2013.03.01_Het nieuwe werken_180

Het Nieuwe Werken: méér dan werkplek en inrichting

1 maart 2013

6 minuten

Nieuws Om geheel verschillende redenen zijn werkgevers en werknemers op zoek naar flexibiliteit. Voor de werkgevers spelen efficiency en kostenbesparingen een rol; werknemers zoeken meer zelfstandigheid, uitdagingen, een betere verhouding tussen werk en privé. Dit leidt tot een heroriëntatie op de plekken waar gewerkt kan worden. De aandacht in onderzoek naar de consequenties van het zogenaamde Nieuwe Werken legt de nadruk op de werkplekken en de inrichting van gebouwen. Beargumenteerd wordt hier dat ook de locaties van die gebouwen, de directe omgeving ervan en de stedelijke inrichting aandacht vragen.

We hadden al Het Nieuwe Rijden, en Het Nieuwe Koken en nu ook al weer enige tijd Het Nieuwe Werken. Feitelijk een vreemde term. De afgelopen eeuw is er een geweest waarbij eigenlijk continu werd gezocht naar nieuwe werkvormen, maar blijkbaar staan we op zo’n belangrijk breekpunt, als we alle artikelen en boeken moeten geloven, dat een specifieke term gerechtvaardigd is. Onlangs merkte iemand op dat er wellicht meer boeken over Het Nieuwe Werken zijn geschreven dan er bedrijven zijn waar het wordt toegepast. Hoe het ook zij, de komende jaren zal er het nodige gaan veranderen omdat bedrijven zullen zoeken naar mogelijkheden om slimmer en efficiënter te werken en te besparen op huisvestingskosten (zie ook Twynstra Gudde, 2011). Bijkomende factor is de toenemende druk op de arbeidsmarkt waardoor in de zeer nabije toekomst niet langer de werknemer de vragende partij is, maar de werkgever. Gecombineerd met wijzigende culturele opvattingen (bijvoorbeeld meer aandacht voor de verhouding werk-privé) en de mogelijkheden die ICT biedt leidt dit tot geheel andere manieren van werken. De mondige werknemer zal meer en meer zelf (willen) bepalen waar en wanneer er gewerkt wordt. Er zal meer worden gewerkt vanuit huis, bij een opdrachtgever of vanaf uiteenlopende locaties — al of niet virtueel — met collega’s. De omvang van het personeel dat bedrijfsgebouwen bevolkt zal afnemen met alle gevolgen van dien voor de toch al in moeilijkheden verkerende kantorenmarkt. Niet langer bepalen de bedrijfsgebouwen (en daarmee de ondernemers) nog langer de ruimtelijke structuren van het werken, maar zijn dit de werknemers en hun nieuwe ruimtelijke gedrag. De vraag is hoe die ruimtelijke patronen uit gaan kristalliseren en welke voorzieningen dit op welke locatie vraagt. Vastgesteld kan worden dat bij Het Nieuwe Werken tot op heden weinig aandacht uitgaat naar de plek van de gebouwen waarin het concept wordt toegepast en de omgeving ervan. De focus ligt op de werkplek en de inrichting van het gebouw. Ligging van de gebouwen (en de bereikbaarheid ervan) en de kwaliteiten van de omgeving lijken ook van belang te zijn bij het aan kunnen trekken van schaarser wordende medewerkers. Met name van de hoger opgeleiden wordt aangenomen dat zij in steeds sterkere mate een goed werkklimaat zoeken, variërend van werkplek tot gebouwomgeving. Gall en De Benoist stellen terecht dat “the work environment, so far largely contained in the corporate building, has begun to spread. Today, the city is the office. Work enters public space, third places and homes, challenging the boundaries between private and public lives, work and free time, and leading to new questions about different cultures, practices, aspirations, and more” (in Leyk c.s., 2010). Natuurlijk zullen de gebouwomgeving en de locatie van gebouwen nooit een doorslaggevende factor worden om bij een bedrijf te gaan werken, maar het kan meespelen en kan zeker helpen personeel vast te houden, met plezier te laten werken en (daardoor) creatief en productief te laten zijn. Ook de woonomgeving komt er bij het denken over de consequenties van Het Nieuwe Werken bekaaid van af, terwijl dat in dat concept toch één van de belangrijke alternatieve werkplekken moet gaan worden.

In dit artikel kijken we juist niet naar de inrichting van gebouwen en naar de werkplekken. Hier staan we stil bij de veranderende eisen aan de omgeving rond de gebouwen waarin gewerkt wordt, de gevraagde locaties voor de gebouwen, en bespreken we de gevolgen voor de stedelijke inrichting. Laten we voorop stellen dat we hier de betekenis van die omgeving en de stedelijke inrichting voor Het Nieuwe Werken niet gaan overdrijven. Werkplek en gebouwinrichting blijven in dit concept cruciaal.

Verandering in bedrijfslocaties?

