Artikel
Den Haag skyline_2

Hoogbouw: terug naar de needle strategy van Rob Krier!

Door Leo Oorschot

7 okt 2017 - De bevolking van de stad Den Haag groeit, daarom willen bestuurders verdichten tot een hoogstedelijk niveau bij de OV-knooppunten. Eén van de strategieën daarbij is hoogbouw. Op 31 augustus vond bij Platform STAD het debat Haagse hoogbouw: Eyeline & Skyline plaats over de aanstaande hoogbouwvisie. En een debat is verstandig want Den Haag kent een lange problematische geschiedenis als het om hoogbouw gaat. En net zoals de discussie over de Amsterdamse Sluisbuurt zal de verbouwing naar een glossy Aziatische wolkenkrabberstad niet zonder slag of stoot gaan.

Maar is een hoogbouwvisie wel genoeg? Is het niet beter om een alomvattende en integrale visie te ontwikkelen waarbij gebiedsontwikkeling centraal staat? Een visie op de identiteit van de stad, de kwaliteit van het publieke domein en de eisen die men stelt aan de toekomstige bebouwing. En op lange termijn werken aan een duurzame stad. Verdichten is immers de beste strategie om het stadslandschap te verduurzamen omdat fysieke verbindingen tussen wonen, werken en recreëren worden verkort. En, een visie op het Central Innovation District (CID) waar het allemaal moet plaatsvinden?

Hoe gaat Den Haag verdichten?

Vooropgezet moet worden dat Den Haag en omliggende gemeentes de bevolkingsgroei alleen kunnen opvangen als ze samenwerken in één stadsregio. In het nieuwe millennium waarin stadsbesturen, marktpartijen en andere stakeholders samen steden vormgeven met gebiedsontwikkeling, is het schaalniveau van stadsregio noodzakelijk. Maar helaas is dat niet de werkelijkheid en doet iedere gemeente-snipper als het mee zit zijn eigen postzegel. Den Haag doet het CID en in de omliggende gemeenten blijft het doodstil.

Met de vernieuwing van de hoogbouwvisie gingen Amsterdam, Rotterdam en Utrecht vooruit op Den Haag. Den Haag kan dus van ze leren en dat deed ze dan ook. Architecten en stedenbouwers Jeroen Geurst, Ruurd Gietema en Hans Kollhoff leidden de discussie in. Het was een debat met de aanbevelingen van experts aan Den Haag. Met Haagse architecten zoals Dorte Kristensen en Eric Vreedenburgh. Stedenbouwers die intensief aan de hoogbouwvisies hebben gewerkt zoals Ton Schaap (gemeente Amsterdam), Emiel Arends (gemeente Rotterdam) en Marlies Nijs (gemeente Utrecht), landschapsarchitect Ben Kuipers en projectontwikkelaar Rob van Kalmthout (Heijmans) die in de stad met woontorens bezig is. Zij kwamen met een min of meer eenstemmig advies voor het stadsbestuur en gemeenteraad.

Maar waar praten we over? Neem de Binckhorst. Geurst heeft het nodige rekenwerk verricht. Volgens de agenda Ruimte voor de Stad moeten er 25.000 woningen komen. Dat zijn 125 kostbare torens met een dikte van 25x25meter en 100 meter hoog, een soort Singapore. Of, 62 betaalbare bouwblokken van 75×75 meter van ongeveer vijf a zes bouwlagen hoog, een soort Europese negentiende -eeuwse metropool. Of 36 bouwblokken met daarbovenop 72 slanke torens waarmee men meer mogelijkheden heeft om diversiteit te brengen in de stad en er ook nog ruimte voor groen overblijft. Kortom er was heel wat te bespreken.

Grote overeenstemming in de aanbevelingen

Belangrijk is natuurlijk de vraag: wat is hoogbouw? In Manhattan zal men dat anders zien dan in Schipluiden. De directe ervaring van mensen in een bepaalde stedelijke context speelt een rol of men iets als hoogbouw aanmerkt of niet. Vooral als er eeuwig wind omheen waait, de eerste drie bouwlagen bergingen of lege winkelruimtes zijn en auto’s in de omliggende wijken worden geparkeerd zoals in Het Strijkijzer aan het Rijswijkse Plein of De Hoge Regentesse in de laagbouwwijk Transvaal. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het debat zich vooral toespitste over de stedelijke context van Den Haag. Het advies was dan ook glashelder:

