het antwoord: gaan we hard genoeg? Verdaas: “We zijn op het moment gekomen dat we die keuzes echt moeten maken en extra zullen moeten investeren. Want alleen dan doen we het in één keer goed voor toekomstige generaties. Hebben we dat besef voldoende op het netvlies? Al hoop ik dat het niet gebeurt, maar misschien hebben we eerst meer pijn nodig om daar nóg bewuster van te worden. Dat het helemaal geen keuze is, uiteindelijk. Dat we zullen móeten investeren in klimaatadaptatie. Nou ja, ik doe als Deltacommissaris mijn best, zeg ik altijd maar. En als iedereen dat doet, dan komen we een heel eind.”
Co Verdaas aan het woord in een gesprek met BNR Podcasts over de noodzakelijke investeringen in de waterveiligheid in Nederland.
Cover: ‘Co Verdaas’ (bron: Phil Nijhuis)