De nieuwe werkvormen zullen niet het einde inluiden van kantoren en bedrijfsgebouwen; de medewerkers zullen naar die gebouwen blijven komen. De regelmaat waarmee dat gebeurt zal echter sterk wisselen. Zeker het kantoor zal in de nabije toekomst eerder het beeld oproepen van een bijenkorf met in- en uitvliegend personeel. Verwacht mag worden dat (een deel van) de kantoren die in meer of mindere mate flexibel werken introduceren of specifiek Het Nieuwe Werken invoeren, op zoek gaan naar een nieuwe accommodatie omdat een betere bereikbaarheid wordt gevraagd of met minder kantoorruimte kan worden volstaan. Als daarnaast door medewerkers (of een deel daarvan) bovendien meer en meer eisen gesteld gaan worden aan de voorzieningen in de omgeving (zie hierna), dan is het logisch dat de kantoorwerkplekken van de nabije toekomst niet alleen op een kruispunt van multimodale verkeersinfrastructuur gevonden kunnen worden, maar zich ook in een multifunctionele omgeving zullen bevinden. En daar ontbreekt het nu net aan met bij de meeste huidige, formele werklocaties.

Ook Jones Lang Lasalle (2011) denkt vooral aan centrale, multifunctionele locaties in binnensteden en op multimodale vervoersknooppunten als het gaat om de locaties voor de ‘winning workplaces’. DTZ (2010) stelt vast dat kantoren die bij openbaar vervoersknooppunten en in een multifunctionele omgeving zijn gelegen (voorzieningen,inclusief parkeergelegenheid), veelal nabij de stadscentra, in trek zijn waardoor de leegstand op dat type locaties lager is. Maar ABN AMRO (2011) heeft daar — voor de kantorensector in het algemeen — een ander beeld bij. Zij stellen een bovengemiddeld negatieve uitbreidingsvraag op centrumlocaties vast waardoor de gemiddeld relatief goede uitgangspositie van dit locatietype met een geringe structurele leegstand onder druk komt te staan.

Interviews die we hebben gehouden met een twintigtal facility managers van bedrijven, die als toonaangevend voor Het Nieuwe Werken worden beschouwd, geven als beeld dat de kwaliteiten van een Nieuwe Werken locatie vooral gelegen zijn in een goede autobereikbaarheid, loopafstand tot het station en goede parkeergelegenheid. Multimodale ontsluiting lijkt een randvoorwaarde te zijn voor de Nieuwe Werken-locatie. Bijna alle respondenten vinden dat belangrijk. Tweederde van deze bedrijven is al gevestigd op een stationslocatie of een locatie die goed bereikbaar is met openbaar vervoer. Iets meer dan de helft van de geïnterviewden is van mening dat het belang van voorzieningen gaat toenemen. Die hoeven niet altijd direct in de omgeving te zijn gelegen, maar kunnen ook (deels) inpandig worden gerealiseerd. Overigens is het op dit moment nog wel zo dat voor een ruime meerderheid van deze Nieuwe werken bedrijven de multimodale ontsluiting zwaarder weegt dan de multifunctionaliteit van de omgeving, maar op termijn zou de multifunctionele omgeving even zwaar kunnen gaan wegen als de multimodale bereikbaarheid. Tevens moet worden opgemerkt dat niet elke geïnterviewde het verband ziet tussen het concept van Het Nieuwe Werken en de locatie: “de Nieuwe Werken gebouwen kunnen overal staan”. In het algemeen is niettemin het beeld dat vooral NS-voorstadshaltes goede locaties lijken te zijn, zeker als het een intercitystation betreft, en meer nog als voorzieningen aanwezig zijn. Denk aan bijvoorbeeld Rotterdam Alexanderpolder. De centrale stationsomgeving is zeker ook een gewaardeerde locatie, mits autobereikbaarheid en voldoende parkeergelegenheid zijn gegarandeerd. Slechte bereikbaarheid kan niet worden gecompenseerd door een crèche of een fitnessruimte.

Zie voor de volledige publicatie:


Cover: ‘2013.03.01_Het nieuwe werken_180’


Portret - Erwin van der Krabben

Door Erwin van der Krabben

Professor of Real Estate at University of Ulster


Meest recent

Midden-Delfland als Nationaal Productief National Park. Ontwerp Zus, Flux en Sweco door Zus, Flux en Sweco (bron: TU Delft)

Hoogleraar Chris Zevenbergen wil ruimtelijk ontwerp inzetten voor bestendige delta

Chris Zevenbergen sprak onlangs zijn intreerede uit als hoogleraar Delta Urbanism. In een interview met de TU Delft geeft hij aan dat er verstrekkende besluiten aankomen over de inrichting van de Nederlandse delta. Pappen en nathouden is passé.

Interview

9 december 2022

Het kronkelende riviertje Koningsdiep door Rudmer Zwerver (bron: Shutterstock)

Provincies moeten meer meters maken in creëren van nieuwe natuur

Vóór 2028 moet in Nederland nog meer dan 30.000 hectare extra natuur gecreëerd worden. In dit tempo lijkt dat niet haalbaar. Dat is de uitkomst van de Achtste Voortgangsrapportage Natuur.

Analyse

9 december 2022

Weekoverzicht Cover door Ineke Lammers (bron: gebiedsontwikkeling.nu)

Dit was de week van het zoeken naar nieuwe wegen

Deze week zoeken we op Gebiedsontwikkeling.nu naar nieuwe wegen. Nieuwe wegen om de onzekere tijden in gebiedsontwikkeling door te komen, om ook echt duurzaam te kunnen vergroenen en om de schaarse (woon)ruimte in de stad goed te benutten.

Nieuws

8 december 2022