  1. Een hoogstedelijk milieu bij OV-knooppunten met een mix aan functies is het doel. Hoogbouw is slechts een van de middelen en is nooit een doel op zichzelf. Ga niet verspreid door de stad funny towers of solitaire torens plaatsen waar altijd een orkaan van wind omheen waait, de plint rampzalig is en het parkeren bij de buren moet worden opgelost.
  2. Respecteer de eigenheid van de stad en gebruik dat bij een verdichtingsstrategie. In Den Haag zijn interactiezones geconcentreerd, de stad heeft een groen en open karakter met overwegend laagbouw. De steden van de G4 hebben elk een geheel eigen karakter.
  3. Hoogbouw altijd als deel van een laag stedelijke bouwblokken met daarop slanke torens. Windhinder is dan minimaal. Stedelijke ruimten geaccentueerd en goede plinten zijn te maken. Men kan gebruik maken van de grote footprint voor parkeerkelder, daktuinen en pv-panelen op het dak. Men kan de hoge kosten van de toren compenseren met de kosten van de lage stedelijke blokken. Daardoor kan men diverse stedelijke functies en woningcategorieën in de woongebouwen realiseren en niet alleen eenzijdig dure appartementen.
  4. Gemeente stel eisen aan stedelijke bouwblokken of stedelijke ensembles. Net zoals de parkeernorm zou de gemeente ook normen moeten opstellen voor groen, duurzaamheid, slankheidregels van de torens, bouwhoogten, woningcategorieën, diversiteit van de functies en de plint van de bebouwing. Dan is er duidelijkheid en openheid voor marktpartijen en burgers in de stad.
  5. Gemeente stel eisen aan het publiek domein. De straten en pleinen moeten vergroenen en verblauwen. Met de verdichting moet ook rekening worden gehouden met sunspots en windhinder. Ook moeten ze goed op elkaar aansluiten tot een logisch geheel. In de grote steden is een grootschalige verandering gaande van autogebruik/bezit naar fiets- en loopgebruik. Alleen zo kan vergroening, verdichting en gebruik van stedelijke ruimten worden beheerst en ingericht.

Terug naar de needle strategy van Rob Krier (1988)

De hoogbouwvisie van Amsterdam, Rotterdam en Utrecht sluiten aan bij de eigen identiteit en stedelijke context van de betreffende steden. In Amsterdam kiest men ervoor om geen hoogbouw binnen de ring te bouwen maar langs de ring en daarbuiten. In Utrecht kiest men voor de Dom als het enige hoogbouwmonument in het centrum. De oude stadscentra ontwikkelden zich vanaf de middeleeuwen met in de zeventiende en vooral in de negentiende eeuw een enorme spurt. De hoogte van een gebouw was vooral de loophoogte van een bewoner van straat naar woning. Alleen belangrijke openbare gebouwen zoals kerken en stadhuizen mochten pieken. Dat karakter van de historische stad wil men graag behouden. Rotterdam is een ander soort stad. Een stad vol grote moderne gebouwen met liften. Daar kiest men voor hoogbouw bij het station en langs het water.

Als kenmerk is de bebouwing van Den Haag fijn van korrel en bescheiden van schaal. In Rotterdam, Parijs of Hamburg lijkt alles twee tot drie keer groter. Ook interactiemilieus zoals Maurits de Hoog (2012) die beschreef vallen in Den Haag allemaal samen in één zone in de stad: het CID en de binnenstad. Bij andere steden liggen die meer verspreid. Schaap (gemeente Amsterdam) betoogt verder dat ook de rustige groene Haagse wijken typisch zijn voor deze stad, het is een groot Wassenaar, daar moet je echt niets doen. Verdichten moet daarom alleen bij OV-knooppunten, bij de interactiemilieus en niet in de groene wijken. Aldus de architecten en stedenbouwers. Den Haag moet gebruik maken van haar eigen karakter.

Alle Europese steden kenmerken zich volgens Kollhoff door de stedelijke cultuur. En als gevolg daarvan de bijzondere samenhang tussen bebouwing en het publiek domein. Aldo Rossi en Rob en Leon Krier publiceerden daar in de jaren zeventig en tachtig over. Met De Resident en de Rivierenbuurt werden deze plannen uitgevoerd in Den Haag. Europese steden groeiden sterk in het tijdperk voordat de lift werd uitgevonden en kregen daarmee de kenmerkende bouwblokkenstructuur. De Haagse bouwblokken hebben niet de Weense of Berlijnse schaal en hoogte, ze zijn samengesteld uit veel soorten bebouwing, maar toch zijn ze er en bepalen met hun fijne korrel de identiteit van de stad, samen met de groene lanen en parken. Hoewel ook Den Haag ‘inventions dropped from outer space’ heeft, zegt Kollhoff als hij een luchtfoto van Den Haag laat zien met het Haagse stadhuis als een reusachtige ijsberg in het stedelijke weefsel.

Europese steden zijn veelal oud en daarom in essentie anders dan de relatief jonge Amerikaanse of Aziatische steden, aldus Gietema. Daar is hoogbouw dertien in een dozijn in downtown, en vooral gedreven door winstbejag van ontwikkelaars. Veelal pretentieloze gebouwen die gewoonlijk geen bijdrage zijn aan het stedelijk leven, afgewisseld door funny towers als marketing objecten die krijsen om aandacht, aldus Kollhoff. Hoogbouw is niet geschikt voor kinderen, betoogt Kollhoff. Wil men dat wel geschikt maken dan moet men er in investeren. Maar hoogbouw is al 40% duurder dan lage bouwblokken, volgens Van Kalmthout. En in de toekomst moeten gebouwen ook nog BENG (Bijna Energie Neutrale Gebouwen) worden. Het is de vraag of een ontwikkelaar die snel wil verkopen al die investering gaat doen. Dit alles overziend biedt de eind jaren tachtig ontwikkelde needle strategy van Rob Krier voor Den Haag perspectief. In Europa is hoogbouw altijd een onderdeel van een compositie, en zorgvuldig bedacht ensemble, aldus Gietema.

Needle strategy Rob Krier

De Haagse skyline met torens vanaf van het station CS. Voortgekomen uit de needle strategy Robert Krier [jaren negentig] en de Haagse hoogbouwvisies [1993 en 2001] waarmee de ideeën van Krier werden verfijnd. 

Het ritme van slanke torens op de bouwblokken

De needle strategy die Krier voor het BANK-gebied in 1988 ontwikkelde is een voor Den Haag op maat gesneden strategie om hoogbouw in het Haagse stedelijk weefsel in te weven. Dat houdt in dat men uit gaat van bouwblokken met een stedelijke hoogte van vijf a zes bouwlagen, de stedelijke plint, met daarop slanke torens die als naalden in de hemel prikken. Tussen deze slanke torens ziet men de zeelucht. Dit zou een belangrijk deel van het silhouet van Den Haag worden. De Resident van Krier was het eerste gebouwencluster, daarna Nieuw Babylon en de nieuwe ministeries en woontoren aan de Turfmarkt van Kollhoff en Rapp. Ook het centrum van Ypenburg werd volgens dit principe ontworpen door Rapp en kreeg daardoor een echt Haags silhouet. Deze strategie is verder belangrijk omdat hiermee de straten en pleinen worden gedefinieerd, en daarmee betekenis krijgen.

Later die avond zou architect Vreedenburgh een foto van Het Plein laten zien. De ruimte van dit Haagse plein heeft er een dimensie bij gekregen doordat op de achtergrond de torens als naalden boven de historische bebouwing uit prikken. Het plein is daardoor intiemer en stedelijk geworden. Het probleem van windhinder wordt gereduceerd door de stedelijke plint en dat maakt hoogbouw op straatniveau leefbaar. Aantrekkelijke straten en pleinen op ooghoogte, de eyeline, en aan de skyline de slanke torens met de blauwe zeelucht daartussen.

Voor het Wijnhaveneiland in Rotterdam werd 25 jaar geleden een kader gemaakt voor marktpartijen om te verdichten. Een dynamische aanpak. Een stedenbouwkundige hinderwet met verdichtingsregels. De belangrijkste regel was de formule waarin de slankheid van de torens werd gedefinieerd met als parameters: grondvlak of kavel grootte, bruto vloeroppervlakte hele gebouw en de diagonaal. De bouwhoogte of bouwenveloppe werd niet vastgesteld. Een stedenbouwkundig raamwerk dat nu na 25 jaar bouwen laat zien wat de transformatie van het Rotterdamse Wijnhaveneiland heeft opgeleverd. De slankheidsregels van KCAP is een doorontwikkeling van de needly stratgey van Krier. De aanbevelingen van alle stedenbouwers en architecten voor Den Haag zijn dan ook eensluidend, Kollhoff vat het nog eens samen:

Low blocks with courtyards and good slim towers on top. No dull political compromise with 50 meter height and heavy clumsy buildings.

Wijnhavenkwartier Rotterdam KCAP

Flexibel masterplan Wijnhaveneiland Rotterdam / Beeld KCAP

De plint van het bouwblok, sociale veiligheid en 18 uurs programmering van de stad

Het verhaal van de plint wordt toegelicht door De Nijs (gemeente Utrecht). Na een zeer uitvoerige plintstudie van hoogbouw concludeert zij, dat maar 20% van de plinten acceptabel is. Bij hoogbouw als een solitaire toren mislukt de plint vrijwel altijd, als dieptepunt noemt ze het Strijkijzer. Belangrijk bij de plint is dat de 18 uurs economie een kans krijgt. ’s Avonds moet het er geen Amsterdam-Zuid zijn. Activiteiten moeten direct zichtbaar zijn, ook in de avonduren. Ook Arends (gemeente Rotterdam) bepleit een kwalitatieve stad op ooghoogte. ‘Anders wordt het rotzooi op straat.’ Vooral bij solitaire torens gaat het mis, onderstreept hij. Er is een aanzienlijke windhinder. En op straatniveau een onleefbaar klimaat. In Rotterdam worden nu ‘sunspots’ ontworpen. En door de gemeente wordt al in de voorfase bij de gebiedsontwikkelingsmodellen in de windtunnel getest. Ook moet de ontwikkelaar zijn gebouwen met het voorlopig ontwerp in de windtunnel laten testen. Schaap (gemeente Amsterdam) vult zijn voorgangers aan en bepleit vooral een visie op lange termijn. Niet elke vier jaar weer wat anders.

Diversiteit van stedelijke functies en wooncategorieën als basis voor een hoogstedelijk milieu

Door de enorme schaarste aan woningen hebben veel burgers die kopen of huren gewoonweg geen keuze. Mensen worden door de omstandigheden gedwongen om in hoogbouw te wonen, terwijl ze eigenlijk hoogstedelijk willen wonen. Vreedenburgh, Kristensen en Van Kalmthout zijn daarin eenstemmig. ‘Mensen moeten er vrijwillig voor kiezen om zo te wonen, anders gaat het mis.’ Ook zij vinden hoogbouw niet geschikt voor kinderen. Ypenburg is voor gezinnen en kinderen.

Hoogbouw is zeer kostbaar. Volgens Schaap is het praktisch uitgesloten dat in de hoogbouw sociale huurwoningen komen. En als ze erin komen, dan zal er zeer fors op de kwaliteit moeten worden bezuinigd. Mensen willen niet perse in hoogbouw, aldus Kalmthout, maar in een hoogstedelijk milieu wonen omdat daar de voorzieningen zijn. De cafés, bioscopen, restaurants, kortom het bruisende stedelijk leven. Mensen willen de diversiteit van de stad in alle aspecten. Mensen werken en leven in de stad, haar straten en pleinen betoogt Kristensen. Zoals Jan Gehl dat eindeloos beschreef. De grote kwaliteit van het publiek domein en de plinten van bebouwing vormen dat decor. Vreedenburgh en Kuipers vinden dat ook sociale woningbouw met de verdichting moet worden meegenomen. Immers diversiteit is de grondslag voor een hoogstedelijk milieu. Anders krijg je een soort verticaal Wassenaar mompelt iemand uit het publiek. En als je zoveel geld hebt dat je in Wassenaar kan wonen, ga je niet in Haagse hoogbouw wonen. De grote vraag is of er wel plaats is voor sociale en middeldure huur in hoogbouw als men alleen maar torens bouwt. Met stedelijke bouwblokken en daarop slanke woontorens kan men wel diversiteit realiseren. Kollhoff wijst er nog eens fijntjes op dat er in Berlijn leegstand is bij de dure woningen in torens, net zoals New Babylon nog altijd lege appartementen heeft.

“Krijgt Den Haag een integrale visie?

Wethouder Joris Wijsmuller is kritisch ten aanzien van hoogbouw. ‘Hoogbouw is geen doel, maar een middel voor verdichting om de groei van de stad te faciliteren bij de OV-knooppunten en het CID. We moeten er wat mee. En het is duidelijk dat we heldere regels moeten opstellen voor de toekomstige bebouwing om de verdichting vorm te geven.’ Spelregels voor de plint en programma met 18 uur activiteiten, duurzaamheid, groen, diversiteit van wooncategorieën en slankheidsregels voor torens. Het is onvermijdelijk. Maar ook de stedelijke laag met straten en pleinen, de sunspots en het groen moet worden gedefinieerd. Een (hoogbouw)visie met eenduidige regels voor marktpartijen reduceert onzekerheid bij wantrouwige Haagse burgers, maar ook bij marktpartijen die niet goed weten wat de gemeente precies wil. Een (master)plan voor het CID met spelregels voor de bebouwing om de verdichting vorm te geven is daarom noodzakelijk. Het is zoals Jeroen Geurst in de inleiding al opmerkte:

“De hoogbouwvisie is vooral om gerust te stellen. Burgers kunnen dan opgelucht adem halen. Oh, die torens komen niet bij mij om de hoek.”

Of bewoners werkelijk worden gerustgesteld is de vraag. Het vooralsnog ontbreken van een visie op de identiteit van de stad, en wat Den Haag wil gaan worden, maakt onzeker. De grote vraag is hoe ver Den Haag wil gaan met zijn visie.


Dit item verscheen eerder op Haacs.nl

Hier vindt u het onlangs geopenbaarde concept versie van de Haagse hoogbouw Eyeline en Skyline.

Auteur:

Portret - Leo Oorschot
Leo Oorschot

Leo Oorschot, Haags architect, urbanist en publicist - atelier PRO architekten. Verbonden aan Research Group Beyond the Current - TU Delft

Recente artikelen